I Love Banda, Isabelle Boon © Isabelle Boon / Scheepvaartmuseum

Voor haar documentaire project I Love Banda reisde de fotografe Isabelle Boon tussen 2016 en 2019 vijf keer naar de Banda-eilanden, een klein archipelletje in Indonesië, ooit de enige plek ter wereld waar de muskaatnoot groeide. Zij maakte er kennis met de formidabele vulkanische natuur en de innemende jongeren, en zij zag natuurlijk ook dat de eilanden nog vol staan met koloniaal erfgoed. De Banda-eilanden werden immers exact vierhonderd jaar geleden veroverd door troepen van de voc onder leiding van Jan Pietersz Coen. Die campagne behoort tot de meer extreme schanddaden van de Compagnie: een groot deel van de bevolking werd gedood, het resterende deel tot slaaf gemaakt en naar Java vervoerd. Het was een daad die volledig past in de ‘moderne’ tijd, dat wil zeggen: de onze. Coen handelde in opdracht van de directie van een vennootschap die door haar aandeelhouders onder druk was gezet om het rendement per aandeel te verhogen. In de ogen van Coen hadden de Bandanezen contractbreuk gepleegd, en hij nam harde maatregelen om de winning van een schaarse grondstof veilig te stellen voordat de Engelsen, de Fransen, de Chinezen of de Denen er de hand op legden. Het verdrijven van een complete bevolkingsgroep behoort ook nu nog tot de rendementsverhogende maatregelen van internationale bedrijven – de inheemse bevolking van Brazilië kan ervan meepraten. De exploitatie van de nootmuskaat werd daarna uitgevoerd door geïmporteerd werkvolk, horige ‘perkeniers’, en van Banda was sindsdien geen rebellie meer te vrezen, schreef Douwes Dekker (in 1860): ‘Neen, de Bandaneezen kunnen niet opstaan, want er zyn geen Bandaneezen. (…) Banda heeft volstrekt geen beteekenis. (…) Banda is een schip met bemanning, geen land met ingezetenen.’

De reportage van Boon richt de blik op de Bandanese jongeren waar zij tijdens haar verblijf kennis mee maakte. Die lijken vooral leergierig en toekomstgericht te zijn, ze studeren, voelen zich burgers van de wereld. Boon zegt zich echter te hebben afgevraagd in hoeverre hun identiteit mede gevormd is door de koloniale geschiedenis. Dat is een interessante gedachte, maar de tentoonstelling geeft er geen antwoord op. Het lijkt mij ook een lastige opgave. Ja, die forten staan er, de structuur van de muskaatnoottuinen (‘perken’) die de voc introduceerde is nog te herkennen, en de bewoners kennen de verhalen over de slachting die Coen aanrichtte (elementen daarvan zijn in de volksdansen nog te herkennen) – maar afgaand op de zes jongeren die Boon opvoert is dat koloniale tijdperk al ver achter de horizon verdwenen. Er is er maar één die zich erin verdiept heeft. Er is in Indonesië sindsdien nog wel meer gebeurd, natuurlijk.

I Love Banda heeft vooral het karakter van een goede National Geographic-reportage, fotografie van hoge kwaliteit, sfeervol en kleurrijk, maar net iets meer ‘toerisme’ dan ‘antropologie’ of ‘historisch onderzoek’. Nu kijkt Boon beslist verder dan de backpacker, verkikkerd op een aards paradijsje – ze maakte eerder een reportage over de herbestemming van koloniale architectuur in Jakarta en Semarang – maar als de feiten van de geschiedenis van de voc en Banda u nog onbekend zouden zijn, dan is dit niet een tentoonstelling die daar veel verandering in zal brengen.

I Love Banda, Scheepvaartmuseum, Amsterdam, na heropening t/m november. scheepvaartmuseum.nl