Ere-immigrant

JOSEPH O’NEILL
NETHERLAND
Fourth Estate, 247 blz., € 24,95

Het puin was nog niet geruimd of er werd al gesteld dat de aanslagen van 11 september 2001 de geboorte van een nieuw literair genre teweegbrachten: de post-9/11 novel. Maar zoals een Amerikaanse criticus laatst opmerkte: ‘Zijn niet alle nieuwe romans post-9/11 novels?’ Feit is dat sommige schrijvers meer hun best doen dan anderen om in de trend te passen. Joseph O’Neill heeft het genre in ieder geval met beide armen omhelsd, en heeft er met zijn roman Netherland een plaats op de longlist van de Booker Prize mee verdiend.
Netherland heeft een plot met twee sporen: enerzijds is het een verhaal over persoonlijke isolatie. Het huwelijk van de Nederlandse financieel analist Hans van den Broek strandt in de maanden na 11 september. Zijn gezin is geëvacueerd, en in een hotelsuite drijft de terreurdreiging hem en zijn vrouw uit elkaar. Zijn vrouw staat op het punt een zenuwinzinking te krijgen – ze gaat van angst over haar nek als ze opschrikt van een geluid dat een motoruitlaat blijkt te zijn – en vertrekt met hun zoon naar haar ouders in Engeland. Hans blijft achter, alleen.
Op een minder expliciet niveau is het een verhaal over maatschappelijke isolatie. Als Hans van den Broek eenmaal verlaten is, pakt hij een oude hobby op: cricket. De sport die zo on-Amerikaans aanvoelt, is hier juist de American Dream: het is de ideale smeltpot van culturen. Pakistani’s, Indiërs, Aziaten en allerlei andere immigranten uit oude koloniën verzamelen zich in een park in Brooklyn en spelen een spel doordrongen van traditie en goed gedrag. Zo welkom als Hans zich tussen de cricketers voelt – hij raakt bevriend met de flamboyante cricketscheidsrechter Chuck Ramissoon, die hem op sleeptouw neemt – hij blijft de enige blanke in hun midden, en cricket blijft een sport waar de Amerikanen op neerkijken.
Joseph O’Neill, geboren in Ierland, opgegroeid in Nederland, en nu werkzaam als advocaat in New York, is een rasschrijver, iemand die ondanks een klein oeuvre (twee romans en zijn memoires) zijn métier perfect beheerst. De spanningsboog is vanaf de eerste bladzijde duidelijk, als Hans door een journalist wordt gevraagd naar de dood van Chuck. Zijn proza is wat formeel, maar rijk in zijn beschrijvingen en trefzeker in de metaforen. In Hans heeft hij een ideale flaneur, iemand die zowel insider als outsider is, die de alledaagse situaties en de stadsbewoners vlijmscherp observeert.
Tegelijk is dat – en misschien is dat persoonlijk – toch een cliché, New York als hoofdpersoon. Welke nieuwe romantiek is er nog in New York te ontdekken? Zelfs als we er nooit geweest zijn, staat de stad door alle films en boeken in ons geheugen gegrift. De warenhuizen aan Fifth Avenue, de yuppiegezinnen aan de Upper East Side, de kunstenaars en homo’s in Greenwich Village, Little Italy, Chinatown, Wall Street, de sereniteit van het Metropolitan Museum, de groene oase van Central Park. Een schrijver hoeft niets méér te doen dan een straatnaam te noemen en de database in ons brein werpt vanzelf een beeld op.
Het valt misschien pas op dat dit een trucje is als het niet meer werkt, zoals je gaat zien dat je oom Diederik Sinterklaas is als je broer het aan je verteld heeft. De Nederlandse lezer valt het op hoezeer O’Neills beschrijvingen van dat trucje afhangen, als hij over Nederland schrijft in de passages over de jeugd van zijn protagonist. De straatnamen in Den Haag geven niet hetzelfde gevoel als die in New York, en de opsommingen van hollandia (als tegenhanger van americania) zijn vlak en voorspelbaar; diepzinniger dan kaasschaven, sinterklaas, fietstochtjes langs grachten en schaatsroutes over kanalen wordt het niet. Zelfs het herhaaldelijk gebruik van Nederlandse woorden heeft iets gemakkelijks, alsof het gebruik van woorden als ‘sloot’ en ‘polder’ voldoende is om een Nederlandse sfeer te creëren, wat dat dan ook mag inhouden.
Toch is Netherland een welkome toevoeging aan het lijstje 9/11 novels. Waar we uit andere romans leerden dat New York-na-11-september een periode van saamhorigheid was, sentimenteel of romantisch (bijvoorbeeld Extremely Loud & Incredibly Close van Jonathan Safran Foer en The Good Life van Jay McInerney) toont O’Neill een Amerika waar identiteit opnieuw wordt gedefinieerd. De cricketers zijn succesvolle, geïntegreerde immigranten, maar ze blijven precies dat: immigranten.
De blanke Hans van den Broek kan nooit meer dan een ‘honorary immigrant’ zijn. Hoezeer hij ook bij ze wil horen, juist als enige blanke accentueert hij hun anders-zijn. Uiteindelijk beseft ook hij dat hij ze nooit als echte Amerikanen kan zien, ook in hem resteren koloniale ideeën.
Wanneer hij later op vakantie in India een groep slonzige arbeiders ziet werken, moet hij onwillekeurig aan Chuck denken. Hij wil niet aan Chuck denken, hij verwerpt het idee dat de geslaagde Chuck vergelijkbaar is met deze arme zielen, maar Chuck springt steeds in zijn gedachten.