Ger Groot

Erhaben

Toen Rüdiger Safranski zijn magistrale Heidegger-biografie de titel Een Meister aus Deutschland meegaf, wist iedere lezer van Paul Celan dat de dood zelf die Duitse meester was. Met Celans Todesfuge eindigde de filosoof Maarten van Nierop vorige week zijn afscheidscollege Huivering en klacht, waarin hij zich afvroeg of de kunst het radicale kwaad wel kon bevatten. Celans Todesfuge was een effectief antwoord geweest op Adorno’s verzuchting dat het na Auschwitz barbaars was nog een gedicht te schrijven, zoals hij later ook had ingezien. De kunst vindt zelfs een uitdrukking voor de meest overweldigende verschrikking, die Van Nierop opnieuw zichtbaar geworden zag in de tsunami van Kerstmis 2004 en op 11 september 2001.

Die drie catastrofes hebben gemeen dat hun omvang de menselijke maat te boven gaat. Ze behoren tot het overweldigende waarvoor Van Nierop de Duits-kantiaanse term «erhaben» prefereert boven het misleidend-ingeburgerde «subliem».

In zijn ongebundelde gedicht Fall-out, onheilszwanger vanaf het titelwoord, legde Gerrit Achterberg dat besef al in de mond van Kaïn, aartsvader van het kwaad: «Hij riep het uit: mijn zonden zijn te groot.» De last van de daad en de gevolgen weegt te zwaar voor smalle mensenschouders. Dus biedt alleen een hemels baldakijn enig soelaas. «Hij woont», zo dicht Achterberg over Kaïn, «door een Ausweis gedekt van God/ onder het paradijs, in het land Nod».

Precies een week voor Van Nierops afscheid overleed in Frankrijk de denker Paul Ricoeur, wiens werk van begin tot eind door de vraag naar het kwaad wordt omsloten. Geen mens kan de omvang ervan begrijpen, aldus Ricoeur, maar de mythen kunnen er althans van vertellen. In zijn vroege studie De symbolen van het kwaad stelde hij al vast dat van alle oorsprongsmythen alleen de bijbelse traditie de verantwoordelijkheid daarvoor ondubbelzinnig aan de mens toeschrijft.

Toch is die onmiddellijk voor hem «te groot» en verschijnt het Erhabene opnieuw op het toneel. Niet in de gestalte van een onmenselijke massiviteit, maar als de diepte van de menselijke vrijheid. Zij, en niet een goddelijke wispelturigheid, schept de mogelijkheid ten kwade, zo hebben alle theodicee-schrijvers benadrukt. Heidegger stemde daarmee op afstand in, toen hij die verschrikkelijke gave de geheime bron van de menselijke angst noemde.

Wiens zaak het is waarnaar die huiver uitgaat, blijft daarmee echter wel tweeslachtig. Het kwaad is enerzijds het niet-menselijke dat – zo onderstreept ook Ricoeur – onbegrijpelijk blijft. Zo kunnen 11 september, de tsunami en zelfs de Endlösung verschijnen onder hetzelfde verschrikkelijke licht, waartegenover zelfs de schuldvraag met stomheid wordt geslagen.

Maar de Endlösung is geen tsunami, omdat zij de medeplichtigheid veronderstelt waarin Heidegger een Duitse meester werd. De Adamsmythe legt de verantwoordelijkheid waar zij hoort en maakt daarmee een scheiding tussen het onpersoonlijke en het bewuste kwaad. Hij maakt achter dat laatste de wilsdaad zichtbaar, die door zijn eigen gevolgen niettemin voortdurend overdonderd wordt en zich van de dader wil vervreemden.

Zo werd het kwaad een vreemde spil waarlangs het ál te menselijke zich enerzijds diaboliseert en daarmee verontschuldigt, terwijl de adamitische les die anonimisering weliswaar aanklaagt, maar van de weeromstuit achter het natuurlijke toeval toch weer een genius ziet schuilgaan. Daarom roept de natuurramp nog altijd de vraag op waarmee ieder slachtoffer van verschrikking de toevalligheid ervan bezweert: waarom?

De schrikwekkende ervaring doet ieder analytisch onderscheid tussen het bezielde en het onbezielde kwaad teniet. Dat laatste verdwijnt ofwel massief in de anonimiteit van het Erhabene, óf wordt een daad van een om het even menselijke of goddelijke wil. Zelfs de Adamsmythe ontkomt met zijn eigen tsunami-variant niet aan dat lot. Kaïn bekent zijn huisvrouw – zo schrijft Achterberg – en bouwt Henoch, «totdat de zondvloed zich erover stort». Dat was geen toeval, maar de wil van God.