Kijken

Ergens beginnen

Gadegeslagen door Mondriaan schoof Jan Dibbets met blokjes hout.

Jan Dibbets, Colorstudy C1, 1976 (1 van 4). Kleurenfoto, 50 x 50 cm © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven
Iemand wordt kunstenaar om het onvoorstelbare te zoeken

Hoe begint een schilderij? Eerst, bijvoorbeeld, met de opgespannen maat van een blanco doek. Dit schilderij, Compositie in zwart en wit, is net iets meer dan vijftig centimeter in het vierkant. Het is klein. Je kunt het in een enkele oogopslag bekijken, met een andere concentratie dus als bij veel grotere werken waar je met je ogen overheen moet dwalen, heen en weer, om hun volle breedte te zien. Vaak zijn die ook druk geschilderd. Intussen is Mondriaans schilderij, met maar enkele zwarte lijnen (en stukken zwarte lijn), vrij eenvoudig van opzet. We zien meteen hoe de lijnen lopen in het kleine, witte vierkant. Bovenin eerst dik zwart, van links naar rechts over de volle breedte van het wit. Die lijn ligt. De andere lijn is slanker, staat rechts in het vlak en is opvallend rank en licht. Dan zien we nog, ongeveer halverwege rechts, een zwart stuk van een horizontale lijn dat tot de rand van het vierkant gaat. Ik noemde de opzet eenvoudig. Maar als ik verder kijk wordt de ogenschijnlijke eenvoud steeds minder overzichtelijk. De zwarte lijnen zijn niet, als gewone lijnen, gelijk dun maar verschillend dik. Alle lijnen hebben een eigen volume en daarom een gewicht. Het zijn smal gerekte vlakken die onderbrekingen zijn van het wit. Het schilderij is hoofdzakelijk wit. Het zwart daarin is een geheimzinnige figuratie. Dat zwart deelt het witte vierkant tegelijk in vijf verschillende rechthoeken. Omdat die elk op hun manier door zwart begrensd worden, is hun maat onzeker. Het grootste vlak wit lijkt ongeveer op een vierkant. Het evenwicht in het schilderij tussen zwart en wit is diepgaand onpeilbaar.

Ik zag het toen ik in Eindhoven op het gymnasium zat, mijn eerste Mondriaan. De herinnering is ver weg. Toen, teenager nog, zag ik het zeker ook anders. Achteraf leek het of die figuratie van zwart, in dat kleine witte vlak, wonderbaarlijk tot stilstand was gekomen – als stille pauzes in muziek waar tonen in naklinken. Die stilte bracht mij er later toe met diepgaande aandacht te gaan kijken. Dat ben ik blijven doen. Wie rond diezelfde tijd Compositie in zwart en wit ook zag, was Jan Dibbets. Die woonde in Weert. Het museum in Eindhoven was dichtbij. Vermoedelijk was de straf abstracte compositie, alleen maar wit en zwart, ook de eerste Mondriaan die hij zag in zijn leven. Hij was toen nog geen kunstenaar, maar al geruime tijd ritselde het in zijn hoofd. Iets mooiers dan een schilderij kon hij zich niet voorstellen. Toen hij in Eindhoven plompverloren voor de zwart-witte Mondriaan stond, had hij echter geen idee wat hij zag. Maar hij wist dat het heel spannend was en onvergetelijk. Hij zag iets wat hij nog niet kende, nog niet in de diepte. Je weet dan bij lange na nog niet waar het heen moet. Dan wordt iemand kunstenaar, wat anders, om het onvoorstelbare te gaan zoeken.

Piet Mondriaan, Composition en blanc et noir II, 1930. Olieverf op doek, 50,5 x 50,5 cm © collectie van Abbemuseum, Eindhoven

In de loop van 1969 heb ik geruime tijd met Dibbets in zijn nieuwe atelier gezeten, dat nog leeg was. Hij was pas verhuisd. Tussen ons in lagen drie puntige stompjes hout, uiteinden van paaltjes waartussen ijzerdraad werd gespannen om een omheining te maken. Het waren conisch gekapte punten. Ze lagen tegen elkaar en waren wit geschilderd. Het wit verbond als het ware de punten, hoewel de stompjes paal verder los tegen elkaar lagen. Naar dat raadsel zaten we te kijken en we hebben er intensief over zitten praten. Wat gezegd is, weet ik niet meer. We kenden elkaar net en wilden elkaar beter leren kennen. Je moet ergens beginnen, zei Jan later, ook als je niet weet waarheen het gaat. We hebben met de stompjes zitten schuiven: naast elkaar, verschillende tussenruimtes, ook punt tegen punt in het rond. De stompjes waren aan de punt wit geschilderd, verder waren ze geel-grijs vurenhout. Ze hadden vorm en volume en twee kleuren. Op die vier aspecten moesten we, tegelijkertijd, letten bij het heen en weer schuiven. Eigenlijk waren we toen bezig zoals Mondriaan op een vlak met zwart en wit aan het passen en meten was om te kijken hoe hij de evenwichten simpelweg het beste kon krijgen. Zo schoven we met drie stukjes hout: om te kijken wat zich vertoonde (vorm, kleur, volume) en of dat het zien waard was.

Kunst is de dingen nieuw zien. Zo lag het in de lijn van zijn ontwikkeling dat Jan Dibbets zulke werken zou maken die Colorstudies gingen heten. Het begon in 1975. Wat hij zich voorstelde waren glasheldere waarnemingen van schaduwloze kleur, kleur dus van puur licht. Het werden vierkante foto’s van stukken carrosserie van auto’s. Hun glanzende kleur was hard, kleur op metaal, strak gespoten. Niet de kleur van zachte olieverf. Er zaten vreemde buigingen in het volume van hun oppervlak. De kantige kleuren die in deze onwaarschijnlijk bondige fotografie tevoorschijn kwamen, waren kleuren zo intens als we ze nog nooit hadden gezien. Ik heb die Colorstudies ooit abstract realisme genoemd. Ze werden niet bijzonder populair in zijn oeuvre. Mensen bleken meer te houden van schaduwrijke kunst met veel atmosfeer in de kleur. Ze vonden zulke kleuren te hard, te onverbiddelijk. Maar wat wil je. Dibbets schoof met blokjes hout, hij schetste dan, en keek eindeloos naar een schilderij van Mondriaan met zwarte lijnen en vlakjes wit. Dat bleef maar aanwezig. Wat ik ook maak, zei hij ooit, het is of Mondriaan over mijn schouder meekijkt.


PS Meer hierover: Erik Verhagen, Jan Dibbets: The Photographic Work, Leuven University Press, 2014