Erbij geweest en gezwegen

Oostindisch doof: Het Nederlandse debat over de dekolonisatie van Indonesie. Samengesteld en ingeleid door Remco Meijer, Uitgeverij Bert Bakker, 218 blz., f29,90
OOSTINDISCH DOOF is een bundel interviews, verzameld en ingeleid door Remco Meijer. Meijer bracht een bont gezelschap bijeen. Helaas is dat ‘bijeenbrengen’ niet letterlijk te nemen, want als er al een probleem is met het dekolonisatiedebat in Nederland, dan is dat dat iedereen praat en niemand luistert en bovendien dat velen ongeautoriseerd namens anderen spreken.

Indonesie is het thema en de deelnemers zijn schrijver, wetenschapper of journalist. ‘Terwijl de feitelijke gebeurtenissen zich twee generaties terug voltrokken, lezen we in de kranten nog dagelijks berichten en beschouwingen die ons zowel rechtstreeks de geschiedenis in voeren als leiden tot nietsverhullende blikken op het zieleleven van de Nederlander’, schrijft Meijer in zijn inleiding. Het boek is een welhaast komische illustratie bij die stelling. Vrijwel alle interviews vliegen op een zeker moment uit de bocht.
Hella Haasse, als ze wordt geconfronteerd met kritiek op Heren van de thee: 'Dat kan alleen worden bedacht door mensen die welbewust alles wat Nederland in Indie heeft gedaan, negatief uitleggen. Het boek is geen rechtvaardiging. Naast uitbuiting en misverstand was er wel degelijk verstandhouding. Dat is niet een interpretatie van mij. Ik laat de situatie zien zoals die was in een bepaalde sector van de Indische maatschappij, gebaseerd op authentieke brieven en andere documenten. Bovendien ken ik die wereld nog uit eigen beleving.’ Een wonderlijke alinea, want wie zich heeft verdiept in het specifiek Hollands kolonialisme, moet zijn best doen om iets positiefs te vinden. De dingen die 'negatief’ kunnen worden uitgelegd, liggen namelijk nogal voor het oprapen.
Haasse zegt vervolgens dat ze niet alleen staat in haar mening en beroept zich op 'authentieke brieven’. Maar als de beleving van de werkelijkheid van de Hollandse planter ons zicht op de werkelijkheid zou moeten verbeelden, dan hebben we geen historici of historisch debat meer nodig. Dan volstaan Couperus, Daum en Haasse zelf natuurlijk.
En dan komt nog het ultieme argument: Ik ben er zelf bijgeweest. De mensen die erbij geweest zijn! Was dat niet de generatie politici, soldaten en wetenschappers die tot aan de erupties van Hueting en De Jong hun kaken stijf op elkaar hielden tot de oudstrijders zodanig gehergroepeerd waren dat ze het bezoek van een oude man aan zijn familie konden verhinderen? Vele malen wordt in de interviews geschimpt op de Nederlandse gewoonte om te oordelen voor men iets weet. Dat dat weten in de naoorlogse periode vrij actief verhinderd is, wordt met kracht, maar niet met argumenten ontkend.
Toch is dat proces niet zo moeilijk te begrijpen. Getraumatiseerde soldaten, teruggekeerde Nederlanders die de polders voor het eerst aanschouwden en politici die voor het oog van de hele wereld door het stof gedwongen werden - met minder kun je ook nog wel een 'komplot van zwijgen’ op touw zetten.
Echt gewerkt heeft het overigens nooit. Hueting vertelt in het boek dat Van Mierlo, Nuis en Wigbold in 1969 alledrie peinzend opmerkten dat 'deze dingen hen eigenlijk bekend voorkwamen’. De reeks 'incidenten’ die het debat over het Nederlands kolonialisme kenmerken, vallen dan ook goed te analyseren als een heldhaftige maar uiteindelijk zinloze poging om telkens weer te verdringen wat al lang onderdeel uitmaakt van het collectieve bewustzijn. Maar dat leidt tot rare krampen.
Ook weer in dit boek. Veel van de geinterviewden hebben de neiging te fulmineren tegen fantoomtegenstanders. Het is helemaal niet zo dat, er wordt vergeten zus. En de lezer vraagt zich voortdurend af wie dat dan beweert. Wesseling, historicus en onder andere schrijver van de bundel Indie verloren, rampspoed geboren, geeft er weer een andere draai aan. Nadat hij heeft geconstateerd dat het 'niet zo gek is om koloniale ambtenaren als ontwikkelingswerkers avant la lettre te beschouwen’ krijgen we een lesje: 'En vanuit objectief standpunt maakt het niet zo gek veel uit of bepaalde zaken onder een koloniaal regime of een onafhankelijk regime worden geintroduceerd. De introductie van lager onderwijs is in elke samenleving een daad van betekenis. De introductie van bepaalde vormen van vaccinatie ook. De ontwikkeling van mijnbouw, een spoorwegnet, aanleg van wegen idem.’
Afgezien van het feit dat het wel degelijk uitmaakt onder welk regime voorzieningen tot stand komen, is hier de hamvraag: introduceerden de Nederlanders dan onderwijs, vaccinatie, mijnbouw, spoorwegen en wegen in Indonesie? Onderwijs op zeer beperkte schaal voor zeer beperkte groepen, geselecteerd op racistische grondslag (toen de Nederlanders uit Indonesie vertrokken, stonden er in het hele land drie HBS'en, op honderd miljoen inwoners), vaccinatie bestond nog nauwelijks, mijnbouw, spoorwegen en wegen waren met behulp van dwangarbeid gerealiseerd ten behoeve van de kolonialen. De introductie van lager onderwijs is inderdaad in elke samenleving een daad van betekenis - een daad die het Nederlands bestuur geheel achterwege heeft gelaten.
Sommige mensen in het boek hangen wat minder het opgewonden standje uit. De schrijver A. Alberts, tot 1947 in koloniale dienst: 'Ik heb mij geen ontwikkelingswerker avant la lettre gevoeld. Als we dat al waren, wij ambtenaren, dan wisten we dat in ieder geval niet, want we deden alsof we daar voor de eeuwigheid zaten.’ Alberts wordt na zijn internering in een Japans kamp naar Den Haag gestuurd om een beetje bij te komen: 'Tot in 1947 het moment kwam waarop ik terug moest. Ik ben naar mijn chef in Den Haag gegaan en heb hem gezegd: Ik ben tot de conclusie gekomen dat de Indonesiers het zelf wel kunnen. Ik doe het niet meer. Razend was hij. Maar ik meende het echt.’ Alberts werd op staande voet ontslagen.
De bundel geeft overigens voor de goede verstaander wel degelijk aan dat er voortgang zit in het 'Indonesie-debat’. Feitelijk bestaat er consensus over de politionele acties, al varieert het oordeel van 'dom’ tot 'misdadig’. En vrijwel iedereen weet dat er jarenlang gezwegen is.
Van Doorn, die samen met Hendrix in 1970 het boek Ontsporing van geweld schreef, begon zijn onderzoek toen hij als soldaat in Indonesie was: 'Toen we (Hendrix en van Doorn - jvk) in 1950 thuiskwamen zijn we onmiddelijk aan de slag gegaan om dat materiaal voor publikatie te bewerken.’ Hendrix krijgt een baan, de schrijvers raken verwikkeld in terminologische kwesties, het komt er niet van. Van Doorn: 'Het was de eerste helft van de jaren vijftig. Ik begreep dat als je jezelf nou een displezier wilde doen, je met zo'n onderwerp als het onze moest komen.’ Van Doorn, die na de uiteindelijke publikatie van het boek een geheim telefoonnummer nam, wijst nog op een ander fenomeen: 'De herdrukken in de jaren tachtig zijn slechter ontvangen. Toen hadden de veteranen en hun organisaties langzaamaan het woord gekregen.’
RUDY KOUSBROEK noemt het beestje gewoon maar bij de naam: Nederlanders liegen over het koloniale verleden. 'Verzwegen bij stilzwijgende afspraak. De Nederlanders belazeren zichzelf over hun verleden en de historici wassen hun handen in onschuld.’
Henk Hofland wijst op een andere constante in het Indonesie- debat: het lijkt steeds weer opnieuw te beginnen. Er is wel gezwegen, maar tegelijkertijd zijn er meters literatuur, antiquariaten vol geschreven over Indonesie. En waarachtig niet alleen maar tempo-doeloe-literatuur. Soldatendagboeken, plantersherinneringen, ambtenarenbrieven, je kunt het zo gek niet verzinnen of het is er. Maar het speelt geen rol, want, zoals Hofland stelt: 'Er is een karrevracht aan literatuur, en ik vrees dat je Nederlanders een verplichting zal moeten opleggen om er kennis van te nemen, anders doen ze het niet.’
Kousbroek breekt zich daar ook het hoofd over: 'Ons historisch geheugen is kennelijk zo glad dat zelfs historici moeite hebben op de been te blijven. Onze Indische geschiedvorsers bleken het Rhemrev-rapport (Rhemrev schreef een rapport waarin hij de misstanden op de plantages op Sumatra bevestigde - jvk) opeens “al lang” te kennen, maar ze hadden het niet nodig geoordeeld er ruchtbaarheid aan te geven… Stel dat een Japanse historicus ter verantwoording wordt geroepen over die Koreaanse troostmeisjes en dat die dan zou antwoorden dat hij er wel van wist maar zich niet geroepen voelde er ruchtbaarheid aan te geven, en dan begint te oreren over het vooropstellen van de wetenschappelijke waarde van zijn werk. En je mag de gebeurtenissen van toen niet beoordelen met de maatstaven van nu. Van tevoren betrokken stellingen zijn hem een gruwel, die maken de discussie maar onzuiver, enzovoort.’
Jan Blokker noemde het voortdurende debat over de dekolonisatie van Indie in een recensie van Oostindisch doof ontmoedigend, vermoeiend, contraproduktief en uitzichtloos. Maar het Indonesie-debat, officieel uitgeroepen of niet, gaat juist de goede kant op. Nog een paar incidenten verder en dan kunnen waarschijnlijk eindelijk man en paard genoemd worden. Vermoeiend is het alleen voor degenen die iets te verbergen hebben. En contraproduktief? Het inspireert anders tot stapels boeken, waarvan deze ook nog zeer het lezen waard is.