1917 - 2012

Eric Hobsbawm

De afgelopen week overleden Britse historicus Eric Hobsbawm geloofde in historische noodzakelijkheid. Als communist praatte hij de miljoenen doden onder Stalin goed. Waarom kwam hij hiermee weg?

Toen de Oostenrijkse meubelmaker David Obstbaum in de jaren 1870 naar Engeland emigreerde, verbasterde een ambtenaar van de burgerlijke stand zijn achternaam tot Hobsbaum. In 1917 verstond een Britse ambtenaar in Alexandrië deze nieuwe achternaam ook niet goed, zodat Davids kleinzoon Eric volgens zijn geboortebewijs Hobsbawm heette. Een anekdote die eigenlijk wel typerend is voor het leven en werk van de op 1 oktober overleden Britse historicus.

Waar geschreven wordt, worden fouten gemaakt, en geschiedenis is in feite niets anders dan een opeenstapeling van misverstanden en fouten, die soms gunstig uitpakken maar vaak ook tot catastrofes leiden. Als marxistisch historicus heeft Eric Hobsbawm altijd geprobeerd lijnen, patronen en als het even kon wetmatigheden te vinden in de chaos die wij ‘de geschiedenis’ noemen. Maar evenals die Britse ambtenaren luisterde ook hij vaak niet goed, zag hij veel over het hoofd en vertelde hij soms verhalen die op zeer gespannen voet met de werkelijkheid stonden.

Om misverstanden te voorkomen: als Hobsbawm geen belangrijk historicus was geweest, was er aan zijn overlijden niet zoveel aandacht besteed. Als mede-oprichter van het vaktijdschrift Past Present en auteur van boeken over banditisme en het leven van arbeiders was hij een van de pioniers op het terrein van de sociale geschiedenis. Beroemd werd hij met zijn in glashelder Engels geschreven trilogie over de ‘lange negentiende eeuw’ (1789-1914), die bestond uit The Age of Revolution (1962), The Age of Capital (1975) en The Age of Empire (1987). Hierin combineerde hij een fenomenale eruditie met het vermogen rake lijnen te trekken en onverwachte verbanden zichtbaar te maken.

In 1994 volgde een al even leesbaar boek over de ‘korte twintigste eeuw’ (1914-1989), The Age of Extremes. Hoewel veel recensenten ook nu in jubeltonen uitbarstten, kwam er tegelijkertijd kritiek. Hobsbawm schilderde Lenin namelijk af als een geniaal en nobel man, en hij herkauwde het oude communistische sprookje dat diens staatsgreep in november 1917 een authentieke volksrevolutie was geweest. Over Stalin liet hij zich iets minder enthousiast uit, maar de twintig à dertig miljoen slachtoffers die diens regime had gemaakt waren noodzakelijk geweest om de Sovjet-Unie te ‘moderniseren’.

Zijn marxistische visie droeg Hobsbawm tevens uit in bundels als On History (1997) en How to Change the World (2011), terwijl hij in zijn autobiografie Interesting Times (2002) beschreef hoe hij als veertienjarige wees in Berlijn – waar hij bij een oom en tante woonde – lid van de communistische scholierenorganisatie werd en in 1936 toetrad tot de Engelse communistische partij. Evenals in The Age of Extremes – waarin bijvoorbeeld de sociaal-democratie geen enkele rol speelt – wil Hobsbawm ons in zijn memoires doen geloven dat er rond 1933 geen andere keus was dan die tussen fascisme en communisme, iets wat de nazi’s ook altijd beweerden. Pas kort voor de opheffing ervan, in 1991, bedankte hij voor de Britse communistische partij.

In de meeste necrologieën wordt de vraag gesteld hoe het toch mogelijk was dat iemand die zó intelligent was als Hobsbawm, en ook nog eens een polyglot en erudiet, zich politiek zó heeft kunnen vergissen, en zó lang. Uiteraard is dit de verkeerde vraag, alsof intelligentie en belezenheid een garantie zouden zijn voor gezond verstand, empathie en fatsoen. ‘Wer einmal marxistisch denken gelernt had, der kann überhaupt nicht meer denken und ist verdorben’, schreef Kurt Tucholsky in de tijd dat de piepjonge Hobsbawm zich achter het rode vaandel schaarde. Op deze regel zijn vast uitzonderingen te vinden, maar Eric Hobsbawm behoorde daar niet toe.

‘We waren aan boord van de Titanic, en iedereen wist dat hij op de ijsberg zou knallen’, schreef Hobsbawm in zijn autobiografie over de laatste jaren van de republiek van Weimar. Dit marxistische geloof in historische onvermijdelijkheid benam hem dikwijls het zicht op de werkelijkheid, en bovendien hoefde hij op deze wijze niet stil te staan bij het feit dat hij deel uitmaakte van een politieke beweging die druk bezig was gaten te boren in de scheepswand van de Titanic en tevens probeerde het schip naar de ijsberg te laten varen.

Hobsbawm geloofde in historische nood­zakelijkheid en het brengen van offers. Voor het verwezenlijken van zijn idealen mochten best miljoenen mensen opgeofferd worden. En hij kwam hier nog mee weg ook. Toen zijn tijd­genote Florrie Rost van Tonningen (1914-2007) tot haar laatste snik vasthield aan haar nationaal-socialistische ideologie en ontkende dat er zes miljoen joden waren vermoord, was iedereen hoogst verontwaardigd. Maar als Eric Hobsbawm schreef dat het communisme nog altijd een mooi ideaal was en het voorstelde als een alternatief voor de barbarij, terwijl hij de moord van twintig à dertig miljoen mensen onder Stalin niet ontkende maar zelfs goedpraatte, werd dat doorgaans afgedaan als een wat excentriek standpunt van een briljant historicus.

Dit lijkt een beetje op de spastische wijze waarop veel bewonderaars omgaan met het werk van Louis-Ferdinand Céline, Martin Heidegger of Carl Schmitt. Ja, politiek hadden deze heren een scheve schaats gereden, hadden ze verwerpelijke uitspraken gedaan, maar hun bijdrage aan de cultuur is zo overweldigend geweest dat we ons daardoor niet mogen laten afleiden. Maar als die abjecte politieke ideeën nu eens gerelateerd zijn aan de kern van hun werk? En aan hun persoonlijkheid?

Hobsbawms autobiografie en getuigenissen van anderen maken duidelijk dat de man niet kon meevoelen met het enthousiasme of de bittere vertwijfeling van anderen, en dat hij een typische mandarijn was, die zelfs in de Koude Oorlog weinig hinder ondervond van zijn lidmaatschap van de communistische partij en een diepe minachting toonde voor iedereen die niet tot het academische establishment behoorde. Evenals de door hem vereerde Lenin had hij een bloedhekel aan ‘zoete sentimentaliteit’, waarmee beiden niets anders bedoelden dan empathie en mededogen. Je kunt dat – zoals Tony Judt deed met betrekking tot Hobsbawm – ‘tragisch’ noemen, maar dan in de eerste plaats voor degenen die daaronder hebben geleden.