Ernest douwes dekker

Danu Dirdja Setia Budhi liet hij zich op het laatst van zijn leven noemen: Stoffelijk Krachtig, de Geest Getrouw. Ernest Douwes Dekker (1880-1950) staat te boek als de even ijdele als charismatische vader van het Indonesische nationalisme. Het portret van een politieke halfbloed.
ZO BEROEMD ALS zijn oudoom - beter bekend als Multatuli - is Ernest Douwes Dekker nooit geworden. Maar wel minstens even impopulair. Het Nederlands-Indische Gouvernement haatte hem hartgrondig en zag hem als ‘een gevaarlijk, bekwaam agitator’. Onder de Javanen had hij in zijn hoogtijdagen evenwel een aanhang die later alleen zou worden overtroffen door die van Soekarno. De eerste president van Indonesie eerde hem tijdens zijn begrafenis in 1950 als ‘vader van het Indonesische nationalisme’. Volgens zijn tijdgenoot Marcel Koch was Douwes Dekker ‘een persoonlijkheid met vele tegenstrijdige aspecten. Zijn betekenis voor de nationale ontwaking van het Indonesische volk is onvergankelijk.’ En de schrijver Du Perron noemt hem in de jaren dertig ‘een figuur a la Trotski, hoewel hij daar niet op lijkt’.

Al op jonge leeftijd werpt Douwes Dekker zich, als een ware d'Artagnan, op als beschermer van de Javaanse bevolking. Dat kost hem meteen zijn betrekking als koffieplanter. Hij reist vervolgens af naar Zuid-Afrika, waar hij aan de zijde van de Boeren vecht. Daar wordt hij in 1901 krijgsgevangen gemaakt en in Ceylon geinterneerd. Dat was de eerste, maar niet de laatste keer.
Terug op Java wordt Douwes Dekker journalist. Hij is korte tijd verbonden aan De Locomotief, met de bekende ethicus mr. P. Brooshooft als hoofdredacteur. Na diens repatriering komt de leiding in handen van M. van Geuns, een man die warme betrekkingen onderhoudt met de Javaanse suikerplanters. Na een conflict verwijt de kortaangebonden Douwes Dekker hem ‘een koopbaar object’ te zijn en stapt op.
In 1907 treedt hij in dienst van het Bataviaasch Nieuwsblad. Hij schrijft vinnige artikelen, die hem de naam 'Javanenvriend’ bezorgen. Dank zij zijn bijdragen stijgt de oplage gestaag; vooral jonge, progressieve Javanen scharen zich onder de lezers. Samen met de studenten Tjipto Mangoenkoesomo en Soewardi Soerjaningrat sticht hij in 1908 'Budi Utomo’, de eerste nationalistische organisatie in Indonesie. De beweging wordt nauwlettend in de gaten gehouden door de autoriteiten.
Ondertussen ontwikkelt Het Bataviaasch Nieuwsblad zich tot een spreekbuis voor teleurgestelde Indo’s die van het gouvernement maatregelen eist om hun positie te beschermen. Douwes Dekker verlaat de redactie en reist, daartoe in staat gesteld door een erfenis, naar Europa. Tijdens deze reis ontwikkelt hij zich tot de felle antikoloniaal die hij de rest van zijn leven zou blijven. Openlijk werpt hij de vraag op hoe Nederland zo snel mogelijk zijn kolonien zou kunnen verliezen.
NA ZIJN TERUGKEER OP Java publiceert hij zijn credo voor een nieuwe partij, de Indische Partij, die bestemd is voor inlanders, Indo’s en Europeanen die Indie als hun vaderland beschouwen. Om de nieuwe partij te ondersteunen wordt De Expres opgericht, een dagblad dat voor de gehele Indische maatschappij bedoeld is. Al snel treden Soewardi Soerjaningrat en Tjipto Mangoenkoesoemo als verslaggevers in dienst van de krant. Onze Indische d'Artagnan heeft zijn mede-musketiers gevonden.
Vanaf september 1912 besteedt Douwes Dekker veel tijd aan propagandareizen, die de Indische Partij een aanhang van rond de vijfduizend leden bezorgen. De niet van ijdelheid gespeende Douwes Dekker voelt zich, zodra hij massa’s toespreekt, volledig in zijn element. Hij ontpopt zich als een Indische Domela Nieuwenhuis.
Hoofddoel van de Indische Partij is 'Indie voor den Indier, voor ons, die eerste bezitsrecht hebben door geboorte’. Volgens hem bezitten juist de mengrassen de meeste cultuurwaarde, omdat ze de beste eigenschappen verenigen van de rassen waaruit ze voortkomen. Ook bij hem is de Indische Nederlander dus superieur aan de Javaan, de inlander, reden waarom hij met de nodige argwaan wordt bekeken door Javaanse nationalisten.
De Indische Partij wordt in maart 1913 door de landvoogd feitelijk buiten de wet geplaatst, en in oktober worden de drie leiders, Ernest Douwes Dekker, Soewardi Soerjanigrat en Tjipto Magoenkoesoemo, verbannen naar Nederland. Door de verbanning niet te presenteren als een straf maar als een maatregel ter bescherming van de openbare orde, slaagt de landvoogd erin om de Indische musketiers uit elkaar te spelen. Tjipto Mangoenkoesoemo krijgt al in 1914 toestemming om naar Indie terug te keren en zal bekend worden als woordvoerder van de Indonesische communistische partij (PKI). Soewardi Soerjaningrat verandert zijn naam in Ki Hadjar Dewantaro en gaat de geschiedenis in als oprichter van de Javaanse Vrije Scholen.
Douwes Dekker vestigt zich in Zurich, waar hij economie gaat studeren. Halverwege de Eerste Wereldoorlog wordt hij benaderd door een Duits spionagenet om vanuit Siam steun te verlenen aan Indiase revolutionairen. De Engelsen hebben hem echter in de gaten: op 15 december 1915 wordt hij in Hong Kong gearresteerd en overgebracht naar Singapore. Hij erkent Duits geld te hebben geaccepteerd, maar ontkent van plan te zijn geweest om tegenprestaties te leveren. Tijdens deze gevangenschap ontstaat zijn sympathie voor het Japanse imperialisme.
INMIDDELS IS IN Nederlands-Indie de vereniging Insulinde opgericht, waarin de leden van de verboden Indische Partij onderdak vonden. De speelruimte van Insulinde is echter beperkt en een charismatische leider als Douwes Dekker ontbreekt. Veel leden van Insulinde zijn tevens lid van de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging van Henk Sneevliet. Binnen de ISDV steekt het gerucht de kop op dat Douwes Dekker op een Japans diplomatiek paspoort naar Singapore is gereisd, waarmee hij zich in de ogen van de anti-imperialistische ISDV ernstig heeft geblameerd. De band tussen Insulinde en de ISDV komt onder druk te staan en in de loop van 1916 komt het tot een breuk vanwege de pro-Japanse houding van de eerste.
Op 6 juli 1918 krijgt Douwes Dekker eindelijk toestemming om naar Indie terug te keren. Al snel wordt hij gebrandmerkt als communistisch agent, een brandmerk dat hij de rest van zijn leven zal blijven dragen. Nog in 1946 verzucht Schagen van Leeuwen, de minister van Marine, in een vertrouwelijk rapport: 'Is het niet een Nederlands communist van de slechtste soort, Douwes Dekker, die gekleed in sarong en kabaai het oor heeft van Soekarno?’
Aan het begin van de jaren twintig breekt op Java opnieuw een periode van onrust aan. Op midden-Java bedienen bandieten zich van de naam Insulinde. De landvoogd heeft weer een reden om Douwes Dekker aan te pakken. Hij wordt gedagvaard en in 1920 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, omdat hij opgeroepen zou hebben tot het weigeren van herendiensten.
De beweging voor zelfbestuur van Indie komt in deze jaren goed op gang. In juni 1922 vindt in Bandung het Al-Indie Congres plaats. Tijdens dit congres presenteert Douwes Dekker een ontwerp voor een Indisch Nationaal Eenheidsprogram, waarin een soort Commonwealth avant la lettre wordt voorgesteld. Het is zijn laatste politieke optreden. Hij concentreert zich sindsdien voornamelijk op het onderwijs, daartoe geinspireerd door zijn vroegere musketier Soewardi Soerjaningrat. Zijn leven komt in rustiger vaarwater.
AAN DIE RUST komt in 1936 een einde, wanneer er een politieke rel ontstaat rond een door Douwes Dekker geschreven geschiedenisboek. Zijn onderwijsbevoegdheid wordt hem ontnomen. Op aandringen van E. du Perron begint hij aan zijn memoires. In Indie is echter geen uitgever te vinden die in verband wil worden gebracht met de omstreden Douwes Dekker. Du Perron stuurt Menno ter Braak een hoofdstuk van de memoires, met het verzoek het in Forum of Jong Holland te publiceren. Maar het manuscript bereikt zijn bestemming niet - het werd opengestoomd en achterovergedrukt door de Nederlandse autoriteiten. Du Perron voelt zich machteloos. 'Je voelt dat je nu geen ruchtbaarheid kan geven. Doe je dat, dan is de weerklank hier doodeenvoudig: die politieman krijgt een standje, en hij, en de heele zwik, neemt wraak op D.D. Deze heeft werkelijk niet nog een klap noodig.’
Wanneer in 1940 de oorlog uitbreekt, wordt de pro-Japanse Douwes Dekker geinterneerd in het kamp Ngawi. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor wordt hij overgebracht naar Suriname. Pas op 15 juli 1946 wordt de internering opgeheven. Douwes Dekker komt in Amsterdam terecht. Hij krijgt geen toestemming om naar Indie - inmiddels Indonesie - af te reizen. Met een vals paspoort slaagt hij er alsnog in zijn vaderland te bereiken. Hij vestigt zich in Jogjakarta, de tijdelijke hoofdstad van de Republiek, en verandert zijn naam in Danu Dirdja Setia Budhi (Stoffelijk Krachtig, de Geest Getrouw). Op grond van zijn verdiensten voor het nationalisme wordt hij minister zonder portefeuille in het kabinet van Sutan Sjahrir.
Tijdens de tweede politionele actie komt Douwes Dekker nog een keer in de bajes. Zijn gezondheidstoestand maakt een langdurig verblijf in de gevangenis echter onmogelijk. Op humanitaire gronden wordt hij vrijgelaten. Hij vestigt zich opnieuw in Bandung, waar hij de erkenning van zjn land nog maar kort mag meemaken. Op 29 augustus 1950, twaalf dagen na de eerste viering van de Indonesische onafhankelijkheidsdag, overlijdt hij. De straat waar hij zijn laatste dagen heeft gesleten wordt naar hem vernoemd. Een echt monument voor deze eerste Indonesische nationalist ontbreekt echter.