(Ere)doctoraten

Er is er maar één die zijn titel daadwerkelijk gebruikt en dat is Drs. P. Toch zijn veel schrijvers gerechtigd een academische titel te voeren, want er zijn niet alleen doctorandussen maar ook veel doctoren in de Nederlandse literatuur.

Komend studiejaar zullen Harry Mulisch en Cees Nooteboom een eredoctoraat ontvangen. Nooteboom had er in Brussel in 1998 al een gekregen, en voor Harry Mulisch is het ook niet de eerste keer. Voor hem werd in 2002 een «schaduwpromotie» georganiseerd in Felix Meritis, het Europees Centrum voor Kunst en Wetenschappen in Amsterdam. Dat centrum was met medewerking van de toenmalige minister van Onderwijs Loek Hermans voor de duur van twee uur tot gelegenheidsuniversiteit omgetoverd, zodat Mulisch er op zijn boek De compositie van de wereld kon promoveren. Een nog zonderlinger eredoctoraat kreeg Jeroen Brouwers in 1991, toen hij door de Universiteit van Kessel-Lo bekleed werd met de volgende titels: «Doctor Honoris Causa van de Thuisloosheid, Koning Orpheus van Zutendaal, Hogepriester van het Verzonkene, Absolute Vent en Absolute Vorm, Lord of the flies, Voorzanger van de Wanhoop, Hoofdtuinman van het Grote Literaire Kerkhof, Opperkanselier van de Opperlanden» et cetera.

Maar het is niet louter scherts wat de eredoctoraten betreft. Het echte literaire eredoctoraat heeft een rijke geschiedenis. Veel Nederlandse schrijvers zijn al met die waardigheid bekleed, soms aan een buitenlandse universiteit, vaker hier in Nederland. Vooral Amsterdam (UvA), Leiden en Groningen zijn kwistig met de ere-paperassen. Een van de eerste schrijvers die gelauwerd werden was Nicolaas Beets. Hij kreeg in 1884 in Edinburgh een eredoctoraat, wat hem, als groot liefhebber van Schotland en Sir Walter Scott in het bijzonder, veel deugd zal hebben gedaan. Hij sprak bij de feestelijke plechtigheid duizend studenten toe, die daarop «He is the best» scandeerden. Andere gelauwerden zijn: Guido Gezelle, Henriëtte Roland Holst, Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, Stijn Streuvels, Anton van Duinkerken, Dirk Coster, Simon Vestdijk, Theun de Vries, Maurice Gilliams, Victor van Vriesland, Pierre H. Dubois. En meer recent: Hella Haasse, Hubert Lampo, Rob Nieuwenhuijs, Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek, Leo Vroman, Geert Mak, Gerrit Krol, Kees Fens, en vermoedelijk nog wel meer.

Met zoveel ongeschreven proefschriften zou je bijna vergeten dat er ook schrijvers zijn die een «gewoon» doctoraat bezitten, terwijl dat waarschijnlijk vaker voorkomt dan de erepromotie. Zovele wetenschappende schrijvers kan bijna geen toeval zijn. Beeldend kunstenaars of musici zijn zelden gepromoveerd. Er zijn natuurlijk nogal wat gepromoveerde schrijvers van wie je je afvraagt of het niet veeleer romanschrijvende academici zijn dan schrijvers die toevallig ook ooit gepromoveerd zijn. Die categorie moet verder buiten beschouwing blijven. Te denken valt aan Ton Anbeek, Marijke Spies, Herman Pleij, Hugo Verdaasdonk et cetera. Bij Leo Vroman, Rutger Kopland en Wiel Kusters komen we meer in de buurt van de dichter-wetenschapper. Neerlandicus Wiel Kusters begroef zich voor zijn proefschrift in het werk van Gerrit Kouwenaar, en promoveerde aan de Universiteit Utrecht, in 1986, op De killer: Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. Hij is al jaren hoogleraar in Maastricht. Geert Buelens is een vergelijkbaar geval, een dichter die promoveerde op het werk van een andere dichter (Paul van Ostaijen) en daarmee hoogleraar werd. Dichters doen het goed, ook als onderwerp. In 1988 promoveerde Willem Wilmink aan de Katholieke Universiteit Brabant op een studie naar de poëzie van Hendrik de Vries. Maar in zijn geval niet om hoogleraar te worden, integendeel. Hij zag het als een afronding: eindelijk afstuderen. En het was een vorm van wraak. Al eerder had hij in een interview zijn afkeer van het wetenschappelijke wereldje laten blijken: «Wetenschappelijk is als je bij alles wat je beweert twintig andere mensen aanhaalt die ongeveer hetzelfde hebben beweerd.» Zijn proefschrift moest ook door kinderen gelezen kunnen worden, en bevatte geen woorden als «autonoom» en «structuur». Prompt werd het in Trouw door de kinderboekenrecensent Gertie Evenhuis besproken. Ook voor Ilja Leonard Pfeijffer was promoveren geen begin maar een einde. Na het behalen van zijn doctorsbul in 1999 in Leiden, met de dissertatie Three Aeginetan Odes of Pindar: A Commentary on Nemean V, Nemean III, & Pythian VIII, bleef hij nog even aan de universiteit verbonden totdat hij een werkbeurs kreeg van het Fonds voor de Letteren, waarna hij zich als fulltime schrijver vestigde.

Classici scoren hoog waar het gaat om de combinatie wetenschap en literatuur. Het zal niet toevallig zijn dat het daarbij om gepromoveerde classici annex dichters gaat. Ida Gerhardt promoveerde op de studie Lucretius: De natuur en haar vormen, boek I en boek V: vertaling en verantwoording aan de Universiteit Utrecht, in 1942. En Piet Gerbrandy is onlangs begonnen aan een proefschrift, over de Laaglandse Hymnen van Ter Balkt. De dichters Boutens, Leopold, Der Mouw en Herman Gorter hebben als classici ook een proefschrift op hun naam staan. Laatstgenoemde maakte de nachtmerrie van alle promovendi door: zijn proefschrift werd afgekeurd, zo valt in Enno Endts Herman Gorter Documentatie na te lezen. Het manuscript handelde over de Griekse poëzie en was zeer vrij geschreven – in het Latijn, dat wel. Volgens Gorters boezemvriend Alphons Diepenbrock, al even verontwaardigd als de promovendus, hadden «die lummels» het afgekeurd «omdat het niet banaal genoeg is». Gorter schreef in drie (!) maanden een nieuw proefschrift, inclusief twaalf stellingen en kon alsnog promoveren. Titel: De interpretatione aeschyli metaphorum (1889). In het voorwoord verwijst Gorter openhartig naar de voorgeschiedenis: «Men verwondere zich noch over het onderwerp noch over de taal, ik had een boek geschreven over de Griekse dichtkunst dat echter de hoogleraren Pierson en Naber niet hebben goedgekeurd.»

Maar zo’n onthulling vond de Amsterdamse faculteit ongepast, het hele voorwoord moest eruit! Dus is uit alle exemplaren, op een enkel na, de eerste bladzijde verwijderd. Ook het nieuwe proefschrift werd niet hogelijk gewaardeerd, maar Gorter kon er in elk geval op promoveren en kreeg er een baan als leraar in Amersfoort mee. In zijn proefschrift behandelde hij een aantal onduidelijke plaatsen in het werk van Aeschylus, passages die voorheen door Duitse kamergeleerden onjuist waren verklaard, omdat deze geleerden te ver af stonden van Aeschylus’ leefwereld. Omdat de geleerden zelf nog nooit onder water hadden gezwommen, zouden ze bijvoorbeeld in de tekst een vergelijking met een duiker hebben veranderd. Een van Gorters stellingen luidde (vertaald uit het Latijn): «Zoals Spinoza uiteenzet in de Ethica ontstaat de nabootsing der aandoeningen daardoor, dat hij die gevoelens ondergaat, zichzelf de zaak voelt zijn, waardoor hij aangedaan wordt.»

Die stelling is toepasbaar op een bepaalde categorie gepromoveerde schrijvers die als het ware samenvallen met hun onderwerp. Dat zijn de enkelingen die de literatuur niet kunnen loslaten en van het proefschrift ook literatuur maken. Al in de negentiende eeuw gebeurde dat schertsenderwijs met de parodie op het proefschrift: het zogeheten «prulschrift». M. Februari schreef geen parodie, maar een echt literair proefschrift onder de titel Een pruik van paardenhaar & over het lezen van een boek waarop zij aan de filosofische Faculteit van Tilburg promoveerde. Het boek verscheen bij uitgeverij Querido, in 2000. Het is een complex geheel, met veel appendices, subparagrafen en zelfs een Bibliografie van Niet Gelezen Boeken. Een hoofdstuktitel als De vrouw als voetnoot dienen we hier heel anders te lezen dan Jan Mulders De vrouw als karretje. Bij Februari bevat dit hoofdstuk namelijk een excurs over «de vrouw», in de vorm van een voetnoot. De ondertitel van haar proefschrift luidt: Amrtya Sen en de onmogelijkheid van de paretiaanse liberaal. Dat klinkt stijf, maar er zit wel wat lucht in dit proefschrift, zo duikt bijvoorbeeld steeds de strenge pedel tussen de regels op. Maar voor niet-filosofen blijft onduidelijk waarover het nu eigenlijk gaat. Het boek vond in Carel Peeters in elk geval zijn ideale lezer, hij besprak het welwillend in Vrij Nederland.

Frans Kellendonk is een van de zeldzame schrijvers die op een boekhistorisch onderwerp zijn gepromoveerd. Zijn proefschrift ging over John & Richard Marriott: The History of a Seventeenth-Century Publishing House en de promotie vond plaats in 1978. Het onderzoek behelst een fondsreconstructie van dit Engelse uitgevershuis, met een uitgebreide inleiding. Interessant zijn ook zijn stellingen. De eerste, en dus de belangrijkste stelling, die aan de basis van zijn hele onderzoek ligt, is een waar woord: «Men kan de geschiedenis van de literatuur sinds de uitvinding van de boekdrukkunst niet goed begrijpen zonder ook kennis te nemen van de geschiedenis van het uitgeversbedrijf.» In 1978 klonk dit nog revolutionair, maar 25 jaar later is de stelling al helemaal ingeburgerd in de «institutionele literatuurgeschiedenis». We krijgen nu immers in literatuurgeschiedenissen ook informatie over uitgevers, boekenclubs, recensenten en andere «instituten». Stelling 8 is een opmerkelijk boekhistorisch stokpaardje: «Het subsidiebeleid ten aanzien van de Nederlandse literatuur zou er op de eerste plaats op gericht moeten zijn om een breder publiek voor die literatuur te interesseren.» Wat zijn collega-schrijvers daarvan vonden is onbekend. Kellendonks promotor was de anglist prof. Dr. T.A. Birrell, en de promotie vond plaats in Nijmegen. In zijn voorwoord bedankt Kellendonk Ben Hosman en Johan Polak, op dat moment de drijvende krachten achter Polak & Van Gennep. Het boek draagt, hoewel het eruitziet als stencilwerk, de naam van deze uitgeverij in het colofon: «in samenwerking met Polak & Van Gennep» staat daar. Kellendonk, die in het jaar van zijn promotie pas één boektitel op zijn naam had staan (de novelle Bouwval uit 1977) liet achter in zijn proefschrift opnemen dat hij momenteel «als zelfstandig schrijver in Amsterdam» werkte. Het contact met Hosman en Polak kon niet verhinderen dat al zijn literaire werk bij concurrent Meulenhoff is verschenen. De wetenschappelijke carrière van Kellendonk hield bij zijn proefschrift op, al is hij in 1987 nog wel gastschrijver geweest aan de Leidse universiteit.

In het tijdschrift De Parelduiker heeft in de jaren 1999-2000 een rubriek gestaan, hora est, waarin wisselende medewerkers enkele spraakmakende gedoctoreerde letterkundigen behandelden. Uit deze rijke bron zijn nog enkele opmerkelijke schrijvers met een doctorsbul op te diepen. Menno ter Braak bijvoorbeeld, die in Berlijn onderzoek deed voor zijn proefschrift over Keizer Otto II, een tragische figuur uit de vroege Middeleeuwen. Ter Braaks biograaf Leon Hanssen heeft uitgezocht hoe het er daar in Berlijn aan toe ging. Overdag zat Ter Braak in de Preussische Staatsbibliothek, «een enorme tempel vol moffen» te werken te midden van «een geweldige, religieuze, belachelijke-want-wetenschappelijke gemeente van vossende menschen», en dan werkte hij zelf ook serieus aan het onderzoek. «Maar ben ik ’s avonds weer uitgeweest, dan denk ik er niet meer aan. Ware wetenschapsindividuen zijn we niet!» Ter Braak was 26 jaar toen hij op Kaiser Otto III: Ideal und Praxis im fruehen Mittelalter promoveerde.

Schreef Ter Braak zijn proefschrift in het Duits (bijgestaan door «een correctiemof»), dat van W.F. Hermans verscheen in het Frans. De meeste lezers weten wel dat Willem Frederik Hermans aan de Groningse universiteit werkte (met tegenzin), en sommigen kennen de foto waarop te zien is dat een van zijn paranimfen Gerard Reve was. Maar waar was Hermans eigenlijk op gepromoveerd? Voor de grote schare Hermans-verzamelaars is dat gesneden koek, zijn proefschrift behoort tot de meest begeerde collector’s items. Het heet Description et Genese des depots meubles de surface et du relief de l’Oesling en behandelt een onderwerp uit de fysische geografie dat gebaseerd was op veldonderzoek in Luxemburg. Het werk daar was geen pretje, zo blijkt uit zijn brieven aan Fokke Sierksma, waarvan De Parelduiker enkele fraaie passages afdrukte. Zo lezen we dat moeder Hermans op verzoek van haar zoon zakjes had gemaakt voor bodemmonsters. Zij had daarvoor Amerikaanse meelzakken bij de bakker gehaald, en deze in vierkantjes geknipt en genaaid. Er waren meer mensen voor Hermans aan het werk. Hij werd vergezeld door een heerschap met auto, dat hem rondreed en gaten voor hem groef. «De geologie is een mooi vak», schreef Hermans: «De kuilen die ik hem laat graven doen denken aan een kut van 2 m. lang, vooral in hooiland met lang, welig gras.» Sierksma kwam hem opzoeken en herinnerde zich later hoe de plaatselijke bevolking op Hermans reageerde. Er gingen de gekste geruchten «over die stille en wat stugge heer, die grote gaten in de grond groef. Hij zocht goud, hij was een Russische spion en wat dies meer zij.» Het werken aan het proefschrift was voor Hermans een vreemde gewaarwording. Rob Delvigne in De Parelduiker: «Er huisden twee zielen in zijn borst, maar de natuurwetenschappelijke ziel was de kleinere.» Ook de promotie zelf werd meer een literaire happening. In de Amsterdamse aula zaten onder anderen F. Bordewijk, Hella Haasse, Cola Debrot en Ad den Besten. De oppositie ging vooral in op de elf stellingen van Hermans. Enkele opmerkelijke stellingen: «Het begrip ‹ras›, toegepast op de menselijke soort, is zowel in wetenschappelijk als in maatschappelijk opzicht een onvruchtbare abstractie», en stelling 5: «De oorspronkelijkheid van Leonardo da Vinci op physisch-geographisch gebied wordt menigmaal overschat.» Na de promotie ging Hermans direct naar Italië om de Etna te beklimmen.

Het moet voor aio’s en oio’s en andere «gewone» promovendi een hard gelag zijn om hier te lezen hoe bijna terloops onder de handen van deze schrijvers een proefschrift tot stand kwam. Schrijvers hebben er maar een paar jaar voor nodig en doen er oneindig veel naast, zo lijkt het. Het proefschrift van Karel van het Reve is ook al fluitend geproduceerd, als we H. Hinrichs in De Parelduiker erop nalezen. Het proefschrift telde 183 pagina’s, inclusief de verplichte samenvatting. «Karel was een gewoon wetenschapslulletje», zo citeert Hinrichs Jan Erik Romein (zoon van de historicus en vriend van Van het Reve). Hij zou het zelfs nooit ver gebracht hebben in de wetenschap, ware het niet dat hij nu eenmaal graag en goed schreef. Dus ook al ambieerde hij in feite géén wetenschappelijke carrière, althans volgens diezelfde Romein, hij slaagde er toch in een goed proefschrift te schrijven. Dat heette Goed en schoon in de sovjetcritiek en kwam uit in 1954, drie jaar na zijn afstuderen, drie jaren bovendien waarin hij ook nog werkte in de bibliotheek van het Rusland Instituut. Het was zijn eerste eigen boek, en ook zijn eerste uitgave bij G.A. van Oorschot, die daarop zijn vaste uitgever werd. De titel veranderde hij voor de handelsuitgave in Sovjet-annexatie der klassieken. Een erg commerciële uitgave was het niet, Karel van het Reve betaalde zelf de drukkosten van de 250 opgelegde exemplaren. Broer Gerard was geen paranimf dit keer, wel waren twee slavisten dat, Ton Eekman en Jan Meijer. Voor het diner waren 28 gasten uitgenodigd. Aandoenlijke foto’s laten het jonge echtpaar Van het Reve zien, met broer Simon in een jolige pose en een serieus kijkende professor B. Becker, die, hoewel hem dat op de foto niet is aan te zien, behalve de geleerde promotor ook een begenadigd turner was. Waar ging het boek over? De prospectus van de uitgeverij geeft een gedegen samenvatting: «Terwijl vroeger de grote kunstenaars van het verleden beschouwd werden als vertegenwoordigers van hun klasse, (…) tracht men sinds ongeveer 1935 zowel de Russische als de Westerse klassieken – van Bach tot Tsjaikowski, van Rembrandt tot Repin, van Shakespeare tot Tolstoj – in het eigen kamp binnen te halen door het voor te stellen of deze grote kunstenaars – zo geen communisten, dan toch fellow-travellers zijn geweest.» Op de dag van zijn promotie schreef Karel van het Reve een stukje over zijn onderzoek in de rubriek Gast Vandaag van Het Parool, waarin hij zichzelf ten tonele voert als Karl Gerardowitsj Wangetrev. A star was born, zou men kunnen zeggen, want Van het Reve zou nog vele stukken aan de krant leveren.

Het onderwerp van het proefschrift lag gevoelig, er zouden zelfs pogingen zijn gedaan ook de promotie te verhinderen door mensen die vonden dat Van het Reve het communisme door het slijk haalde. Hoewel Karel van het Reve altijd «wetenschapslulletje» is gebleven, kent het publiek hem als essayist en romancier. Wat dat betreft heeft hij iets weg van Hugo Brandt Corstius, begenadigd taalwetenschapper en tot zijn emeritaat als hoogleraar werkzaam aan de UvA, maar de onsterfelijkheid toch veeleer najagend als taalvirtuoos en essayist. Brandt Corstius promoveerde in 1970 op Exercises in Computational Linguistics. Het moet een uiterst belangrijk werk zijn, de bibliotheek van de Amsterdamse universiteit heeft maar liefst zeven exemplaren van dit 162 pagina’s tellende boekwerk in huis. En het werd een keer herdrukt, ook dat is bijzonder. Zijn werk ziet er, net als dat van Kellendonk, gestencild uit en is – ook daarin stemmen zij overeen – in het Engels geschreven. Hugo Brandt Corstius’ veertiende en laatste stelling luidde: «De moeilijkheden in de samenwerking tussen taalkundigen en wiskundigen komen niet voort uit te weinig, maar uit te veel ontzag voor de denkgewoonten in de andere wetenschap.»

Hoezeer de wetenschappen van elkaar kunnen verschillen, blijkt als we verder teruggaan in de tijd, naar J.C. Bloem en P.N. van Eyck, die ook een doctorsgraad hebben behaald. Beiden zijn gepromoveerd op louter stellingen, zoals destijds niet ongewoon was. Die stellingen werden – overigens met toelichtingen – ook daadwerkelijk gepubliceerd, al ging het dan uiteraard om een dun boekje. Over Bloem schrijft Gretha Donker in De Parelduiker dat hij welbeschouwd geen van zijn 24 stellingen zelf zou hebben bedacht en geformuleerd. Daar was hij te lui voor. Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat, promoveerde in de rechtsgeleerdheid op 30 november 1916. Hij was toen 29 jaar oud. Juristen dienden gepromoveerd te zijn als ze advocaat, rechter of griffier wilden worden. Vandaar de mogelijkheid van promoveren op stellingen. Promoveren was voor velen een «moetje» en had weinig met wetenschap te maken. Volgens tijdgenoten waren stellingen zelfs te koop. De plechtigheid zelf was al evenzeer een schertsvertoning, omdat de promovendus met zijn geplagieerde stellingen geen betoog kon houden en dus van tevoren maar een verhaaltje had opgeschreven, dat hij dan afdraaide, ongeacht de vraag. «Een wederzijdsche pijniging», aldus professor D. van Emden, hoogleraar in de economie en Eerste-Kamerlid. Dergelijke kritiek leidde tot het afschaffen van de zinloze promotieplicht voor juristen in 1921, maar voor Bloem en Van Eyck kwam dat te laat. Van Eyck had er hard voor gewerkt en kon met gemak aan de verplichte 24 stellingen komen. Hij hield er zelfs nog een heleboel over: genoeg voor zijn maat J.C. Bloem, die geen harde werker was. «’t Deed me genoegen te hooren, dat je nog Stellingen hebt, en je bewijst mij er een groote dienst met het toezenden ervan. Ook had ik graag nog een exemplaar van je Stellingen-boekje», schreef Bloem. Dat er gesjoemeld werd, is duidelijk, maar daar hoeft niemand rouwig om te zijn. Bloem kon zijn tijd immers beter gebruiken. Van Eyck kreeg trouwens in 1947 boven op zijn reguliere doctoraat ook nog een eredoctoraat cadeau. Twee maal een bul zonder er een echt proefschrift voor geschreven te hebben!

Dat een schrijver bedreven is in het schrijven betekent nog niet dat hij gemakkelijk een proefschrift schrijft. Maar het helpt wel. De schrijver/promovendus zal in elk geval een soepele pen hebben en minder angst hebben voor het witte papier. Of zo’n proefschrift ook beter is, kwalitatief, daar valt geen peil op te trekken. W.F. Hermans, die overigens cum laude promoveerde, zag er geen voordeel in. Hij schreef: «Het is in de wetenschap net omgekeerd als in de litteratuur: zodra het dilettantisme ophoudt wordt het enigszins vervelend.» * Lisa Kuitert is hoogleraar boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam