Erfelijke demonen

Etienne van Heerden, De stoetmeester. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens, uitgeverij Meulenhoff, 363 blz., f49,90
MET ENKELE bundels verhalen, waaruit in De witte aap een keuze is gemaakt, en omvangrijke romans als De betoverde berg, Casspirs en Campari’s en de zojuist vertaalde De stoetmeester heeft Etienne van Heerden (1930) zich tot een van de markantste schrijvers in het Afrikaans gemaakt. Hij debuteerde in 1978 en dat was in de tijd dat Afrikaanse schrijvers, zoals hij zelf zegt, sterk geinspireerd werden door de opvattingen van de New Journalists (Capote, Mailer, Wolfe). Tegenover de fictie van de officiele verhalen over ‘het rode gevaar’, ‘afzonderlijke ontwikkeling’ of ‘vreedzaam naast elkaar bestaan’ wilden zij de feiten laten spreken, waarbij de idee van een ‘objectieve joernalistiek’ alleen maar een andere illusie was.

Van Heerden vertelde hierover in een lezing die hij afgelopen najaar in Utrecht hield, ‘Vanuit eigen werk: het opgetekende verleden’ (afgedrukt in De Gids van februari). Daarin zegt hij een aantal behartenswaardige dingen over de verhouding tekst en werkelijkheid, feit en fictie, juist op een moment dat in Zuid- Afrika na de deconfiture van de 'Christelijk-Nationale’ ideologie 'voormalige apartheidspolitici al gretig meespelen bij het ontwerpen van een metaverhaal voor het nieuwe Zuid-Afrika’.
In een lezing neemt een schrijver de kans te baat zijn wensen kenbaar te maken, en die wensen of eisen kunnen niet hoog genoeg worden opgeschroefd. Zo tracht Van Heerden met literaire middelen, dwars op de officiele verslagen, 'de ervaringen van het individu in een gewelddadige samenleving te documenteren’. Maar voor het schrijven van een roman is meer nodig dan goede bedoelingen, sociaal-politiek inzicht en keuze van een belangrijk onderwerp. En het is aan de lezer om te beoordelen of het resultaat een goede roman is. Om te beginnen moet je zo'n dik boek over de politieke verwikkelingen in een ver land maar willen lezen. 'In deze roman is het centrale motief de rol van de geschiedenis in een drastisch en dramatisch zich wijzigend heden.’ Strekt een uitspraak als deze, van een criticus die op het achterplat door de uitgever wordt geciteerd, tot aanbeveling? Niet of misschien niet meer.
Onlangs discussieerde ik in een SLAA-programma met twee collega’s over drie recent verschenen romans, waaronder De Stoetmeester. Ik vond het nog wel interessant hoe daarin de verschillende partijen en belangen in de verwarring van de politieke en sociale strijd worden geportretteerd; de twee anderen bleken in dit documentaire aspect hoegenaamd niet geinteresseerd. Niet omdat zij een categorische afkeer van politiek en geschiedenis zouden hebben, ze zochten gewoon iets anders in een roman. Daarbij speelt ongetwijfeld ook een zekere oververzadiging mee; als de roman over Joegoslavie, Ierland, Zuid-Amerika zou gaan, was de reactie niet anders geweest.
Over de literaire kwaliteiten van de roman was ik veel minder lyrisch dan zij. Toch kwamen we tot een zelfde conclusie: aan het boek is van alles te prijzen, maar in z'n geheel is de roman gewoon saai en taai. Dat de lengte van het boek daaraan debet zou zijn, kan geen argument zijn, al had een oneerbiedige schaar geen kwaad gekund. Ik denk eerder dat het juist door een combinatie van technische en inhoudelijke factoren is dat de roman niet in beweging komt. 'Als schrijvers bevonden we ons vooral in de jaren voordat de ban op het ANC werd opgeheven - maar zeker nu ook nog - op dat “unstable point”, in dat gebied waar de “unspeakable stories of subjectivity” - de kleine geschiedenissen, de ontelbare verhalen in ons land - elkaar ontmoeten, tegenspreken, overschrijven, zelfs dood schrijven, elkaar ontkennen, verzwijgen of herhalen. Het zijn deze kleine verhalen die door hen zijn geschreven tegen het metaverhaal Apartheid dat ons dreigde te onderwerpen aan het Grote Gelijkmaken.’ Van Heerden weet precies wat er nodig is.
IN ZIJN ROMAN brengt Van Heerden een groot aantal personages samen, met allemaal hun kleine verhalen, zoals dat tegenwoordig een beetje modieus heet. Centraal staat de veertigjarige jurist Max Wehmeyer, Afrikaan uit een oude welgestelde familie, die zijn glanzende advocatenloopbaan heeft afgebroken om voortaan voor de armen te werken. Hij is personage en verteller ineen. Siener wordt hij genoemd, omdat hij ziet wat anderen niet zien. Handig maakt de schrijver van zijn zienersgaven gebruik: Siener is in staat zich voor te stellen wat anderen zien en denken, zodat er een alwetende verteller is die nochtans gebonden is aan het perspectief van afzonderlijke personages. Dat kan tot komische situaties leiden, zoals bijvoorbeeld wanneer hij over de schouder van zijn zuster Sarah meekijkt als zij een geweer op hem richt, omdat zij in het donker niet ziet dat het Siener is die aan het hek van de boerderij rommelt. Het had maar weinig gescheeld en de verteller zou uit het verhaal geschoten zijn.
Siener is de stoetmeester van de titel - eerlijk gezegd ben ik daar pas door een opmerking in de genoemde lezing achter gekomen - waarmee bedoeld is dat hij een stoet personages, gebeurtenissen en beelden voor het geestesoog probeert op te roepen om zijn eigen verhaal en tegelijk het grotere verhaal waarvan het deel uitmaakt in de greep te krijgen. Voor het zover is wordt hij door een stel gemaskerde mannen weggesleept, die de villa waar hij op zijn eentje woont, zich vermakend met een verzameling miniatuurtreinen, ook nog maar even kort en klein slaan.
Sieners belangrijkste tegenspeler is zijn zwager, Seamus Butler, een zelfbewuste afstammeling van de Britse settler. Hij is een grote veeboer, geitenfokker, nauw betrokken bij het bestuurlijke en sociale leven in de havenstad aan de Noordkaap. Seamus is een ambivalente persoonlijkheid: zolang hij in sociaal verband optreedt, als bestuurder of jachtmeester, blaakt hij van daadkracht, maar onder dat 'karaktermasker’ gisten de depressies. De verklaring daarvoor zou in een jeugdtrauma liggen: met eigen ogen heeft hij als jongen gezien hoe zijn vader zichzelf doodschoot na alle uurwerken in huis vernietigd te hebben.
Maar de depressie heeft ook nog een cultuurhistorische betekenis: het onvermogen om in deze crisis van het postkoloniale Afrika een eigen identiteit te vinden - die betekenis krijgt allengs het hoogste woord met als gevolg dat de roman soms in onversneden sociologica verzandt. De blanke jeugd reageert daarop - op die crisis - door het verleden te vergeten in een narcistische aandacht voor het eigen lichaam, sporten, feesten en verder niets.
OVER 'ERFELIJKE demonen’ gaat het bij alle betrokkenen, ook bij de zwarten. Ayanda die de Afrikaanse advocaat opzoekt is de eerste zwarte vrouwelijke arts, net als Siener is zij een buitenstaander. Haar moeder MaNdlovu leidt een township-organisatie en wil per se dat de zwarten trots hun traditie in ere houden. Haar zoon dwingt zij het bos in te gaan om zich ritueel te laten besnijden. Een andere zoon is opgehangen vanwege een necklace-moord op een politieman. Met haar man heeft zij een gespannen verhouding omdat hij lofzanger was van de keizer van Transkei, waaruit zij juist met haar Xhosa-moeder was weggetrokken.
En zo zijn er nog ettelijke figuren die het ingewikkelde beeld van de raciale en sociale smeltkroes moeten completeren. Maar allen raken in beroering wanneer vlak voor de kathedraal een oliebron wordt aangeboord, die in alle geledingen van de verscheurde samenleving de hebzucht wakker roept. Een demonstratie van de arme zwarten die hun geboortegrond met inhoud opeisen, eindigt in een bloedbad.
Daarmee is in het kort ook de handeling samengevat. En waarom komt dat alles maar niet tot leven, waarom beweegt er niets? Omdat er praktisch niets in de roman is dat niet belast en beladen is met betekenis, hetzij met aanvullende informatie hetzij met een symbolische lading.
Zoals gezegd zijn ongeveer alle partijen in de roman vertegenwoordigd, in figuren die behalve als persoon ook nog eens als personificatie van een groep of deel van een groep moeten optreden. Ook de prachtige in kleuren en geuren beschreven landschappen van de Karoo dienen voornamelijk ter bevestiging van het historische drama. Zelfs de komische flauwbokken, een toevallige kruising van boerenbok en angorageit die bij het geringste gevaar flauwvalt en daarom gebruikt kan worden ter bescherming van kuddes tegen wilde dieren, krijgen een topzware zondebokfunctie. Als de Britse boer de bijnaam 'De kantelbok’ blijkt te hebben, weten we genoeg, meer dan genoeg.
De personages die het beste uit de verf komen zijn, hoe kan het ook anders, de blanken, in vergelijking waarmee de zwarten bijna folkloristische figuren worden, vooral de heroieke vrouwen. Had Van Heerden zich maar tot de verscheurde geesten van Siener, van Sarah en Seamus Butler en hun zoon beperkt, en had hij de rest maar op de achtergrond gehouden. Maar ja, had hij dat gedaan, dan zou ik nu misschien als kritiek naar voren hebben gebracht dat de politiek en de geschiedenis in de roman niet meer dan als coulissen gebruikt worden voor luxe psychische problemen van een kaste die onvermijdelijk aan het kortste eind trekt.
Ik wil maar zeggen, een romanschrijver die zich door slechte omstandigheden gedwongen ziet de rol van geschiedschrijver te vervullen, heeft het niet gemakkelijk, zeker niet voor een lezer die van deze omstandigheden niets wil weten.