Erbij zijn en toch niet

Het was een gedachte die hij soms niet weg kon drukken. Zij kwam steeds vaker voor. Laatst ook. Hij zat met zijn vrouw bij zijn ouders, keek naar ze en zei zacht tegen zichzelf: ‘Ik kom hier nooit meer uit. Ik ben net zo gebonden als papa en mama, ik kom hier echt nooit meer uit.’

Er waren ook dromen geweest waarvan hij zeker wist dat ze met die gedachte te maken hadden. Hij liep langs een raam en zag binnen Yvonne staan, het meisje op wie hij op de middelbare school verliefd was. Yvonne zei lachend iets tegen hem, hij kon het niet verstaan. Hij drukte zijn oor tegen het raam, en toen hoorde hij haar zeggen: ‘Ik ben toch zo gelukkig.’
Hij was rot wakker geworden en was tegelijkertijd ge‰rgerd over het feit dat zijn geest zo banaal, zo kitscherig werkte.
'Wat niets afdoet aan het feit dat ik vast zit, net als papa en mama.’
Hij zat nu weer bij ze - net als vorige week.
Zijn moeder sprak over een televisieprogramma - hij luisterde nauwelijks. ’…en al die seks dan zeg ik… nee, zeg ik dan, nee, dat hoeft voor mij niet…’
'Nee, voor mij ook niet’, zei z'n vrouw.
Hij keek naar zijn vader, die ook niet luisterde maar met wie hij eigenlijk ook nooit echt contact had gehad. Daarna naar zijn vrouw die geen zin meer had om iets aan haar uiterlijk te doen en bij wie de hormonen met kraaiepoten leken weg te lopen.
'Borreltje Joop’, vroeg z'n moeder opeens aan z'n vader.
'Wat?’
'Borreltje… je luistert niet… Je moet ’s wat aan die oren van je doen… Hij luistert nooit, je vader.’
'Borreltje… ja, hoor, dat hoor ik wel… borreltje… hi hi hi.’
Zijn vader deed een poging om de stemming die er niet was, die er nooit was geweest en die er ook nooit zou zijn, er toch in te houden. En weer dacht hij: 'Ik zit gevangen en ik heb het allemaal zelf gewild.’
Hij probeerde, alleen met zijn ogen, de aandacht van de hond te trekken die achter de stoel van zijn vrouw lag, maar hij reageerde niet.
'Wat ben jij stil’, zei z'n vrouw.
'Jullie praten’, zei hij.
'Zeg jij nou ook eens wat.’
'Ik heb niets te zeggen.’
Zijn vader leek weer in zichzelf verzonken. Dat kon hij goed, dat had hij ook jarenlang gedaan: erbij zijn, maar er tegelijkertijd ook niet bij zijn. 'Dat moet ik ook gaan doen, dat moet ik ook oefenen’, dacht hij.
Hij keek naar zijn vrouw die haar benen verschoof. Hij wilde onmiddellijk met haar naar bed - desnoods hier op de grond. Dan moesten zijn ouders maar even op de gang gaan staan.
'Vind je het niet gezellig?’ vroeg zijn vrouw, terwijl zijn moeder met een dienblad vol borreltjes en een schaaltje nootjes binnenkwam.
'Jawel’, zei hij.
'Waar hebben jullie het over?’ vroeg zijn moeder’, 'toch niet weer over voetbal?’
'Heerlijk mam’, zei hij. 'Proost!’ - en nam een slok.
De hond richtte zich op nu er iets gegeten kon worden. Weer probeerde hij de aandacht van de hond te trekken, maar die verkoos zijn kop te laten hangen op de schoot van zijn vader.
Zijn moeder ging zitten en meteen ging haar mond heen en weer en kwam er geluid uit, een langgerekte toon die het meest weghad van een aanlopend wiel. Opeens ontmoetten de ogen van zijn vader de zijne. Hij kon die blik nauwelijks verdragen.
'Hoe zou er gespeeld zijn?’ vroeg zijn vader zachtjes om moeder niet te storen.
Hij haalde zijn schouders op.
'Zouden ze gewonnen hebben?’ vroeg zijn vader.
Hij schudde zijn hoofd.
'Ze kunnen niet meer winnen… Niemand kan tegenwoordig nog winnen’, zei hij even zacht.