Van Jeruzalem naar Bouillion #22: Kapikule

Erdoğan roept in Bulgarije oude angsten op

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 22: de etnische zuivering van honderdduizenden Bulgaarse Turken.

De grensovergang met Kapikule in 2014. In 1989 werden hier honderdduizenden moslims vanuit Bulgarije naar Turkije verjaagd. © CARSTEN HOFFMANN

Mondain, blond en met een zonnebril in het haar wacht ze op de bus in Haskovo, Bulgarije. Ze spreekt vloeiend Engels. Ik schat haar tegen de vijftig en naast haar staat een reistas. Ze kijkt me uitnodigend aan, iets wat ik in deze regio niet gewend ben. En ze wil weten waar de lange man met zijn rugzak vandaan komt en waar hij nu heen gaat. Afijn. Zij woont al dertig jaar in Turkije, in hartje Istanboel. Nu is ze op weg naar haar ouders in haar geboortedorp, ten zuiden van Haskovo.

We keuvelen. Over mijn Omgekeerde Kruistocht. Over de kosmopolitische sfeer in Istanboel en de uitgesproken landerige, hier in Bulgarije. Over het gewicht van mijn bagage, de val van de Turkse lira en waarom er vrijwel geen Westerse artiesten in de Turkse top-40 staan.

Dan vraag ik, in alle onnozelheid: ‘Waarom vertrok je eigenlijk naar Istanboel?’ De vrouw kijkt me onderzoekend aan. Dan laat ze haar stem zakken. Bijna fluisterend: ‘Dat was in ’89. We hadden toch geen keuze? Mijn ouders keerden later terug naar Bulgarije, ik bleef achter in Turkije.’ Dan werpt ze een blik op haar horloge. Zometeen arriveert haar bus.

‘Wat gebeurde er dan in ’89?’ vraag ik. Een antwoord komt niet meer. Haar bus arriveert, uit haar mantel diept ze een mondkapje op. ‘Wat jammer dat we niet langer met elkaar kunnen praten.’ Een slanke hand wuift. ‘Ciao.’ Dan verdwijnt ze in de bus. op weg naar haar geboortedorp. Ik ga in het stadje op zoek naar een adres om te overnachten. En ik vergeet waarover we spraken.

Een week later. In de Bulgaarse hoofdstad Sofia bezoek ik de Alexander Nevski-kathedraal. Het is mijn eerste keer in Sofia en dus ook mijn eerste keer in de immense Byzantijnse kerk met haar stapeling van koepels, overweldigende mozaïek en een crypte vol oude iconen. Byzantijns: dat is de naam van het orthodoxe, Oost-Europese christendom tussen de vierde en de vijftiende eeuw. Aanlopend vanuit de verte lijkt de kathedraal een vroeg-Byzantijns gebouw, wellicht wel net zo oud als de Hagia Sofia in Istanboel of de San Vitale-basiliek in Ravenna, allebei uit de zesde eeuw. Maar schijn bedriegt. De Alexander Nevski-kathedraal is nog jong. Ze is neo-Byzantijns. De bouw begon in 1892 en de kerk werd ingewijd in 1924. Haar architecten grepen terug op de bouwstijl van duizend jaar geleden.

Bij de grote toegangsdeur hangt een tekst, zowel in het Duits als in het Engels. ‘De Alexander Nevski-kathedraal is een kerkmonument, opgebouwd door het hele Bulgaarse volk ter herinnering aan de duizenden Russische en Bulgaarse (…) soldaten die in 1877/78 gevallen zijn voor de bevrijding van Bulgarije uit de Turkse slavernij.’ Ik kan de tekst niet goed duiden. Wat deden die Russen in Bulgarije, wat gebeurde er in 1877/78 en wat was die Turkse slavernij? Het kost me een volle avond om door te dringen tot het verhaal achter de kerk en achter de verhouding tussen Bulgarije en Turkije. Vervolgens schieten me ook de mysterieuze zinnen van de vrouw op het busstation van Haskovo weer te binnen.

Ik begin die avond met een kaart van de Balkan. En met het voor mij nieuwe inzicht dat alles wat vandaag Bulgarije, Servië, Albanië, Montenegro of Bosnië-Herzegovina heet tot rond 1870 nog deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk. Vrijwel de hele Balkan, dat immense bonte samenraapsel van Albanezen en Grieken, Roemenen en Slovenen, Kroaten, Serviërs en Bulgaren werd dus vijfhonderd jaar lang geregeerd vanuit het Turkse Istanboel. Daarmee heerste de islam ook over de verschillende oosters-orthodoxe kerken, katholieke christenen en joodse gemeenschappen. Tot de achttiende eeuw, zo zie ik, was zelfs Hongarije nog onderworpen aan dat Ottomaanse Rijk. De grens tussen het christelijke Europa en de wereld van de islam liep dus op honderd kilometer van Wenen en Triëst. Ik had dat niet scherp en ik ben daar niet trots op. Want dit soort kennis kan mogelijk bijdragen aan de verklaring waarom Hongarije en zoveel andere Midden-Europese staten weinig moeten hebben van migranten uit moslimlanden.

In zijn monumentale boek Donau: Een ontdekkingsreis door de beschaving van Midden-Europa en de crisis van onze tijd (1989) oordeelt de doorgaans milde Claudio Magris hard over de Ottomaanse overheersing van de Balkan. Ook Magris bezoekt Sofia, ook hij loopt door de Alexander Nevski-kathedraal en bewondert in de crypte van de kerk de vroeg-Byzantijnse iconen. ‘Die vijfhonderd jaar Ottomaanse overheersing waren natuurlijk verschrikkelijk’, schrijft Magris. ‘Een tijd van bloedbaden en razzia’s, onthoofdingen en niets ontziende onderdrukking. Uit deze schitterende iconen uit de bloeitijd van het Bulgaarse Rijk spreekt een artistieke en religieuze intensiteit. Zij toont aan wat een hoogstaande, edele beschaving de Ottomanen vijfhonderd jaar lang onder de voet hebben gelopen en vernietigd.’

Ik ben niet in staat om Magris’ oordeel te wegen. Feit is dat de Bulgaren in 1876 in opstand komen. De Turken slaan hard terug en dertigduizend Bulgaren worden gedood. In 1877 krijgen de opstandelingen steun van Rusland. Na deze ‘Turks-Russische oorlog’ heeft Bulgarije zijn vrijheid terug; een vrijheid die ze dus bekroont met de machtige Alexander-Nevski-kathedraal. Door zo expliciet terug te grijpen op de architectuur uit het oude Byzantijnse christendom benadrukken de Bulgaren dat ze weer een christelijke natie zijn. Na de Eerste Wereldoorlog is het ook afgelopen met het Ottomaanse Rijk. Uit het islamitische oosten heeft Bulgarije weinig meer te vrezen. Wel uit het Russische noorden. In 1946 wordt Bulgarije een communistische satellietstaat aangestuurd door Moskou.

In 1878 grijpt Bulgarije dan wel terug op het oude Byzantijnse christendom, maar niet iedere Bulgaar is christelijk. Na vijfhonderd jaar Ottomaanse overheersing is rond de tien procent van alle Bulgaren moslim of van Turkse afkomst. In 1980 zijn dat zo’n negenhonderdduizend mensen. En die minderheid krijgt het niet makkelijk. Periodes van relatieve vrijheid, met eigen kranten, scholen en de herbouw van moskeeën, wisselen af met het sluiten van kranten, scholen en moskeeën en een gedwongen assimilatie in de christelijke Bulgaarse natie.

De meest omvangrijke poging tot assimilatie vindt plaats aan het einde van de Koude Oorlog. In 1984 dwingt het communistische regime alle Turkse Bulgaren om een christelijke naam te nemen. Het dragen van Turkse kleding wordt verboden, niemand mag meer Turks spreken en alle moskeeën moeten dicht. De reden voor deze grootscheepse campagne is tot op de dag van vandaag niet duidelijk. Waarschijnlijk vreest de overheid dat de moslimminderheid meer kinderen krijgt dan de christelijke meerderheid. Geweld golft over het land.

Tanks omsingelen dorpen, soldaten dwingen bewoners hun naam te veranderen, waarna ze meteen een nieuw identiteitsbewijs ontvangen. Wie zich verzet, wordt opgepakt en gemarteld. Tientallen moslims vinden de dood. Bulgarije balanceert op de rand van een burgeroorlog. En dan, op 29 mei 1989, houdt de communistische leider Todor Zjivkov een toespraak en zegt dat ‘wie niet in Bulgarije wenst te leven, mag vertrekken naar Turkije’. Vervolgens wordt meer dan een derde van de Turkse Bulgaren ‘etnisch gezuiverd’.

Wat volgt is een combinatie van emigratie, vlucht en massadeportatie. Maar liefst 370.000 Bulgaarse moslims worden de grens over gejaagd. Maanden voordat het IJzeren Gordijn in Europa openschuift, valt het al tussen Bulgarije en Turkije. De eerste golf moslims krijgt 24 uur de tijd om zijn spullen te pakken, waarna soldaten hen in vrachtwagens laden en zonder pardon over de grens rijden. Deels bevangen door doodsangst en deels gedwongen volgen er nog eens honderdduizenden. Boerenkarren, hoog opgetast met huisraad, rollen krakend naar de grens. Moeders dragen hun kinderen, oude mannen zitten huilend op tassen met kleding. De grensovergang met Kapikule, waar ik afgelopen zomer nog wachtte op een coronatest, ligt vol met bezittingen. En ergens in die eindeloze stroom vluchtelingen bevindt zich een meisje met blond haar. Een jonge vrouw die mij dertig jaar later op een terras in Haskovo toefluistert: ‘We hadden toch geen keuze.’

Waarom wist ik dit allemaal niet? Waarom dacht ik dat het IJzeren Gordijn voor het eerst openging in Hongarije, in september 1989, toen dat land vluchtelingen uit de DDR doorliet naar Oostenrijk? Waarom ging ik er altijd voetstoots vanuit dat Europa pas in 1991, in voormalig Joegoslavië, weer geconfronteerd werd met etnische zuiveringen? Een antwoord komt van Tomasz Kamusella, onderzoeker aan de Universiteit van Glasgow. Kamusella ontdekte dat in 1989, afgezien van enkele Turkse kranten, niet één buitenlandse krant over deze verdrijvingen schreef. 370.000 mensen werden, soms at gunpoint, van huis en haard verdreven en in de rest van de wereld bleef het doodstil. Tot Kamusella er enkele jaren geleden zelf over begon te schrijven, bestond er niet één wetenschappelijk artikel, laat staan een boek, over deze gedwongen volksverhuizing in deze uithoek van Europa. Ook de grote studies en naslagwerken over ‘etnische zuiveringen’ vermelden deze verdrijving niet.

Ook dertig jaar later zijn de gebeurtenissen uit die dagen nog niet doorgedrongen tot wat inmiddels ons collectieve geheugen mag heten: tot de jaaroverzichten van Wikipedia. Ik neem de proef op de som, door in zowel de Franse, Duitse als Engelstalige Wikipedia het jaar 1989 te doorzoeken. In alle drie staat geen woord over de Bulgaarse verdrijving van haar eigen Turkse minderheid. Tja… Midden- en Oost-Europa. Het is en blijft onze grote blinde vlek. Ik schreef er vorige week al over.

En nu we het toch hebben over de verhouding tussen Turkije en de Balkan… Zijn de territoriale dromen van de Turkse president Erdoğan eigenlijk wél tot ons doorgedrongen? Tijdens een congres van zijn AK-partij (AKP), in maart 2018, wenste Erdoğan zijn ‘onderdrukte broeders in Bosnië en Herzegovina, Kosovo, Albanië, Macedonië, Servië, West-Thracië, de Krim, Bulgarije en Roemenië van harte geluk’. ‘Fysiek leven ze dan wel niet in Turkije, maar ze bevinden zich wel binnen onze spirituele grenzen’, zei de president. ‘De betekenis van Turkije past niet binnen 780.000 kilometer. De helft van ons hart is in Istanboel, Diyarbakir, Trabzon, Antalya, Izmir. En de andere helft is Aleppo, Kirkuk, Jeruzalem, Sandžak en Bukhara.’

Je hoeft geen Erdoğan-kenner te zijn om in deze en andere uitingen van de Turkse president een sterk verlangen te proeven naar het herstel van het oude Ottomaanse Rijk. Dat zou zich dan uit moeten strekken van Buchara in het verre Oezbekistan en Kirkuk in Irak tot Jeruzalem in Israël en Sandžak in Servië. Gezien de groeiende militaire activiteiten van Turkije, in Syrië, in Libië, in Azerbeidzjan en in de Middellandse Zee bij Cyprus, is er voldoende reden om Erdoğans dromen serieus te nemen.

In buurland Bulgarije groeit de ongerustheid. Op Erdoğans speech reageerde de Bulgaarse regering met een stevige verklaring. ‘Elk land met een rijke en lange geschiedenis zou kunnen beweren dat zijn spirituele en culturele grenzen de fysieke grenzen overschrijden’, aldus de Bulgaren. ‘Maar de huidige staatsgrenzen zijn vastgesteld door internationale verdragen, erkend door alle staten en niet onderhevig aan twijfel of herziening. Bulgarije en de Republiek Turkije (…) vormen geen uitzondering op deze verdragen.’

Het zijn ferme zinnen, maar tussen de regels proef je de angst. Geen wonder dat de mondaine, blonde vrouw op het terras in Haskovo haar stem liet zakken toen ze die mysterieuze zinnen fluisterde over haar verdrijving in ’89.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl