Eén deur, twee macho’s

Ernest Hemingway, vriend van Fidel

Toen Cuba, Hemingway’s tweede vaderland, synoniem werd voor Castro, werd de schrijver automatisch de kameraad van de guerrillaleider. Een vriendschap voor wat het waard was.

Medium hh 13537993
© Osvaldo Salas / Rue des Archives / HH

De foto van de guerrillaleider en de schrijver hing jarenlang in de werkkamer van Fidel Castro in het Palacio de la Revolución. Hij hangt ook nog altijd in de foyer van het Hilton Hotel, oftewel Hotel Havana Libre zoals het ging heten na de machtsovername in 1959, toen Fidel er zijn intrek nam.

Het is een van de twee bestaande foto’s die vanuit verschillende hoeken hetzelfde beeld vastleggen: een lachende Fidel Castro samen met een lachende Ernest Hemingway. Twee mannen die het zo op het oog uitstekend naar hun zin hebben, die genieten van elkaars gezelschap. Hemingway en Fidel zijn dikke vrienden, zegt de foto, en dat idee leeft meer dan een halve eeuw later onverminderd voort.

De foto is gemaakt op 15 mei 1960, bij een gelegenheid die we zacht gezegd als dubieus of compromitterend kunnen omschrijven. Het was de prijsuitreiking van het jaarlijkse Hemingway-vistoernooi, de naar de visfanaat genoemde wedstrijd waarvoor alleen doorgewinterde zeevissers in aanmerking kwamen. Maar dat jaar mochten ze onder de deelnemers ook de comandante en jefe rekenen. En wie schetst ieders verbazing toen na drie dagen zware strijd bleek dat uitgerekend Fidel Castro, die voordien nog nooit een hengel had vastgehouden, de allergrootste zwaardvis uit de Caribische Zee naar boven had weten te trekken.

Hemingway mocht de winnaar de beker overhandigen en leende zich volgaarne voor dit opzichtige propagandastuntje. Sommige bronnen zeggen dat Hemingway vooral tuk was op een ontmoeting met Fidel om hem te vragen alsjeblieft zijn huis niet te confisqueren, een lot dat vele buitenlandse eigendommen in Cuba ten deel begon te vallen.

De foto die vervolgens een geheel eigen leven zou gaan leiden, had niets met een werkelijk bestaande vriendschap van doen, maar was simpelweg het resultaat van een gedeeld belang van de twee geportretteerden.

In Fidel Castro: Biografía en dos voces (‘Biografie in twee stemmen’, 2006, de biografie in de vorm van een interview van 650 pagina’s door de Spaans-Franse journalist Ignacio Ramonet) krijgt Hemingway slechts drie miniparagrafen van de Cubaanse leider, die voldoende zeggen over de zogenaamde vriendschap: ‘[Net als Sartre] had ik ook Hemingway graag beter willen leren kennen. Hij was gek op Cuba, hij hield van dit eiland. Hij woonde hier, heeft ons een hoop nagelaten, zijn bibliotheek, zijn huis dat nu een museum is. In het eerste jaar van de Revolutie heb ik twee keer, vrij kort, met hem kunnen praten. Als Hemingway een paar jaar langer had geleefd, had ik graag tijd gehad om meer met hem te praten. Een beetje intiemer te worden.

Een paar van zijn romans heb ik meerdere keren gelezen. En in vele daarvan – For Whom the Bell Tolls, A Farewell to Arms – laat hij zijn hoofdpersoon altijd een dialoog met zichzelf voeren. Dat is wat me het meest bevalt van Hemingway, de monologen, wanneer zijn personages met zichzelf praten. Zoals in The Old Man and the Sea, het boek waarvoor ze hem de Nobelprijs gaven.

In het weinige dat ik van hem kon leren kennen, leek hij mij, in zijn gewoonten, in zijn manier van doen, een heel menselijke persoon. Ik heb altijd veel gehouden van zijn literatuur.’

Castro heeft het over twee korte ontmoetingen, maar slechts één daarvan is gedocumenteerd. Opvallend is het gemak waarmee de Cubaanse leider de Nobelprijs van Hemingway nationaliseerde: die zou hij hebben gekregen voor The Old Man and the Sea, over het epische gevecht van een oude Cubaanse visser met een zwaardvis. Al is het waar dat de korte roman Hemingway’s meest Cubaanse boek is en dat het Nobelcomité in 1954 zelf had gezegd dat dit boek mede had bijgedragen tot de uitverkiezing van de Amerikaanse schrijver.

Kenden Ernest Hemingway en Fidel Castro elkaar nauwelijks, het is bovendien onwaarschijnlijk dat ze elkaar echt mochten: alle twee waren supernarcistische macho’s die maar moeilijk met een soortgenoot door één deur konden. Dat lijkt ook de reden dat Fidel later zijn rechterhand Che Guevara naar Bolivia stuurde, die daar vervolgens in 1967 werd doodgeschoten. Hemingway was weliswaar de enige yanqui die het nieuwe revolutionaire bewind verwelkomde, maar tegelijkertijd was deze Amerikaan zo ongeveer de enige persoon op het eiland die mogelijk nog populairder was dan Fidel.

Wel had Castro een zekere bewondering voor de braniekant van Hemingway. De Britse diplomaat en oud-ambassadeur in Havana Leycester Coltman, wiens The Real Fidel Castro (2003) een van de beste biografieën van de Cubaanse leider is, schrijft dat ten tijde van de ontmoeting Fidel en zijn broer Raúl machistischer dan machistisch waren en uitgesproken homofoob: ‘De Castro-broers waren gek op wapens en andere symbolen van mannelijkheid. Ze bewonderden de grote generaals en de grote historische rebellen. Ze verachtten mannen die zachtaardig waren. Ze neigden ertoe kunstenaars, dichters en dansers te associëren met vrouwelijkheid. Een eigentijdse schrijver die Fidel wel bewonderde en loofde was Ernest Hemingway. Niet alleen was Hemingway een Yankee die gek was op Cuba en de Revolutie had gesteund: hij droeg ook een baard, rookte sigaren, was dol op wapens en schreef over mannen die solidariteit en heroïsche strijd plaatsten tegen een geweldige overmacht.’

Ernest Hemingway zette voor het eerst voet aan wal op Cuba op 1 april 1928. Het was slechts een tussenstop van de onder Britse vlag varende stoomboot Orita waarmee hij vanuit Frankrijk op weg was naar zijn huis in Key West, Florida. Een jaar later kwam hij terug, om te vissen, en raakte hij innig verliefd op het eiland.

Het werd zijn tweede vaderland vanaf 1932 toen hij zich semi-permanent op Cuba vestigde, niet in de laatste plaats om te kunnen ontsnappen aan de Prohibition die zijn eigen land teisterde. Het eiland was alles wat hij van huis uit niet had meegekregen: katholiek, tropisch, instabiel, zondig en corrupt. Om dezelfde redenen was de stijve Brit Graham Greene gevallen voor Cuba, ‘waar elke ondeugd was toegestaan en elke handel mogelijk’.

'De Castro-broers waren gek op wapens en verachtten mannen die zachtaardig waren’

In 1939 verhuisde Hemingway definitief naar Cuba, waar hij tot vlak voor zijn dood zou blijven wonen. Samen met Martha Gellhorn, zijn derde vrouw, kocht hij de Finca Vigía, een uitbundig buitenhuis in het dorp San Francisco de Paula, zo’n twintig kilometer buiten Havana. Beneden, in de haven van Cojimar, lag zijn boot Pilar.

In de jaren vijftig was de schrijver volgens zijn biograaf Jeffrey Meyers de beroemdste man van Cuba. ‘Hij werd overal herkend en mensen riepen “papa, papa” naar hem.’ Zelf deed hij er nog een schepje bovenop door zich te omschrijven als de beroemdste Cubaan.

Hemingway liet geen kans onbenut om zijn liefde voor zijn tweede vaderland uit te dragen. ‘De eerste Cubaanse Nobelprijs’, oreerde hij toen hem in 1954 de prijs werd toegekend. Hij ging zijn trofee niet ophalen in Stockholm en verscheen alleen op een korte vervangende bijeenkomst in Havana. Bob Dylan was niet de eerste laureaat die het te druk had om de ceremonie bij te wonen en die zijn aanvaardingstoespraak liet voorlezen door de Amerikaanse ambassadeur.

Twee jaar later maakte Hemingway een nieuwe geste die zijn populariteit op het eiland nog verder deed groeien. Hij schonk zijn gouden Nobel-medaille aan de Cubanen in de persoon van Nuestra Señora de la Caridad del Cobre, de beschermheilige van Cuba wier portret in geen huis ontbreekt: ‘Deze prijs behoort Cuba toe, omdat mijn werken zijn ontstaan op Cuba, tussen de inwoners van Cojimar, mijn dorp.’ De symbolische overhandiging vond plaats in de kroeg, waar anders, in de cervecería Hatuey in Havana.

De medaille kreeg een plaats naast het beeld van de Maagd in de basiliek van Santiago de Cuba, de stad waar nu ook de as van Fidel Castro rust. In 1986 werd het kleinood gestolen, maar het werd snel weer terugbezorgd na dreigementen van Raúl Castro, in die dagen minister van Defensie: ‘Breng de medaille terug binnen 72 uur of aanvaard de consequenties. Ik weet wie jullie zijn.’ Na terugkomst werd de medaille veilig opgeborgen door de aartsbisschop en nooit meer tentoongesteld. Of de dader ook gepakt is meldde de staatspers in die dagen niet.

Hemingway, de supermacho die zo gek was op gerechtvaardigde oorlogen, wapens en avontuur, had de guerrillastrijd van Fidel Castro en Che Guevara een beetje gemist, terwijl hij tijdens een deel van de strijd wel op Cuba was. Zelfs op het moment van de ontknoping was hij absent.

In augustus 1958 schoten soldaten van dictator Batista Hemingway’s hond Machakos dood. Het incident vergrootte Hemingway’s afkeer van Batista, van wie hij een paar jaar eerder tal van onderscheidingen had geaccepteerd. Maar hij was evenmin optimistisch over wat er zou gebeuren wanneer de rebellen zouden winnen.

Volgens biograaf Jeffrey Meyers (Hemingway, 1986) zei hij in november 1958, nog geen twee maanden voordat Fidel Castro zegevierend Havana binnentrok, tegen een vriend: ‘Cuba is echt erg nu. Wonen in een land waarin niemand gelijk heeft – beide kampen wreed – weten dat het moorden zal doorgaan wanneer de nieuwen binnenkomen – kijken naar de wreedheden van degenen die nu de macht hebben – ik heb er allemaal schoon genoeg van.’ In oktober was hij vertrokken om uit te kijken naar een ander onderkomen voor het geval hij Cuba uitgezet zou worden. In april 1960, drie maanden na de zege van Castro, kocht hij een huis in Ketchum in de Amerikaanse staat Idaho. Meteen erna keerde hij terug naar Havana waar hij ondanks de anti-yankee-stemming enorm populair bleef, en bleef feestvieren in de bar Floridita met zijn daiquiris en zijn eigen bronzen buste.

‘Sic transit hijo de puta’, vonniste hij over Batista, ‘zo vergaat de hoerenzoon’. Maar zijn visie op de nieuwe machthebbers was nu positief: ‘Dit is een goede revolutie, een eerlijke revolutie.’ Bij zijn terugkeer op Cuba zei hij op een persconferentie dat dit niet zomaar een willekeurige opstand in een bananenrepubliek was, maar een echte revolutie. Hij vergeleek de nieuwe regering van Castro met de Spaanse Republiek, al hield hij een slag om de arm over het vervolg: ‘I hope things go well. The people who are being shot deserve it.’

Vele jaren later dook het onwaarschijnlijke verhaal op dat Hemingway met een stel vrienden en een hoop drank geregeld de door Che Guevara georganiseerde executies bijwoonde. Van dergelijke bizarre episodes heeft hij nooit gewag gemaakt. Hoewel hij zelf in zijn laatste Cuba-maanden al onderweg was naar de dood zou hij er met zijn grote mond zeker over hebben gepraat. Het lijkt erop dat het verhaal een mythe is geïnspireerd op die van Hemingway zelf – hoe hij tijdens het beleg van Madrid ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog met andere oorlogscorrespondenten de tram nam naar het front en aan het eind van de dag terugkeerde naar het centrum van de hoofdstad om te drinken en te schrijven.

In de recente film Papa, de eerste Hollywood-productie in een halve eeuw die op locatie op Cuba is gedraaid en die nu op Netflix is te zien, wordt een ander curieus verhaal over Hemingway en de Cubaanse Revolutie aan de man gebracht. In de behoorlijk slechte film van Bob Yari krijgen we een lange scène te zien waarin de kustwacht van dictator Batista Hemingway’s boot Pilar entert. Vlak voor de soldaten aan boord komen kiepen de schrijver en zijn vrienden een enorme lading wapens bestemd voor de guerrilla overboord.

Voor zo’n duidelijk actieve betrokkenheid van Hemingway bestaat geen concrete aanwijzing. Maar zulke details worden door de Cubaanse machthebbers met open armen ontvangen. Voor een zo nationalistisch getint regime zijn de gestes en liefdesverklaringen van de schrijver voor Cuba altijd van onschatbare waarde geweest. Hemingway was een vriend van Cuba, niet noodzakelijkerwijs van Fidel Castro. Maar een halve eeuw lang waren dat synoniemen, dus was Hemingway ook een vriend van Fidel.

Hemingway heeft ons veel nagelaten, zei Castro vele decennia later. Bij wijze van spreken dan, want de Finca Vigía, zijn bibliotheek en zijn boot Pilar waren door het bewind simpelweg geconfisqueerd. Zijn weduwe kreeg alleen toestemming om de schilderijen en een hoop documenten mee te nemen.

Eén ontmoeting, een foto ter gelegenheid van een dubieuze bekeruitreiking, een paar positieve zinnen van Hemingway en een paar even positieve loftuitingen van Fidel. Om daar een innige vriendschap van te maken is absurd, maar het kwam het bewind goed uit: een wereldberoemde Amerikaan die Fidel en zijn Revolutie prijst. Ook al deed hij dit voordat Castro zich tot het marxistisch-leninisme bekeerde en de aanvaring met de Verenigde Staten frontaal werd. Toen had Hemingway zich al een kogel door het hoofd geschoten.

Vrienden nee, maar verbaal hadden de twee wel wat met elkaar gemeen. ‘A man can be destroyed but not defeated’, de fameuze oneliner uit The Old Man and the Sea, zou zo uit de mond van Fidel Castro hebben kunnen komen. Zoals zijn beroemdste kreet ‘Hasta la victoria siempre!’ (‘Tot de overwinning altijd!’) een perfect citaat uit een van Hemingway’s romans had kunnen zijn.