Erg, erger, ergernis

Je hebt erge boeken, ergere boeken en ergerniswekkende boeken. Erg is de roman De uitdaagster van Eric Holder (1960). De uitdaagster is Muriel, door een auto-ongeluk verlamd tot aan haar hoofd, die een advertentie heeft laten plaatsen voor een ziekenverzorger. Niemand houdt het bij haar uit, ze is een lastige zieke, maar de nieuwe verpleger, een voormalige bokser die niets meer van zijn verleden wil weten, kan incasseren. Hij zorgt dat ze weer buiten komt, neemt haar mee uit rijden en gaat ten slotte zelfs met haar op vakantie. Ondertussen brengt hij in een sportschool ook nog een jonge Noord-Afrikaanse bokser op het rechte pad. De humeurige zieke dankt aan de sterke ziekenbroeder een nieuw leven, als lezer ben ik op bezoek in een niet voor mij bedoeld boek. Wellicht kwam dit stukje liefdewerk, oud papier voor vertaling in aanmerking met het oog op een rubriek ‘Liefde & ziekte’. Daar valt dan nog een andere vertaling onder, van een pretentieuzer en (mede daarom) irritanter geschrift.

Bijna 25 is de vertelster anno 1967, wanneer ze haar leven te boek stelt. Ze werd in 1943 in een gevangenis in Barcelona geboren en kwam na vier jaar door een Spaanse verpleegster te zijn verzorgd bij een echtpaar in Parijs terecht, dat haar mishandelde en op haar twintigste het huis uitzette. Uit nood trouwt ze een (saaie) tandarts en per ongeluk krijgt ze twee (verfoeide) kinderen; stiekem zet ze haar letterenstudie voort (over de stilte in de roman). Dan wordt ze ettelijke keren midden in de nacht door haar natuurlijke moeder gebeld die haar pardoes een brokstuk uit haar vroegere (liefdes)leven in Spanje en Frankrijk vertelt. Als ze kort daarop sterft, laat ze een koffer vol brieven achter.
Uit de inhoud ervan probeert de dochter te achterhalen wie haar vader was. Met een minnaar gaat ze naar Barcelona en laat alles en iedereen vallen voor haar zoektocht, en voor het verslag ervan, De koffer. Vreselijke zinnetjes debiteert ze dan: ‘Ik wilde zeker zijn van de vader aan wie ik me behoorde te binden’. 'De herinnering aan hem overweldigde me’, schrijft ze over de man die ze nauwelijks gekend kan hebben, zoals ze ook hunkerde naar het land waar ze nauwelijks gewoond heeft. Terwijl ze nog bezig is verschillende (overleden) personen te identificeren als haar vader, identificeert ze zich met de eenzame man van twintig jaar geleden. 'Ik zal er vanaf heden en voor eeuwig door gebrandmerkt zijn. Ik zal zijn dochter zijn. Die ultieme zekerheid, die absolute plicht was onvermijdelijk. De uiterste daad. De overschrijding.’
Elke pathetische uitroep vormt theatraal een aparte alinea. De flaptekst vermeldt dat de schrijfster - bij leven psychoanalytica - een uur na deze slotregels zelfmoord pleegde, in september 1996. Curieus is dat ze dit einde in het boek al in 1967 geschreven moet hebben. Ontegenzeglijk een dramatisch einde, maar het zoeken naar de vader waarvoor alles moest wijken wordt er niet geloofwaardiger door. 'Mijn houding was het pijnlijke gevolg van de oorlog en de liefde van Léonne (de moeder die haar in de steek liet - jv)’, schrijft ze op het laatst; verongelijkt was ze dus al bij voorbaat.