Euripides

Erger dan adders

In het eerste deel van het verzameld werk van Euripides vinden we zes tragedies waarin vele sterke vrouwen opduiken. Alkestis, Medeia, Phaidra, Hekabe en Andromache — allemaal zijn ze «erger dan adders en dan vuur». Tegen zulke vrouwen is nog nooit een medicijn bedacht.

Aan het eind van zijn leven verhuist Euripides van Athene, de culturele hoofdstad van de wereld, naar het Macedonische Pella, waar koning Archelaos zijn uiterste best doet de indruk te wekken dat ook barbaren enig gevoel voor beschaving kunnen hebben. De uitnodiging aan Euripides paste in een weloverwogen strategie de Macedoniërs te helleniseren, maar het is de vraag of Archelaos met deze dichter niet een paard van Troje binnenhaalde.

Euripides kwam graag: «Duidelijk is mijn afkeer om ooit naar Athene terug te gaan, dat mij al meer wrevel heeft bezorgd. Men heeft tegen mij gezegd: waarom loop je weg uit Athene, het hart van kunst en vertier, waar je zoveel jaren hebt gewoond, geleefd, geschreven? Dan heb ik geantwoord: niet alleen omdat het mij ondanks mijn meer dan tachtig toneelstukken, toch waarachtig niet de eerste de beste, maar vier keer heeft gelauwerd, maar vooral om die verfoeilijke oorlog tegen Sparta om de oppermacht in Hellas die het tot op vandaag koppig heeft volgehouden, een oorlog die ik onzinnig, schadelijk en onmenselijk vind. Ik ben weggegaan, ongetwijfeld nagesmaald door lieden die mij altijd al een grimbek en een criticaster gevonden hebben.»

Aldus de hoogbejaarde dichter in De wilde vrouwen van Pella, een niet onaardige roman uit 1999 van de nog hoger bejaarde Theun de Vries. De Vries is een pover stilist en gaat hopeloos de mist in zodra hij Griekse woorden wil hanteren, maar zijn roman vestigt wel de aandacht op een fundamenteel aspect van de Euripides-Forschung. Voor velen is Euripides de belichaming van de Griekse Verlichting, de retorisch begaafde dichter die feilloos de vinger weet te leggen op de inconsistenties van traditie en volksgeloof, voor even zovelen representeert hij de gruwzame triomf van het duistere onderbewuste. Messcherpe, vaak ook vilein perverse logica staat tegenover afgrondelijke haat, lust en jaloezie. Archelaos had gelijk met zijn keuze voor een hyperintelligent denker, hij vergiste zich in Euripides’ hang naar het beestachtige. Wanneer Euripides in Pella lucht krijgt van de Dionysische orgieën waaraan de vorstin zich overgeeft, inspireert hem dat tot het schrijven van Bakchanten, de minst Apollinische tekst uit de gehele Atheense literatuur. Archelaos kan wel inpakken met zijn beschavingsoffensief.

Hoewel ook tragedies van Aischylos en Sophokles nog steeds worden gespeeld, is Euripides duidelijk populairder dan zijn oudere collega’s. Dat ligt niet alleen aan het feit dat van hem maar liefst achttien stukken bewaard zijn gebleven, want de meeste ervan zijn nooit in de schouwburg te zien. De kracht van Euripides’ werk schuilt in het moeilijk grijpbare fenomeen dat er altijd iets wringt. De plots lijken vaak slordig gestructureerd, de afloop is meestal ongeloofwaardig, de meeste karakters zijn onsympathiek of zelfs regelrecht hysterisch, en er zit een discrepantie tussen de heftige hartstochten en de virtuoze redevoeringen van de personages. Daar komt bij dat sommige scènes, te midden van alle ellende, buitengewoon komisch zijn. Niettemin grijpen deze tragedies je naar de strot, en zelfs als ze dat niet doen, dwingen ze je tot weerwoord. Waar je een drama als Sophokles’ Philoktetes kalm naast je neer kunt leggen omdat het niets met je te maken heeft, laat het excessieve gedrag van Medeia en Orestes niemand koud. Je beseft dat je nooit de grootheid van Aischylos’ Prometheus of Sophokles’ Oidipous zult bereiken, terwijl de omstandigheden van iedereen een euripideïsche Phaidra, Elektra of Admetos kunnen maken. «Euripides in fact is the creator of that three-walled room in which the imprisoned men and women destroy each other by the intensity of their loves and hates, of that cage which is the theatre of Shakespeare’s Othello, Racine’s Phèdre, of Ibsen and Strindberg», zegt de Amerikaanse classicus Knox.

Het is niet meer dan terecht dat uitgeverij Athenaeum heeft besloten de complete Euripides in de vertaling van Gerard Koolschijn uit te brengen. De meeste stukken waren al wel eens vertaald, maar nog niet eerder had een uitgever zo’n project aangedurfd — of misschien is er nooit eerder een vertaler geweest die zoveel tijd, energie en liefde wilde steken in het weergeven van deze honderden pagina’s meesterlijke poëzie. Van de drie aangekondigde delen is nu het eerste verschenen, waarin Euripides’ zes vroegste stukken zijn verzameld. Alkestis dateert uit 438 — de dichter was toen al bijna twintig jaar actief — en Hekabe vermoedelijk uit 425, toen Athene inmiddels verwikkeld was in de Peloponnesische oorlog, die tot 404 zou duren.

Een van de meest revolutionaire aspecten van Euripides’ drama is zijn voorkeur voor sterke vrouwen. In de zes stukken uit Koolschijns eerste band zijn het steeds vrouwen die centraal staan of op beslissende momenten de doorslag geven. In het Athene van de vijfde eeuw voor Christus werd daar met gemengde gevoelens op gereageerd, ook door vrouwen, als we de komediedichter Aristophanes mogen geloven. Gehuwde en ongehuwde vrouwen, meisjes, weduwen, slavinnen en hoeren bekleedden in de stad een volstrekt ondergeschikte positie, met als gevolg dat iedere vrouw die haar stem verhief of zelfstandig actie ondernam direct als helleveeg te boek stond. Geen wonder dat Euripides de reputatie kreeg een verstokte vrouwenhater te zijn, hoewel wij tegenwoordig menen dat hij de schepper is van de meest levensechte vrouwen uit de hele Griekse en Romeinse literatuur.

Die levensechtheid schuilt in details, niet in de voornaamste handelingen van de dames, want die zijn zonder uitzondering bigger than life. Alkestis offert zich zonder morren op voor haar egocentrische echtgenoot; Medeia doodt haar kinderen uit jaloezie; Phaidra wordt verliefd op haar seksueel gefrustreerde stiefzoon Hippolytos en sleept hem mee in haar ongeluk; Hekabe neemt op weerzinwekkende wijze wraak voor de moord op haar zoon. De omstandigheden en de reacties daarop zijn extreem, maar zeker niet onvoorstelbaar. Reeds in de oudheid werd gezegd dat Euripides mensen toonde zoals ze werkelijk waren, en niet, wat Sophokles deed, zoals ze zouden moeten zijn.

Ten onrechte wordt Andromache nooit gespeeld, al is dat stuk een van de inspiratiebronnen geweest voor het gelijknamige werk van Racine en voor de Troje-trilogie van Koos Terpstra. De echtgenote van Hektor is na de val van Troje als slavin toegewezen aan Neoptolemos, de zoon van de man die Hektor heeft gedood. Nadat Neoptolemos een kind bij haar heeft verwekt, trouwt hij met Hermione, de dochter van Helena en Menelaos uit Sparta. Wanneer Hermione onvruchtbaar blijkt, verdenkt ze Andromache van tovenarij. Terwijl Neoptolemos op zakenreis is, probeert Hermione samen met haar vader Andromache en haar zoontje uit de weg te ruimen. De situatie van Andromache is ongelooflijk complex: ze is een Trojaanse slavin, maar tegelijkertijd de moeder van Neoptolemos’ enige zoon; haar steun en toeverlaat kan niemand anders zijn dan de man die haar tot slavin heeft gemaakt en medeschuldig is aan de dood van Astyanax, de zoon die ze van Hektor had; en hoezeer ze ook tegen haar zin het bed heeft gedeeld met haar vroegere vijand, het spreekt vanzelf dat ze van haar kind houdt.

Zou een ander onder dergelijke omstandigheden misschien een ultieme poging tot diplomatie in het werk stellen, zo niet Andromache. Met alle haat die in haar is, vernedert ze koningin Hermione in een intens gemene redevoering waarmee ze het definitief verbruit: «Uw man verafschuwt u niet door mijn toverij. U bent misschien in de omgang niet geschikt, want dat is ook een toverdrank: niet schoonheid, vrouw, maar je gedrag verrukt een echtgenoot.» Ook kan Andromache het niet laten Hermione nog eens in te wrijven wat voor een slet haar moeder is: «Probeer uw moeder Helena niet in haar zucht naar mannen te overtreffen. Kinderen vermijden fouten van een slechte moeder, als zij wijs zijn.» Nadat de vrouwen enige tijd met modder hebben gegooid, besluit Andromache met de merkwaardig schizofrene constatering: «Vreemd dat een god de mens een middel heeft gegeven tegen wilde slangen, maar wat erger is dan adders en dan vuur: de vrouw, daartegen is nog nooit een medicijn bedacht.»

Ook Hermione is zich bewust van de onbetrouwbaarheid van haar eigen geslacht. Later in het stuk legt ze haar neef Orestes uit dat een man zijn vrouw nooit moet toestaan andere dames te ontvangen, want hun invloed is funest: «De een helpt voor wat geld haar te verleiden, een ander wil dat zij haar eigen misstap deelt, veel doen het uit losbandigheid. En zo wordt dan een huisgezin ontwricht. Beveilig dus uw huis met sluitbalken en grendels voor de deuren. Want het deugt niet als er vrouwen op bezoek komen van buiten. Het richt veel ellende aan.» Het koor van Griekse vrouwen vindt dit wel erg ver gaan: «U valt hard tegen uw eigen sekse uit. Het is wel te begrijpen, maar toch moeten vrouwen de gebreken van de vrouw verbloemen.» Voer voor feministen, vooral als je bedenkt dat alle rollen door mannen werden gespeeld.

Een ander interessant stuk dat nooit te zien is, misschien omdat het enigszins gehavend is overgeleverd, is De kinderen van Herakles. Het is een uitgesproken politiek stuk, dat toen het voor het eerst werd opgevoerd een grote actualiteitswaarde gehad moet hebben, maar ook nu een rol zou kunnen spelen in discussies over asielbeleid, vrijheid en democratie. De kinderen van Herakles zijn na de dood van hun vader nog steeds op de vlucht voor Herakles’ aartsvijand Eurystheus, die bang is dat ze wraak zullen nemen. De jongelui worden moreel ondersteund door hun grootmoeder Alkmene en hun oudoom Iolaos, ooit een trouwe strijdmakker van Herakles. Opgejaagd door Eurystheus vragen ze asiel aan in Athene, dat oorlog met Eurystheus riskeert als het op dit verzoek ingaat. Iolaos houdt een briljante redevoering, waarin hij effectief refereert aan Athenes vrijheidsgezinde reputatie. Als Athene de vluchtelingen uitlevert, «herken ik dit Athene, deze vrije stad niet meer. Maar ik ben zeker van haar moed en haar natuur. Men zal er liever sterven. Eergevoel weegt voor een edel volk toch zwaarder dan het leven.»

Een van de aardigste scènes is het moment waarop de stokoude Iolaos besluit ten strijde te trekken, hoewel hij eigenlijk niet meer in staat is het gewicht van zijn wapenrusting te torsen. Een adjudant biedt aan de spullen voor hem te dragen totdat ze aan het front zijn. Iolaos spoort de man tot haast aan. Adjudant: «U bent zo traag, niet ik. U overschat uzelf.» Iolaos: «Ziet u dan niet hoe snel ik nu vooruitkom?» Adjudant: «Ik zie bij u meer inbeelding dan haast.» Uiteindelijk geven de goden Iolaos op het slagveld zijn jeugdige kracht terug, zodat Eurystheus gevangen genomen kan worden en op instigatie van de onverzoenlijke Alkmene wordt gedood.

In NRC Handelsblad is enige tijd geleden een discussie losgebarsten over de vraag of de vertalingen van Koolschijn wel door de beugel kunnen. Ilja Pfeijffer meende te kunnen aantonen dat Koolschijn in bepaalde passages het Grieks niet had begrepen, lezers stuurden woedende brieven omdat ze vonden dat het niet aangaat een vertaler die zulk helder en leesbaar Nederlands schrijft, af te kraken, en Gerard Boter maakte aannemelijk dat niet Koolschijn maar Pfeijffer beter in zijn woordenboek zou moeten kijken. Er spelen hier verschillende zaken door elkaar heen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat onze kennis van het Grieks beperkt is, zodat over de interpretatie van zeer veel zinnen, uitdrukkingen en metaforen getwist kan worden. In de tweede plaats heeft Pfeijffer natuurlijk groot gelijk als hij zegt dat ook een meestervertaler als Koolschijn, ongeacht zijn reputatie en merites tot nu toe, domweg beoordeeld moet worden op zijn weergave van wat er in het Grieks staat. En in de derde plaats kun je je afvragen of het karakter van Euripides’ poëzie ook in het Nederlands bewaard is gebleven.

Om met dat laatste te beginnen: Euripides’ spreekverzen bestaan, zeker in deze vroege tragedies, uit strak gereguleerde jamben. Koolschijn heeft er, in tegenstelling tot wat hij eerder wel eens had gedaan, voor gekozen de tekst in min of meer jambische verzen weer te geven. Dat hij zich daarbij metrische vrijheden veroorlooft, valt alleen maar te prijzen, jammer is echter dat zijn verzen vaak nauwelijks een eenheid vormen. In regels als deze: «O, mijn arm, als jij me nu eens hielp met/ alle kracht die ik me nog van je herinner» is de afbreking zo lullig, dat ik me afvraag of een keuze voor ritmisch proza niet minder storend zou zijn geweest — op het toneel merk je het verschil niet, als lezer ga je je ergeren aan dit soort slappe enjambementen. In de citaten die ik hierboven gaf, zult u de versvorm niet gemist hebben.

De lakmoesproef voor een vertaler wordt gevormd door wat hij met beeldspraak en klankeffecten doet. In een sterk allitererende en ritmisch uitermate pakkende passage over een veldslag (De kinderen van Herakles, p. 830 e.v.) steekt Koolschijns vertaling nogal mager af bij het spetterende origineel. Jammer is bijvoorbeeld dat hij het woord «pitulos», dat onder meer duidt op de cadans van roeiriemen in het water en hier als metafoor voor het ritme van het gevecht wordt gebruikt, als «aanvalsgolf» weergeeft, terwijl de bedoelde cadans in het Grieks hoorbaar is.

Daar staan echter talloze prachtige vondsten tegenover. En het zou onredelijk, zelfs onbehoorlijk zijn 350 pagina’s vertaling in één alinea te beoordelen aan de hand van een paar willekeurige citaten. Koolschijns vertaling verdient het niet alleen gespeeld te worden, maar ook systematisch door strenge classici te worden doorgelicht in gedegen artikelen. Laten we daarvoor maar even de tijd nemen.

Euripides

Verzameld werk I (zes tragedies)

vertaald door Gerard Koolschijn

Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep,

378 blz., € 34,-