25 april 1959 – 30 maart 2014

Erik Menkveld

Erik Menkveld had in plaats van schrijver net zo goed een boxer kunnen zijn. De wereld was voor hem een weefgetouw, onophoudelijk in bedrijf.

In een interview met Remco Ekkers zei Erik Menkveld: ‘Ik leef zo intens mogelijk van moment tot moment en ik sta met open mond te kijken naar wat er allemaal is. Sommige dingen zijn prachtig! Andere zijn afschuwelijk. Van beide ben ik onder de indruk.’

Oude boxer moet wel een lievelingsgedicht zijn van zijn fans. De eerste strofe: ‘Zeult zich als een veel te vol/ gepakte koffer de salonkamer in,/ kwispelt koket met zijn vleeskroket,/ draait om zijn as/ en nog een keer,/ gaat liggen op de smyrna’. Krankjorume en effectieve beschrijving, onvergetelijk beeld. Dan de tweede strofe: ‘en een jaar of dertig later/ weet ik niet waar ik hem zag/ op welke visite, bij wie,/ alleen dat hij me aankeek/ tot ik dacht: ik had hem makkelijk/ kunnen zijn, en niet alleen/ hem, dat kleed ook,/ die clubfauteuil,/ dat teakhouten buffet…’

In hetzelfde interview vertelde Menkveld dat het om een herinnering gaat aan hoe hij als vier- of vijfjarige ergens op bezoek was: ‘Daar kwam toen een stokoude boxer de kamer binnengestrompeld. Ik herinner me nog goed dat ik toen ineens dacht: hoe komt het dat hij een boxer is en ik een mens. Ik had hem makkelijk kunnen zijn.’

Afgelopen zondag is de schrijver Erik Menkveld overleden aan een hartstilstand. Hij was 54. Menkvelds lagereschooltijd speelde zich af in Tanzania en Ghana. Misschien heeft de tweetalige opvoeding zijn gevoeligheid voor de woordkeuze bevorderd. De middelbare school bezocht hij in Doorn en van 1977 tot 1987 studeerde hij Nederlands aan de Vrije Universiteit. Van 1987 tot 1998 werkte hij als fondsredacteur bij De Bezige Bij, vervolgens tot 2002 als programmamaker bij Poetry International. Toen had hij zo veel vertrouwen in zijn eigen werk gekregen dat hij zich meer aan het schrijven wilde wijden.

Oude boxer komt uit zijn debuut in 1997: De karpersimulator. Een van de gedichten had in 1982 al in De Revisor gestaan. Hij heeft dus goed de tijd genomen om op gang te komen. Het debuut was heel sterk. De bundel werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs, maar omdat dat een prijs is van Poetry International en hij daar zelf werkte, is de prijs niet aan hem uitgereikt. Wel kreeg hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Menkvelds taalgebruik is begrijpelijk, maar af en toe zo ongewoon dat de gedichten na vele malen herlezen niet blijken te slijten.

‘De dood is de ultieme metamorfose. Die kan komen op elke manier’

Als je op je vierde al beseft dat de hele wereld ook anders had kunnen zijn, en dat jijzelf net zo goed als boxer, als vloerkleed of als clubfauteuil ter wereld had kunnen komen, dan hoort het tot je natuur om na te denken over de gelijktijdigheid van uiteenlopende gebeurtenissen. Menkveld heeft een groot gemak ontwikkeld om de wereld vanuit volstrekt verschillende standpunten te bekijken. Het levert een wereldbeeld op dat tegelijk onthecht en aards is, tegelijk vrolijk en melancholiek. Neem het openingsgedicht van de tweede bundel, Schapen nu! uit 2001: ‘Onder het uitspansel bij Paal Twaalf,/ in de verlaten strandtent waar wij zaten,/ slaan, kort na elkaar, twee diepvrieskisten aan’. Meesterlijk om een gedicht zo te beginnen. En dan blijkt hoe onbegrensd Menkvelds inlevingsvermogen is: ‘Menig stokje brengt zijn eerste nacht/ in zand door, of zijn laatste/ in bevroren ijs, diverse smaken’. En even verderop: ‘Adem die ik morgen onze opblaaskrokodil/ hoop in te blazen, stroomt nu in een schaap/ dat zich niet vaak laat horen// maar vannacht met routineus geschoren/ banen over zijn buik vanaf de dijk/ de sterren toe gaat blaten’.

In 2005 publiceerde Menkveld zijn derde en naar nu blijkt laatste dichtbundel: Prime time. Daarop volgde in 2006 Met de meeste hoogachting, brieven waarin hij prikkelende vragen stelt aan Boeddha, Coltrane, Schumann, Petrarca en anderen. De laatste brief is gericht aan zijn kinderen, met de slotzin: ‘Laat me tegen die tijd, als jullie dit lezen en als ik er dan nog ben, eens weten of het gelukt is.’

Na dit brievenboek werkte hij jarenlang geconcentreerd en enigszins teruggetrokken aan zijn indrukwekkende romandebuut Het grote zwijgen, dat in 2011 verscheen en waarvoor hij de Academica Literatuurprijs kreeg. Dit boek over Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen geeft een goed beeld van wat hem in muziek interesseerde. Hij was gefascineerd door musici die, zoals hij het zei, ‘met hun muziek iets tot uitdrukking willen brengen van iets buitenwerkelijks, en daar dan natuurlijk op tragische wijze niet in slagen’.

Het besef van de gelijktijdigheid van gebeurtenissen en het gemak om de dingen vanuit verschillende ooghoeken te bekijken verklaart Menkvelds passie voor wat hij het stemmenweefsel noemde van de polyfone muziek uit de Middeleeuwen. In een interview op Lezentv heeft hij het over de aantrekkingskracht, de conflicten en de verschillen in opvatting tussen Diepenbrock en Vermeulen: ‘Dat hele weefwerk van door elkaar lopende belangen, gevoelens, emoties, schuldgevoelens’ en ‘dat hele weefsel van spanningen’. Menkveld moet de wereld hebben ervaren als een groot weefgetouw, onophoudelijk in bedrijf, vol beweging waar je ook kijkt, vol verandering, onontkoombaar.

Ook de dood maakt deel uit van dit leven. In het interview met Ekkers zei Menkveld: ‘De dood is de ultieme metamorfose. Die kan komen op elke manier: als een auto-ongeluk, als een ziekte die aan je snoept van binnen uit, als een diepte waar je in valt, als water waarin je verdrinkt. Ook de schoonheid kan zich in van alles manifesteren. Dat zijn ultieme metamorfosen, proteïsch. Het zijn abstracta, dood en schoonheid, maar ze manifesteren zich in iets aards.’


Beeld: Erik Menkveld in 2005 (Bert Nienhuis/HH).