Erik breukink

Flegmatiek. Afwachtend. Het zijn de karaktertrekken waardoor Erik Breukink, nu bezig aan zijn elfde en laatste Tour de France, niet de gekwelde held is geworden waarop men hoopte. Maar zijn die er überhaupt nog wel?
Martin Ros, Wout Koster, Heersers van de Tour: De naoorlogse Tourwinnaars. Uitgeverij De Arbeiderspers, 408 blz., 334,90
‘HET GROTE TALENT’, zo noemde Benjo Maso hem in 1990 nog in zijn bescheiden klassieker over de Tour, Het zweet der goden. Maar in het niet minder ronkend betitelde overzichtswerk Heersers van de Tour, van Martin Ros en Wout Koster, dat in de week voor de nu spelende Tour de France verscheen, valt de naam Breukink enkel nog als voetnoot in de schaduw der goden. Gert-Jan Theunisse werd nog als Indiaanse zigeuner omschreven, maar bij het denken aan Breukink stokte kennelijk iedere verbeelding.

Ooit werd Erik Breukink gezien als Neerlands hoop na Jan Janssen en Joop Zoetemelk. ‘Mijn meest complete renner’, zoals zijn toenmalige ploegleider Peter Post hem ooit noemde. Een potentiële winnaar. Maar een derde plaats in 1990 was het hoogste wat hij ooit haalde, naast vier etappe-overwinningen. (Een keer een bergetappe en drie keer een tijdrit.)
Breukink is nu bezig aan zijn elfde Tour. Hij zegt dat dit zijn laatste is, maar vorig jaar kondigde hij ook al aan definitief te zullen stoppen. Net als vorig jaar rijdt Erik Breukink allang niet meer als belofte maar slechts als knecht. Door collega’s als Erik Dekker wordt zijn 'vaderrol’ benadrukt. Onopvallend. Altijd aardig. Zonder verrassingen. Vorig jaar was de veteraan Breukink (in deze Tour is hij van alle renners degene die het langst meerijdt) op de 34ste plaats de beste Nederlander in de Tour en dat zegt helaas zeer veel over de treurige stand van zaken van het Nederlandse wielrennen.
ERIK BREUKINK, gewoon een goeie wielrenner, is niet gemaakt van het materiaal waar men tragische helden uit kneedt. Daar zijn bepaalde ingrediënten voor nodig. Welke dat zijn, trachten Ros en Koster op epische wijze na te speuren in Heersers van de Tour. Daarin worden alle Tourwinnaars van na de oorlog bezongen in een even curieuze als fascinerende karakterstudie van het winnaarschap. De mythologische inslag van de beschrijvingen moet op het conto van co-auteur Martin Ros geschreven worden, de kleine uitgever die, als bekend, in zijn boekenprogramma’s de meest overtreffende trap nog te beperkt vond. Het zegt veel over de persoonlijke mythomanie van Ros, die weer een andere is dan de meer Amerikaans getoonzette mythomanie van Mart Smeets. Maar wat zegt het over de wielrenners zelf? Vergelijk de roomse taalorgasmen van Ros eens met het al te kale dagboekproza van ex-coureur Maarten Ducrot in diens boekje Berichten uit de Tour de France. Of sla er de sobere constructies van Tim Krabbé op na. Afgronden van verschil openen zich. De ene wereld zo waar als de andere?
Misschien was het vroeger allemaal fabelachtiger. Over de grote Tourhelden van voor het moderne wielrennen verlustigt Ros zich in elk geval het bloemrijkst. Dat gaat zo: Jean Robic, de knoestige trol met de spikkels, sproeten, olifantsoren. De hartstocht van Robic spetterde af tot de bodem, hij liet zijn bidons vullen met lood om sneller te kunnen dalen. Hoe totaal was zijn ondergang: Robic als dwerg in het circus. Bartali, de monnik, de heilige. Het grondeloze liefdesleven van Fausto Coppi ('Waren zijn gedachten toen al te veel bij de dame in het wit die hem overal volgde?’), die de tempoversnelling verhief tot onaantastbare kunst en schoonheid. Kübler, de Zwitserse adelaar uit Adliswil, de dolste aller coureurs, die onderweg hinnikte als een paard. Het geheime wapen van Hugo Koblet was de kam, maar er waren onpeilbare diepten in zijn ziel: deze gentleman-renner zou zich tijdens Allerzielen met zijn witte Alfa Romeo met opzet te pletter rijden tegen een eenzame pereboom.
En over vijfvoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil: 'Maar bij Anquetil was de machine leeg, zijn beenspieren, die bij geen andere coureur zo hoog de rug in liepen, ondergingen een kolossale ervaring van spanning en pijn. Altig duwt op een zeker moment zelfs Anquetil, die in een bijna bewustloze staat toch in het wiel van zijn kompaan weet te blijven. Deze marteling was wel zijn ontroerendste gratie.’ Ook voor Jan Janssen - over wie in nietzscheaanse zin gezegd kon worden: 'de grootste coureur van de wilskracht die de naoorlogse Nederlandse wielersport heeft opgeleverd’ - laat Ros de dichtersader nog wel vloeien, en zijn lyriek bereikt nog redelijk grote hoogte bij het tijdperk van het merckxisme. Maar dan sluipt er iets zakelijks in zijn vertellingen. Hinault, De Das, ja geweldig goede renner natuurlijk, maar ook gewoon de ideale model-Fransman. En wat valt er nu over Zoetemelk te zingen? Of over de zuinig rijdende, oersaaie Indurain, die vijf achtereenvolgende jaren de Tour volstrekt voorspelbaar maakte? Fignon en Lemond, dat waren op hun manier nog wel maniakale gekken, maar het waren toch geen mythologische waanzinnigen meer. Dat waren ook gewoon mensen die je kende van de televisie. Daar stokte de literatuur.
En een verschijnsel als Erik Breukink trapt uiteraard tegen de schenen van iedere, even waarachtige als amechtige Tour-aanbidder.
EEN DIEP GEKWETST-ZIJN in de zelf opgebouwde mythologische verlangens bleek uit een woedend portret dat Mart Smeets in 1995 schreef over Breukink. Het ging over die veel te keurige, veel te aardse, veel te praktische Breukink, over diens schandalige keuze voor een gelukkig en gezond leven na het wielrennen. 'Hij sprint niet meer voor de derde plaats, en ineens zie ik het: hij heeft het woord berusting vol over zijn voorhoofd geschreven.’ Alle frustraties over de in Breukink geprojecteerde overwinningsdrang sprak uit een zinnetje van Smeets dat als een dolksteek moest aankomen: 'En hij kan zichzelf maar geen pijn doen.’ Want of het nu Smeets is, of Ros: de opperste zelfkwelling, dat is wat er van een renner geëist wordt. Men wil Christus zien sterven op de weg. Liever nog dan snot of zweet moet er bloed stromen. Wie deze diepe drang om het wielrennen heen niet begrijpt, zal nooit de lol van zo'n ogenschijnlijk monotone gebeurtenis als de Tour de France kunnen navoelen.
Erik Breukink werd zelfs door interviewer Hugo Camps, die bij iedere Bekende Nederlander wel zielediepte ontwaart, nog omschreven als 'een mens zonder onderhuidse branden’. Afwachtend wordt Breukink genoemd. Flegmatiek. Breukink, de eerlijkheid zelve, blies zich ook in interviews nooit op tot megalomane proporties. Integendeel: 'Als ze allemaal waren zoals ik, zou het leven saai zijn.’ En: 'Er ontbreekt iets groots aan mijn wielercarrière.’
In psychologische hulp heeft Breukink nooit iets gezien. Er hoeft toch niets mis te zijn tussen de oren, vond hij, alleen omdat de zelfkweller in hem nooit echt wakker is geworden?
En gelijk had-ie. Menselijk gezien. Jammer genoeg.