Literatuur - De Nederlander schrijft met samengeknepen billen

Erg hè?

Terwijl elders de roman zich te buiten ging aan dystopiën en woeste vergezichten schreven onze Nederlandse coryfeeën een boek over hun moedertje. Onze literaire identiteit is die van het miniatuurrealisme binnenskamers.

Medium erg 20he

Wie schrijft de eerste grote post-Brexit-roman? Wie schildert het macabere decor van een mislukt Europa, met de Europese Unie als een schimmige droom uit het verleden, verkruimeld tot losse natiestaten, op drift, opgejaagd door populisten, ten prooi aan rassenrellen, aanslagen en burgeroorlogen?

Twee voorspellingen durf ik wel aan. Eén: die roman zal er komen. Twee: hij zal niet door een Nederlander zijn geschreven. De eerste ligt voor de hand. Als er één genre is dat in de mondiale verwarring van de afgelopen jaren is opgebloeid, dan is het dat van de dystopie, de zwarte toekomstroman. Dave Eggers spiegelde ons in The Circle (2013) het technologisch inferno voor van een radicaal doorgevoerde transparantie. Howard Jacobson verzon in J (2014) een nieuw Groot-Brittannië na een massamoord op de joodse inwoners. Michel Houellebecq bedacht een geïslamiseerd Frankrijk in Soumission (2015), de Duitse Juli Zeh een ziektevrije wereld van 2057 in Corpus delicti (2009). Margaret Atwood sloot met MaddAdam (2013) haar apocalyptische trilogie af. David Mitchell gebruikt dystopische elementen in The Bone Clocks (2014), evenals Tom McCarthy in C (2010) en Satin Island (2015).

Overal rukken de onheilsherauten op. Elk op hun eigen manier geven ze rekenschap van een gevoel van onbehagen, van naderende catastrofe. Er broeit een vermoeden dat er iets fundamenteel niet klopt aan de westerse beschaving, en de roman is het vehikel dat dit onbehagen uitdiept, nieuwe mogelijkheden aftast en radicale consequenties verbeeldt of voorvoelt. Vijfhonderd jaar na Thomas More’s Utopia (1516) is het dystopie troef. Overal. Behalve in Nederland. En dat brengt me bij de tweede voorspelling.

In de jaren dat de roman buiten onze landsgrenzen de gedaante aannam van experimentele universums, proefopstellingen om de wereld in te onderzoeken, boven gasvlammen te hangen en hun gebruis en geborrel te laten reageren met de gifdampen van de verbeelding, schreven onze coryfeeën allemaal een boek over hun moedertje. Maarten ’t Hart, Adriaan van Dis en Arnon Grunberg, en ook aan de Vlamingen Tom Lanoye en Erwin Mortier ging het mamavirus niet voorbij. Daar zitten prachtboeken tussen; begrijp me niet verkeerd, ik ben hier slechts de cartograaf van het contrast, want als je wilt weten wat typisch Nederlands is, moet je het leggen naast wat het níet is.

Niet de verbeelding, wel het realisme. In onze boekhandels liggen de tafels vol met moeders, ziekten, vaders, depressies, kinderen, stervenden en gestorvenen, huwelijken, dertigersdilemma’s en scheidingen. Wim T. Schippers zei eens in een interview over ons toneel: ‘Het enige wat je erbij kunt denken, is: “Erg hè?”’ Dat zijn exact de woordjes waarmee je het gros van die boeken kunt recenseren. Erg hè?

Verwant aan de dystopie is de alternate history, de what if-roman. Dat hier geen gangbaar Nederlands equivalent voor is, zegt al genoeg. Wat als Roland Barthes nu eens vermoord zou zijn (Laurent Binet, De zevende functie van taal), als Roosevelt in 1940 verslagen was door Lindbergh (The Plot against America, Philip Roth), als Hitler opdook in 2011 (Er ist wieder da, Timur Vermes)… Ook die romanmogelijkheid is aan ons voorbijgegaan.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, als eerste schieten me te binnen: De procedure en Siegfried van Harry Mulisch en Het leven uit een dag van A.F.Th. van der Heijden – maar zulke experimenten wijken zo af van wat we gewend zijn dat we ze onmiddellijk herkennen als ‘on-Nederlands’, dat rare compliment dat zoiets moet betekenen als: Nederlands dat zo goed is dat het wel buitenlands lijkt.

De Nederlandse literator prefereert het realisme boven de grote greep van de verbeeldingskracht, waarvoor de dystopie en de alternate history bij uitstek geschikt zijn, omdat die vereisen dat je een complete wereld integraal tot leven wekt. Binnen dat Hollandse realisme zijn de variëteit en diversiteit uiteraard enorm, en in die zin is het aanmatigend om ‘de’ identiteit van de Nederlandse literatuur te willen duiden. A.F.Th. van der Heijden heeft vaak gezegd: ‘Het huis van de literatuur heeft vele kamers.’ Dat is waar, en onbedoeld zegt hij precies wat ons literatuurlandschap zo gelijkvormig maakt: het zijn allemaal kamers. En de kamer is misschien wel precies de metafoor om die Nederlandse identiteit in te vangen.

Parool-_criticus Arie Storm wees al terecht op onze obsessies met kamers in _Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur (2009): donkere kamers, reizen door kamers, onderwaterkamers, de bus als een kamer door de nacht…

Ontzuild als we zijn klampen we ons nog altijd vast aan clans en kongsi’s

Die kamermetafoor gaat volgens mij zelfs op voor de dystopiën die er in ons taalgebied natuurlijk wel degelijk zijn, al moet je er met een vergrootglas naar op zoek. Hanna Bervoets is een goed voorbeeld. De roman Alles wat er was (2013) gaat over een groep die wekenlang zit opgesloten in een schoolgebouw, en ook Efter (2014) speelt zich grotendeels af binnen de muren van een kliniek, waar mensen in de toekomst behandeld worden tegen verliefdheid. Bij ons wordt de dystopie meteen claustrofobisch, ommuurd. Al hoeven die besloten ruimtes niet altijd fysieke kamers te zijn. Dirk van Weelden bedacht in Het middel (2007) een denkbeeldige woestijn in het oosten van Nederland, waar een vreemde sekte huist die supermensen wil kweken in ‘de Enclave’. Sekte, enclave: hoe buitensporig de verbeelding ook, we blijven op ommuurd terrein. Sektes en subculturen zijn de sociale kamers waar onze letteren een scherp oog voor hebben. Of het nu het gereformeerde milieu is waarmee afgerekend moet worden (Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Jan Siebelink, Franca Treur), lees- of dieetclubs (Renate Dorrestein), woongroepen (Franca Treur, Maartje Wortel), het academische milieu (Hermans’ Onder professoren), of het decadente artistieke milieu (Zwagermans Gimmick, Philip Huffs Boek van de doden): het zijn besloten werelden.

De kwintessens hiervan is uiteraard de familieroman, een genre dat ook elders floreert maar bij ons toch net iets sterker. Nergens verschijnen zo veel boeken met ‘zoon’, ‘dochter’ en ‘moeder’ in de titel.

Er is een fascinerende studie te doen naar de literaire identiteiten van verschillende landen louter op basis van de titels van de romancyclus van Karl Ove Knausgård. In het Noors heet die domweg Min kamp, in zes delen, maar in het Duits heten die delen ‘Sterben’, ‘Lieben’, ‘Spielen’, ‘Träumen’, enzovoort. In het Frans: ‘Jeune homme’, ‘Une homme amoureux’, ‘La morte d’un père’… En in het Nederlands? ‘Vader’, ‘Zoon’, ‘Vrouw’.

Zelfs wat van buiten komt reduceren we het liefst tot kleine binnenwerelden. Als die besloten werelden van ons al iets willen beweren over de grote buitenwereld doen ze dat indirect, en niet met een grote panoramische blik, zo’n weidse blik die de verbeelding van zo’n integrale fictieve wereld vereist. Lezen is de balans tussen het genot van het herkennen en dat van het ontdekken, maar het is alsof wij die tweede mogelijkheid van de roman liever onbenut laten.

De verklaring hiervoor kan het klimaat zijn, dat ons dwingt tot activiteiten binnenskamers, maar ook dat we zo dicht op elkaar zitten. In ons polderlandje is al gauw iemand gekwetst, op z’n teentjes getrapt. De Hollandse kamers zijn klein en gehorig. Voor je het weet heb je weer een ego gekrenkt, een minderheid niet respectvol genoeg bejegend. Of juist te respectvol. We zitten met een kluitje op elkaar – en zijn met het internet nog dichter bij elkaar op schoot komen kruipen – o wee als je dan iets te luidruchtig ademt. Voor de literaire vrijheid en voor de grote reizen van de verbeeldingskracht is dat allemaal niet bevorderlijk.

Ontzuild als we zijn klampen we ons nog altijd vast aan clans en kongsi’s. Exemplarisch hiervoor zijn de binnenbrandjes van ons literaire bedrijf – Abu Jahjah die met één pamflet de halve korf van De Bezige Bij op de vlucht laat slaan… Het vierkante-millimetergeneuzel van als híj hier komt, wil ik niet dáár, en als hij dáár schrijft, kan dat niet langer híer… In dit dorpje van echo’s, ego’s en ogen die door elk gaatje gluren is elk woord vroeg of laat onvertogen, dus houden we ons maar in. De Nederlander schrijft met samengeknepen billen.

Of hij verkast naar het buitenland, zoals Hermans, Komrij, Grunberg, Pfeijffer of Huff deden – al laten deze gevallen stuk voor stuk zien dat zo’n heroïsche emigratie er ironisch genoeg juist verantwoordelijk voor lijkt dat je je des te sterker met ons lilliputterlandje gaat bemoeien, vanaf de zijlijnen en voetnoten van de krantenkolommen. Weggaan is een soort van blijven, maar dan wel een stuk rumoeriger.

Nog erger dan anderen kwetsen is succes hebben. Succes en ambitie worden je alleen vergeven als je die verpakt in zelfspot en relativering. Toen Herman Koch bij De wereld draait door vertelde dat hij door zijn succes niet meer naar lezingen in plaatselijke bibliotheken hoefde, werd hem door de presentator gevraagd of hij geen ‘spatsies’, kapsones, had. Zouden ze zoiets ooit aan Zadie Smith of David Mitchell vragen?

Klassiek is natuurlijk het geval van Cees Nooteboom, een van onze weinige schrijvers met een echt wijde blik naar de grote buitenwereld: elders in Europa, en vooral in Duitsland, echt een fenomeen, en bij ons toch vooral nog gezien als het zwaarmoedige broertje van de Grote Drie, die veel te grote woorden gebruikt in veel te lange zinnen.

ook in stijl blinkt de Nederlandse literatuur uit in terughoudendheid. Als de stijl van een auteur al onderwerp is van een recensie, dan wordt doorgaans de soberheid geprezen: heldere beelden, geen woord te veel, licht en lenig, compact, zonder stroeve bijzinnen, bijwoorden of ander bijvoegelijks – dat ‘bij’ zegt al genoeg: het is overtollig. Onze onbetwiste grootmeesters van de stijl? Nescio en A.L. Snijders.

Ongekunsteld, is ook zo’n lievelingskreet van recensenten. Het mag niet al te nadrukkelijk kunst zijn, niet al te opzichtig gemaakt of verzonnen. Dus terwijl buiten onze landsgrenzen ook de taal zelf stoomt en schuimt in de retorten – de straattaal van Zadie Smith in NW, de vormexperimenten van Ali Smith in How to Be Both, de fragmentatie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli, de onstuimige monoloog van Sandro Veronesi’s Zeldzame aarden – blijft in onze literaire vorm en stijl alles rimpelloos op z’n plek. Het gaat ons immers niet om het water, het gaat ons om wat het weerspiegelt. Het gaat erom de kleine wereld zo realistisch mogelijk te kunnen afspiegelen, zodat we er maar twee woordjes bij kunnen verzuchten: ‘Erg hè?’