Sport

Erben

Het schaatsseizoen is weer begonnen, en dat is elk seizoen weer een feest. Het breekt de winter een beetje, af en toe. De weekeinden krijgen er iets fijns bij: weer kijken naar eindeloze hoeveelheden rondjes van eindeloze hoeveelheden schaatsers, die aan het eind van het seizoen grofweg even goed zijn als aan het begin. Soms iets beter. Dan wordt het lente en houdt het seizoen weer op. In de zomer trainen de schaatsers en in de winter gaan ze weer wedstrijden rijden. Dan hopen ze dat ze iets beter zullen zijn dan ze het voorgaande seizoen afsloten, maar vaak is dat niet zo. Dan zijn ze nog precies even goed, of zelfs iets minder.
Het lijkt het echte leven wel.
Het treurigste is als een schaatser heel graag wil maar niet – meer – kan. Als hij wil blijven wat hij was maar daar niet in slaagt. Als hij de wereldtopper wil zijn die hij vorig seizoen was, maar aan het begin van het nieuwe seizoen al merkt dat ‘het’ er niet meer is.
Dat is echt het treurigste. Je ziet het dit jaar aan Erben Wennemars. Je kon het vorig jaar al zien aankomen, maar toen kon je nog denken dat het tijdelijk was: het was niet echt achteruitgang, maar meer stabilisatie terwijl de rest wél beter werd. Wennemars heeft de hoogste podia van alle schaatswedstrijden van heel dichtbij gezien, jarenlang, en hij houdt enorm van zijn sport. Hij vindt schaatsen ontzettend leuk, zegt hij altijd.
En dan lacht hij daarbij, heel aanstekelijk en heel vertederend en vaak is hij best grappig en relativerend. Hij won veel in de afgelopen jaren en verloor ook wel eens. Maar daar kon hij prima tegen. Dan zei hij in de Studio Sport-microfoon dingen als: alles wat me niet kapotmaakt, maakt me sterker. Of dat hij ervan geleerd had en nu nog harder ging trainen. Of dat zijn ogen geopend waren voor wat er tussen zijn oren zat en wat hem de neus uit kwam en wat er allemaal zwaar op zijn maag lag en dat hij zijn hoofd nu eerst leeg ging maken en zich niet op het verkeerde been zou laten zetten door de druk op zijn schouders en de handen uit de mouwen ging steken en voetje voor voetje weer de weg omhoog zou inslaan.
Hoe dan ook, elke keer weer was hij vol goede moed, en die moed hielp hem om ook de moeilijke momenten te doorstaan.
Nu is het nieuwe seizoen begonnen, en het gaat niet goed met Erben Wennemars (lijkt het). Die moed is er nog wel, maar hij kijkt er anders bij wanneer hij erover vertelt. Zijn bravoure heeft hij nog, maar zijn schouders hangen een klein beetje. Hij heeft nog zelfvertrouwen, maar hij straalt het niet meer uit.
Wennemars zegt iets te hard in de microfoon dat er niets aan de hand is en dat hij zich geen zorgen maakt.
Iets te hard roept hij: ‘Ik ben er toch mooi weer bij!’ nadat hij zich op de 1500 meter heeft geplaatst voor de World Cup-wedstrijden van de komende weken.
We hopen dat we het verkeerd zien, maar er schuurde iets. Het schuurde omdat Wennemars voorafgaand aan zijn 1500 meter ook had meegedaan aan de 500 en de 1000 meter, van oudsher zijn beste afstanden, maar zich daar bij lange na niet bij de beste vijf wist te rijden en dus bij lange na niet mocht meedoen aan de World Cup.
Het was het Nederlands kampioenschap en nog geen Olympische Spelen, kun je zeggen, dus waar hebben we het over? We hebben het over knarsende tanden en gebalde vuisten. Over knetterende hersenen en stomende oren. Over verbetenheid en niet opgeven. We hebben het over Erben Wennemars, die misschien wel zijn oude niveau haalt, zijn eigen oude niveau, maar moet toezien hoe de anderen zichzelf overtreffen, en hij niet.
Bij het zwemmen op televisie zie je soms een virtuele rode lijn in beeld gebracht die aangeeft waar de zwemmer zou moeten zijn om het wereldrecord te verbeteren. De lijn beweegt mee naar de finish, en de zwemmer probeert hem in te halen. Wennemars is zo’n zwemmer en het lukt hem niet om de lijn te pakken te krijgen. Hoe hard hij ook probeert.
Het is veel minder erg en tragisch wanneer een sporter onomwonden en regelrecht aftakelt en vervolgens zijn conclusies trekt. Want Wennemars is nog steeds erg goed, en hij moet helemaal geen conclusies trekken. Hij is alleen nét niet zo goed als de anderen. Maar wellicht is er niets aan de hand en moeten we niet te snel het ergste vrezen. Laten we met z’n allen voor hem bidden. God lijkt me ook iemand die achter zo’n rode lijn aan zwemt, dus die moet begrip voor Erben hebben.