Schrijver Erwin Mortier over mystiek, Belgie en schoonschrijverij

«Er zit wel iets van een oude non in mij»

Schrijver Erwin Mortier (1965) duizelt als hij eraan denkt wat er allemaal kan wemelen in één zonnestraal. Woorden kunnen hem gek maken. Een gesprek over mystiek, God, nostalgie, commercie, België, de vrolijk demente Gerard Reve, en schoonschrijverij. «Ik hoop ooit een kloeke roman te schrijven over het gewemel van stof.»

Erwin Mortier (37) glundert: «Ik heb net nog de schedels van Sade en Descartes weggestopt in een doosje.» De hoofden van de Geest en het Beest sierden de tentoonstelling-in-afbouw Het hoofd ten voeten uit in het Gentse Guislain-museum. Mortier werkte er tien jaar lang, tot het succès fou van Marcel hem fulltime schrijver maakte, maar mag er in zijn vrije tijd nog graag tentoonstellingen bedenken, met schedels goochelen en dwaalwegen van de geest verkennen.

Zopas sloot Mortier de met Marcel begonnen en met Mijn tweede huid voortgezette trilogie af: Sluitertijd (uitgeverij Cossee) vertelt de «trieste historie» van Joris Alderweireldt, niet toevallig gezegend met de naam van een dromer. De elfjarige jongen groeit op bij de tweelingbroer van zijn vader en zijn tante, gaat gebukt onder een leegte en bekwaamt zich in «contrarie doen», tot het verleden zijn droomwereld besmet.

Mortier voert opnieuw een overgevoelig plattelandsjongetje tussen processies en kermissen ten tonele. Was Sluitertijd niet donkerder en desoriënterender dan zijn voorgangers — duidelijker dan voorheen is het Mortier ook om een zachte vernieling van de idylle te doen —, je zou van een variatie op een intussen al te bekend thema gewagen.

Erwin Mortier: «Bij Mijn tweede huid werkte het al ongelofelijk op mijn zenuwen, maar die drie boeken over een jongetje op het platteland moesten er nu eenmaal zijn voor ik verder kon. Toen dit boek af was, heb ik ook ongeveer letterlijk tegen mijn uitgever gezegd: ‹Nu ben ik het kotsbeu.› Maar voor de architectuur van de boeken die nog moeten komen, heb ik deze kleine tegels van de keukenvloer nodig — als ik oud genoeg mag worden, zullen al mijn boeken met elkaar praten.

De adolescentie is een heel statische periode, een gestaltenloos niemandsland: je bent de zandbak al ontgroeid, maar je moet nog veel groeien, en toch heb je het gevoel dat je het hele universum begrijpt. Ik denk dat je op je tiende op een of andere manier de wereld eigenlijk al wel door hebt, maar je beschikt nog niet over de resonantie van de ervaring. De zogezegd onbevangen blik van een adolescent is bijna de goddelijke blik van iemand die op de schepping neerkijkt. Mijn personages zijn bijna even eenzaam als God is, als hij bestaat.

Deze roman sluit af wat in de twee vorige boeken begonnen werd, vandaar ook de titel Sluitertijd. Marcel is het verhaal van iemand die gebukt gaat onder het gevoel dat hij met het leven van iemand anders belast wordt, Mijn tweede huid gaat over verlies, dit boek gaat over iemand die een grotendeels ingebeeld tekort aan verleden ervaart en dat probeert in te vullen met allerlei illusies. De band tussen de drie boeken is de relativiteit en de banaliteit van de verhalen waar we ons in proberen weg te steken.»

Marcel en Een tweede huid vielen op door Mortiers exuberante taaltoets — metaforenrijkdom voor de ene criticus, gekunstelde krullendraaierij voor de andere. In Sluitertijd corrigeert de meester de opstellen van Joris: «Hij vond ze veel te zweverig of juist te log. Te bombastisch.»

Erwin Mortier: «Sommigen vonden Marcel veel te literair, terwijl ik van een opera nooit hoor dat hij veel te muzikaal is of van een kookboek dat het veel te culinair is of van schilderij dat het veel te picturaal is. Blijkbaar is de literatuur de enige kunstdiscipline die niet zichzelf mag zijn.»

Joris verklaart zijn bombast ook: «Ik was bang om met mijn bek vol tanden te staan. De dingen konden me aan het trillen brengen van een extase die mijn knieën deed knikken.»

«Ik wil niet ongewapend tegenover de dingen komen te staan. De dingen beschrijven heeft iets van alchemie. Stijl is gefluit in het donker, een recitatieve oefening om de chaos van de werkelijkheid te bedwingen, om voor jezelf de illusie te scheppen dat er ordening is aan te brengen. In die zin verschilt een schrijver niks van Bush die in toespraken voordurend ‹God›, ‹liberty› en ‹this proud nation› ratelt. Dat betekent allemaal niks, behalve dat de Amerikanen gewoon bang zijn.

Woorden kunnen me gek maken, ik ben er verslaafd aan. Het klinkt triestig of getourmenteerd, maar in wereldse zaken moet ik vaak mijn hulpeloosheid bekennen en mij door mijn omgeving terug aan de aarde laten binden. Ik duizel als ik eraan denk wat er allemaal kan wemelen in één zonnestraal die door een kier in het keukengordijn binnenvalt. Ik hoop ooit — als ik oud genoeg ben en me de luxe kan permitteren om me te bevrijden van alle vormen — een kloeke roman te schrijven over het gewemel van stof.»

Het is bijna mystiek.

«Er zit wel iets van een oude non in mij, een combinatie van ascetisme en vaginale secreties is mij niet vreemd. De enige gezonde manier om mystiek te zijn is de extase van het vlees en die van de geest elkaar te laten ontmoeten — anders kom je in filosofische of gynaecologische problemen. Er is toch geen heter tante dan Hadewych?

Als God ergens kan gedijen, is het in een roman, waar zijn paradoxen het scherpst tot uiting kunnen komen. Ik maak mij zwaar zorgen als de literatuur niet meer stiekem mag verlangen het middeleeuwse ideaal te verwezenlijken van het aanschijn Gods te mogen aanschouwen. God behoede ons voor een volkomen rationeel gekleurde literatuur. Ik ben te veel gekneed door de geestes- en de neurowetenschappen om een volledig rationalistische benadering van een boek zomaar te volgen. Ik denk dat een schrijver ongeveer in het midden staat tussen een bewust verhaal dat hij wil schrijven en een onbewust verhaal dat zich moet schrijven.»

«Vrouwen. In hun woorden zinderde altijd zoveel meer dan bij mannen», luidt het in ‹Sluitertijd›.

Erwin Mortier: «Dat onderschrijf ik meteen, al komt dat misschien omdat ik stilaan een ouwe nicht aan het worden ben (lacht). Het archetypische Vlaanderen was een heel matriarchale cultuur — in dat opzicht zijn we de meest noordelijke van de Latijnse culturen — en daardoor staat vrouwen veel meer een waaier aan uitdrukkingsmiddelen ter hand dan mannen.

Het heeft ook met mijn literaire voorkeuren te maken. De vrouwelijke lijn staat me erg aan: de zusjes Brontë, Virginia Woolf, George Eliot — zij schreven geestige romans met een grote stilistische bekommernis en aandacht voor de historiciteit van woorden. In zijn ontwikkeling is de roman een heel vrouwelijk genre geweest, ook in Frankrijk hebben vrouwen het vuur brandende gehouden. Mannen werden niet geacht romans te lezen, laat staan ze te schrijven.

Ik schrijf bijna automatisch in beelden. Schrijven gaat bij mij altijd in enorme gulpen, de angst voor het witte blad ken ik niet. Ik begrijp mensen niet die tijdens het schrijven in een grote existentiële kloof gapen. Als het goed gaat, zet ik gewoon de sluizen open, achteraf kijk ik wel waar de paarden moeten ingetoomd worden.»

Om niet in steriele schoonschrijverij te belanden?

«Dat ook, al laat ik soms heel bewust mijn personages zwelgen, bijvoorbeeld omdat ze heel dorstig zijn naar het verleden. Dan moeten ze ook beelden gebruiken die bijna pijn doen aan de ogen. Het is balanceren op het slappe koord: nu eens moet je schrappen, dan weer moet je te ver durven gaan.

Ik denk altijd op lange termijn, ik kijk naar mijn werk in het perspectief van de boeken die op stapel staan. Zodra er wat meer oeuvre rond mijn drie gepubliceerde boeken zit, zal blijken dat die schoonschrijverij een functie heeft. Dat spel met de Vlaamse archetypen heeft een bedoeling: ik stop mijn personages niet zomaar in een kneuterig milieu als in een piepklein terrarium. Het moét klein en kneuterig zijn en soms op de zenuwen werken in zijn kleinzerigheid, omdat ik het later nodig heb.»

Je boeken zijn dus geen vertellingen van een oude oom bij een knisperend haardvuur.

«Nostalgie heeft een enorm pejoratieve bijklank, wegens koekendozen en lelijke aquarellen, maar het is een heel moderne gemoedstoestand, die alleen maar kan ontstaan op het moment dat de wereld ontdaan is van transcendente en andere handremmen. Pas als je je ontheemd voelt, komt de mentale positie die ik nostalgie noem. Het is verlangen naar iets wat er nooit is geweest, zoals bij Benjamin of Nabokov — tja, mijn leermeesters zijn dood.»

Je boeken zijn toch een poging te bewaren wat er wel degelijk is geweest, zoals je dicht: «hier kijkt ze op en draait zich zoals toen/ nog één keer om nu ik haar wek».

«Het is een verzet tegen de tijd, die uiteindelijk wellicht de enige waarheid is: de tijd maakt ons ieder moment tot museale wezens, ik heb steeds meer last van het gevoel dat ik onmiddellijk door het leven word bijgezet. Hoe ouder ik word, hoe wranger ik word en hoe meer ik een ‹nee› tegen de dood wil schreeuwen.

Er staat niet toevallig ‹nog één keer›: ik ben het orkest op de Titanic, ik roep het verleden nog één keer op voor ik zelf ook ten onder ga. Er resoneert altijd wel een besef mee van de futiliteit van wat ik doe: ik weet dat ik goochel met illusies. Als herinnerend wezen zijn we in de weer met knekels en botten. Wat schiet er van een mens méér over dan een stuk handschoen, een haar in een medaillon, een foto in een album? Hoe schamel is het? Het gaat me uiteindelijk misschien vooral om het bewaren van het verlangen, dat immers heel vluchtig is.»

Met Marcel maakte Erwin Mortier in februari 1999 een gedroomd debuut: het boek werd bedolven onder de loftuitingen, de nominaties en de prijzen, werd onder meer in het Duits, Frans en Engels vertaald, en verwierf in ijltempo de status van klassieker.

Erwin Mortier: «Eigenlijk kan ik leven van wat Marcel in ons taalgebied opbrengt. Dat boek blijft geruisloos verkopen. Daar ben ik heel blij mee, want ik ben te trots om met een dossier onder mijn arm naar het Fonds der Letteren te trekken en er mijn poëtica door drie man en een paardenkop in de weegschaal te laten leggen. Dat gaat echt niet. Mocht het ooit weer minder gaan, ga ik gewoon weer werken. Als het me allemaal tien jaar eerder overkomen was, zou het me geblokkeerd of geremd hebben. Ik ben altijd heel bezorgd geweest om over het paard getild te worden. Nu was het gewoon even wennen.

Als ik lees of hoor over mezelf of mijn werk heb ik nog altijd het gevoel dat het gaat over een uit krantenpapier gekneed wezen, een soort golem die door de lage landen walst terwijl ik gewoon de vaat sta te doen. Die afstand vind ik heel gezond; kritieken laten me vrij onverschillig. Wat heb ik er ook aan op het moment dat ik zit te schrijven dat een metaforenrijke recensent schrijft dat een boek van Mortier hem rillingen van oude behaaglijkheid over de rug jaagt?»

Zelf verkies ik verontrustende rillingen.

«Liever wel. In Sluitertijd schuilt ook veel donkerte tussen al die schitterende zinnen, het is heel wat minder knus dan het op het eerste gezicht lijkt. Maar behaaglijkheid mag, het wordt pas enggeestig als er niks meer is, zoals alleen een sentimentalistische visie op ontroering ook problematisch is.»

Ben je vertrouwd met de commerciële tactieken waarmee schrijvers tegenwoordig in de markt worden gezet? Is er bijvoorbeeld een reden waarom je van alle op stapel staande boeken juist met ‹Marcel› bent gedebuteerd?

«Mijn uitgever, die meer zicht heeft op wat er in de lade ligt en aan het sudderen en het rijpen is, legde me uit dat je iemand die volstrekt onbekend is niet kunt laten beginnen met een klomp van vijf- à zeshonderd bladzijden. Toen zei ik dat ik iets had liggen dat bijna af was en er vrij debuutachtig uitzag (lacht). Zo zijn we met Marcel begonnen. Daarna moesten dan eerst nog een paar verhalen volgen die daarbij aanleunen.

Ik heb een duidelijk beeld van waar ik heen wil met mijn boeken, Het laatste boek van België noem ik het geheel wel eens. België — de keukentegel van Europa — is een creatie van de negentiende eeuw, de eeuw waarin God gestorven is, en toch wil ons koningshuis tot de dag van vandaag katholieker zijn dan de paus. België is ook een protserig mausoleum; kijk maar naar de architectuur die, doordrenkt van Kongolees bloed, in opdracht van Leopold II is neergepoot.

Ik wil op een of andere manier iets doen met die mythe. Als concept lag België al lang te rijpen voor het land er was — de economie, de kunsten, de politiek en de geografie zijn allemaal gebruikt voor dat ene grote kunstwerk dat België is. Misschien kan ik een reeks romans schrijven vanuit het perspectief dat België al verdwenen is en terug een soort idee is geworden. Het lijkt me intrigerend het verhaal van België door God zelf te laten vertellen: dat hij België geschapen heeft om zijn schepselen te onderzoeken en voor zichzelf een aantal dingen duidelijk te maken.»

Hier gloort godbetert een mulischiaanse opzet.

«Dat zou wel heel erg zijn. Ik denk toch dat mijn universum iets tochtiger zal zijn dan het dichtgetimmerde universum van Mulisch (lacht). Ik heb zopas zitten lezen in een interviewboek dat bij mijn uitgever is uitgekomen. ‹Wat weet Harry toch veel›, moest ik aldoor denken. Ik ben, vrees ik, voorgoed van Mulisch afgeraakt toen ik na één hoofdstuk gestopt ben in De ontdekking van de hemel.»

In de kritiek werd je na ‹Marcel› nogal eens vergeleken met Hugo Claus.

«Oppervlakkig gaat Marcel over collaboratie, een schaamtelijk Vlaams verleden, en er komen een paar pastoors en tante nonnekes in voor. Maar ik vind het mensbeeld van Claus veel rauwer dan wat tot nog toe in mijn boeken tot uiting is gekomen. Het schijnt ook dat Claus bij de aanblik van een kathedraal ‹opblazen› sist. Dat heb ik helemaal niet, het moeten niet alleen World Trade Centers zijn die naar de hemel wijzen.»

Zou je een vergelijking met Gerard Reve logischer gevonden hebben?

Mortier: «Misschien wel, omdat ik zijn stilistische preoccupatie deel. Toen op mijn elfde mijn hormonen begonnen wakker te schieten, haalde ik één van zijn brievenboeken uit de bibliotheek. Ik dacht van de ene aangebrande passage naar de andere te kunnen bladeren, maar dat viel zwaar tegen. Het is toch vooral in de taal dat er veel gebeurt. Verder heb ik van Reve geleerd haaks op de tijdgeest te durven staan, en niet bang te zijn flink aan de slag te gaan met allerlei grootheden en clichés, zoals het sacrale en het goddelijke. Zijn boeken hebben me ook geleerd dat literatuur kermis mag zijn, dat je alles gewoon vrolijk door elkaar kan gooien. Het moet niet altijd hooggestemd zijn.»

Uit jouw boeken blijkt voorlopig niet dat je die les hebt begrepen.

«Dat komt nog wel. Een belangrijk verschil is dat Reve zichzelf geen enkele banale zin toestaat. Daar hou ik bewust afstand van. Ik moet wel elke dag schrijven, maar de lezer mag dat Heilige Moeten niet zien. Ik wil in de kunst van het leven zelf ook nog enige handigheid overhouden, ik wil niet verliteraturen. Misschien als ik wat ouder ben en de heupen niet meer mee willen.»

Heeft Reve je boeken gelezen?

«Ik denk het niet. Hij heeft me vaak gezegd hoe ik moet schrijven, maar wat hij daarover te vertellen heeft, valt ook te lezen in Zelf schrijver worden.

Ik vrees dat hij er sinds een jaar of vijf in grote mate steeds vaker niet meer is. De eerste keer had ik pas na een uur door dat er iets niet klopte en dat hij eigenlijk alleen nog Joop (Schafthuizen — bve) herkent. Maar Reve is vrolijk dement, het is nog altijd dolle pret. Tijdens het eten vertrouwt hij je oneliners toe als: ‹Ik ben wel miljonair, maar het kost veel geld.› In zijn neurologie zit blijkbaar iets dat dat soort grappen blijft produceren. Maar toen Joop erop aandrong dat hij het laatste deel van zijn Verzameld Werk zou signeren, moest hij hem een opdracht voorschrijven. Het was pijnlijk en triest iemand die het aangezicht van onze literatuur zo bepaald heeft als een schoolkind een tekstje te zien overschrijven. Ten tijde van de hele heisa over de Prijs der Nederlandse Letteren was Reve al wég.»

Toen de Vlaamse minister van Cultuur Bert Anciaux besliste dat de Prijs niet zoals gebruikelijk tijdens een plechtigheid ten paleize uitgereikt zou worden omdat er aanklacht wegens pedofilie liep tegen Joop Schafthuizen, heb jij een petitie op touw gezet waarin het ontslag van de minister werd geëist.

«Allerlei mensen hebben toen geroepen dat Reve zich moest uitspreken in die affaire, maar hij kon niet meer. Dat heeft Bert Anciaux overigens nooit aan Joop gevraagd, want ze hebben nooit contact gehad. Anciaux heeft zich gewoon op sleeptouw laten nemen door zijn eigen angsten, vooroordelen en electorale bekommernissen. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan moreel terrorisme. Op zo’n moment moet een minister zich groots gedragen, maar Anciaux heeft zich laten kennen als een dwerg.

Het was echt al zo geregeld dat Joop niet mee naar het paleis gegaan zou zijn voor de uitreiking. Reves uitgever, Robert Ammerlaan, wist dat ook. Reve was nog wel in staat geweest naar het paleis te gaan, hij zou als een kind genoten hebben van die uitstap. Hij zou het allemaal ook beseft hebben, figuren als de koning vond hij heel belangrijk. Ik denk niet dat hij een rede had kunnen houden, maar daar zou de uitgever dan voor gezorgd hebben.

Het zou allemaal heel waardig geweest zijn, ook voor de koning. Overal waar koningin Paola gaat, worden de revalidatiecentra leeggeplukt omdat ze toch maar een bataljon gehandicapten zou kunnen aaien. Maar een demente schrijver mag het paleis niet binnen — schandelijk!

Ik vind de hele cultuuropvatting van Anciaux niet deugen. Cultuur is niet ‹met ons allen gezellig rond het kampvuur helende verhalen vertellen›. Kunst wordt tegenwoordig vaak misbruikt: kunst moet ineens maatschappelijk nuttig zijn. Na 11 september stonden de in mijn ogen mindere goden ook weer snel als een soort Florence Nightingale klaar met verbandtrommeltjes om helende verhalen te maken. Maar een kunstenaar die zichzelf ernstig neemt, moet volgens mij ook de moed opbrengen met de rug naar de wereld te durven leven.»

Een andere versie van dit interview verscheen in Humo