Stier of os, dat is de vraag

Ernest Hemingway, chroniqueur van het volle leven

In En de zon gaat op, Hemingway’s debuutroman over een paar brallerige vrienden in het Spanje van vlak na de Eerste Wereldoorlog, is het leven eigenlijk al geleefd. Van een dode meer of minder kijkt niemand nog op.

Medium hemingway color
© Konstantin Papamichalopoulos

In de debuutroman van Ernest Hemingway, The Sun Also Rises, volgen we de wederwaardigheden van een vriendengroep, al suggereert ‘vriendengroep’ meer cohesie dan misschien gerechtvaardigd. Het zijn Amerikaanse twintigers, dertigers, die om elkaar heen draaien, aanvankelijk in Parijs, waar ze drinken, eten, dansen, praten, later in Spanje, met name in Pamplona. Er wordt wel werk verricht, de verteller bijvoorbeeld werkt op de redactie van een krant, maar de algehele sfeer is er een van losgezongenheid en nervositeit. Het leven moet ten volle geleefd worden, het kan zomaar weer voorbij zijn. Iedereen heeft de adem van de doden van de Eerste Wereldoorlog nog in de nek. Er is geld, oud en nieuw geld, er zijn vage successen met romans, er is altijd wel een graaf die manden vol champagne kan laten aanrukken. En er is het meisje dat iedereen ongelukkig maakt.

De roman ademt een sombere vitaliteit, een schrijnend botvieren van geneugten, landerige zelfdestructie. De drank neemt de overhand, de gesprekken ontsporen, er vallen klappen. Spanje lonkt, als symbool van puurheid, ongereptheid, waar wijn uit leren flessen zo de mond in wordt gespoten, Baskische boeren met hun gelooide huid het bergachtige landschap bedwingen, de forellen willen bijten en bovenal de dood in de ogen wordt gekeken bij de stierengevechten. Vooral dat laatste, hoe de stieren op alle mogelijke manieren worden uitgedaagd, opgeladen tot hun vervaarlijkste krachten en vervolgens tot op het bot vernederd, wordt breed uitgemeten. Het stierengevecht en alles wat daarbij komt kijken – de jeugdige schoonheid van de stierenvechters, het ritueel waarmee de stieren worden afgeleid door de makkere ossen, de achteloosheid waarmee de mensenmassa zich door de losgelaten stieren laat opjagen door de smalle straten, het bloed dat vloeit en nog meer gaat vloeien – groeit uit tot een metafoor voor het leven van de vrienden. Het lijkt alsof een vrijer bestaan bijna niet mogelijk is, zo moeiteloos geven ze zich over aan het Spaanse feestgedruis, maar ieder blijkt uiteindelijk gevangen in eigen obsessies, ambities, verlangens, verplichtingen. Wie een woeste stier denkt te zijn, is misschien eigenlijk wel een tamme os.

Deze roman zal altijd nieuwe lezers betoveren en dat komt door de vertelwijze, een bizarre mengvorm van naakt realisme en mystiek zwijgen. Het duurt even voordat de speciale schoonheid van de schrijfstijl, waarin de nevenschikking tot grote hoogte wordt gedreven, indaalt: ‘Het was een zonnige morgen, en de straten van de stad werden gesproeid, en we ontbeten met z’n drieën in een café. Bayonne is een aardige stad. Het is net een heel schone Spaanse stad en het ligt aan een brede rivier. Het was, zo vroeg in de morgen al, heel warm op de brug over de rivier. We gingen de brug over en wandelden daarna de stad door.’ Het duurt ook even tot je er als lezer achter komt dat het in The Sun Also Rises, dat voor een groot deel bestaat uit wat zich aandient als levensechte dialogen, draait om dat wat niet wordt verteld. Er zijn voortekenen in het begin, de verteltoon is net even te casual, op het lelijke af. Als er richting dansvloer wordt gegaan, achter in het Parijse café, is in de volgende zin al weer sprake van de bezwete terugtocht. Een aangehaakt meisje dat er met haar mond dicht heel aardig uitziet, blijkt een prostituee met slechte tanden. En dan, of all the gin joints in all the towns in all the world, komt daar te midden van een groepje jonge mannen Brett de danszaal in schuiven. Een groepje jonge mannen, sommigen hebben een trui aan, anderen een overhemd, maar naar dat wat ze tot groepsleden bestemt is het even raden.

‘In het licht van de deur kon ik hun handen en hun pas gewassen, golvende haar zien. De politieagent die bij de deur stond keek me lachend aan. Ze kwamen binnen. Terwijl ze onder het licht door naar binnen liepen zag ik handen, golvend haar, witte gezichten, grijnzend, gebarend, pratend. Bij hen was Brett. Ze zag er verdomd goed uit en was onmiskenbaar bij hen. (…) Ik was heel boos. Eigenlijk maakten ze me altijd boos. Ik weet dat je ze eigenlijk grappig moet vinden en dat je tolerant hoort te zijn, maar ik had zin er eentje een knal te verkopen, welke dan ook, wat dan ook om die arrogante, aanstellerige houding aan diggelen te slaan. In plaats daarvan liep ik de straat in en nam een biertje aan de bar van de volgende bal musette. Het bier was niet lekker en ik nam een nog slechter cognacje om de smaak te verdrijven.’

Brett, volledig lady Brett Ashley, is de enigmatische verschijning in The Sun Also Rises, ze is nachtmerrie en droom tegelijk; ze is wat Daisy Buchanan is voor Jay Gatsby (The Great Gatsby van de met Hemingway bevriende Scott Fitzgerald was een jaar eerder verschenen), onbetrouwbaar, dolend, niet te helpen, onweerstaanbaar. Geen idee wat haar precies zo aantrekkelijk maakt of hoe ze eruitziet, behalve ‘verdomd goed’, een keer heeft ze ‘geen kousen’ aan, maar als de verteller zijn vriend Robert Cohn naar haar ziet kijken denkt hij: ‘Zo moet zijn volksgenoot hebben gekeken bij het aanschouwen van het beloofde land.’

Om wie draait het verhaal nu eigenlijk? Is het de in de openingsalinea geïntroduceerde Robert Cohn, een schlemielige schrijver die zijn minderwaardigheidscomplex te lijf gaat met een onverwachte bokscarrière? Of dient hij slechts als afleidingsmanoeuvre voor de verteller, als makkelijk haatobject, irritant maar ongevaarlijk? En wie is de verteller zelf, en wat drijft hem? De voorgeschiedenis van hem en Brett krijgt in het vierde hoofdstuk contouren, maar wordt nergens toegelicht of uitgelegd. De liefde is kennelijk een hel geworden, waar ze niet nog eens door willen gaan. Het verhindert haar niet om hem in de loop van het verdere verhaal te gebruiken als stootkussen, toeverlaat, vertrouweling, helper in nood. Brett is de gekmakende droomvrouw die zich niet laat ketenen, door niemand niet, zelfs niet door haar gekke treurige obsessie met een negentienjarige stierenvechter, en is in die zin misschien wel de enige echte stier in het gezelschap.

Ze is nachtmerrie en droom tegelijk; ze is onbetrouwbaar, dolend, niet te helpen, onweerstaanbaar

Op geen enkele manier lijkt Hemingway zijn roman te hebben willen opsmukken. Maar misschien moet je andersom redeneren: alle literaire middelen heeft hij ingezet om het verhaal zo authentiek mogelijk te laten ogen, zo ‘echt’ mogelijk, alsof hij het direct heeft afgetapt van het volle woelige leven. Tussen de schrijver en de verteller zit geen ruis. Het triviale en het dramatische gaan hand in hand in zijn beschrijvingen van Pamplona, het plein is groot, de arcade koel, ‘ik vond het leuk om de stad weer eens te bekijken’. Als hij de voorbereidingen van de stierengevechten beschrijft, is er een onbetekenende scène bij het ticketkantoor, waar een oudere heer hem ieder jaar inschrijft voor de toegangsbewijzen. ‘Hij was archivaris en alle archieven van de stad lagen in zijn kantoor. Maar dat heeft niets met dit verhaal te maken.’

Wat wél essentieel voor het verhaal is, is het gemoed van de verteller, soms kiert opeens iets van zijn ware aandoening tussen de regels door. Het is moeilijk de vinger te leggen op zijn somberte, omdat die zo hel contrasteert met wat hij telkens benadrukt: de zonovergoten omgeving, het gulle drinken en eten, het eerlijke landschap. De mensen in zijn directe omgeving, met uitzondering van Brett, zijn hem echter aangewaaid, hij heeft ze er niet op uitgezocht. Het maakt van hem een eenzame figuur, de notulist in het gezelschap, voortdurend bezig het samenzijn te evalueren. Als hij weer eens bij een van de vele dineetjes een ruzie heeft gesust, en Brett er mooier dan ooit uitziet in een zwarte, mouwloze avondjurk, schrijft hij: ‘Het leek op sommige etentjes die ik me herinner van de oorlog. Er was veel wijn, een verholen spanning en een gevoel alsof er dingen stonden te gebeuren die je onmogelijk tegen kon houden. Door de wijn raakte ik het gevoel van afkeer kwijt en begon ik me gelukkig te voelen. Ze leken me allemaal zulke aardige lui.’

Opeens is daar de oorlog weer, als toetssteen der waarheid. Alles wat erna gebeurde, was in feite surrogaat, zoals ook iedere vrouw na Brett surrogaat was en zal zijn. Het leven is al geleefd, in a way. Van een dode meer of minder, of een met bloed besproeide arena, kijkt niemand nog op.

‘Is er in de arena iemand gedood?’

‘Ik geloof van niet. Alleen zwaargewond.’

‘In het looppad is een man gedood.’

‘O ja?’

Aan het eind is Jake weer waar hij begon: alleen. Eén telegram, een cry for help, is voldoende om hem van zijn eigen plannen te doen afwijken. In Madrid kan wie weet alles van voren af aan beginnen. Al op de eerste pagina had hij nog schamper opgemerkt altijd op zijn hoede te zijn bij openhartige, eenvoudige mensen, ‘vooral als al hun verhalen kloppen’. Hij refereerde hier aan de door hem aanvankelijk betwijfelde bokscarrière van oerschlemiel Robert Cohn. Maar zie hem nu zelf gaan, het blinde dier; in een even weemoedig als teder slotakkoord laat hij zich andermaal richting zijn eigen persoonlijke arena leiden.