Ernst hirsch ballin rambo tussen de rapporten

Hij rolde als wonderkind van het gymnasium via de universiteit naar het ministerschap. En daar begon de zondeval. Hirsch Ballin, man van de hoogstaande moraal, staat dubieuze inkijkoperaties toe en schaft het elektronisch briefgeheim af. Ondertussen grossieren zijn ambtenaren in vormfouten en ontsnapte gevangenen. En dan nog het IRT-schandaal. ‘Het stinkt rond justitie’, schrijven de kranten. Krijgt Hirsch Ballin er hoofdpijn van? Nee, hooguit rugpijn.

Als de Tweede Kamer volgende week het paasreces onderbreekt om de verantwoordelijke bewindslieden te interpelleren over de IRT-affaire, zal de minister van Justitie verstek laten gaan: hij wordt gekweld door hevige rugpijn. Maar hoe de Kamer ook zal oordelen, de betrokkene zal vanaf zijn ziekbed waarschijnlijk niet naar het debat luisteren maar naar een bandje met zijn favoriete Caribische muziek. Want Ernst Maurits Henricus Hirsch Ballin, minister van Justitie en Antilliaanse zaken, weet alles al.
Buiten zijn eigen CDA (dat hem op handen draagt) staat hij alom bekend als een onverdraaglijke betweter. Hij hanteert onderzoeksgegevens zoals het hem uitkomt, luistert niet naar argumenten en herhaalt zijn vooropgezette, van conservatisme en misantropie doordrenkte mening net zo lang tot zijn tegenstanders het voor gezien houden. ‘Hirsch Ballin probeert krampachtig een soort Rambo te spelen in zijn schijnwereld vol rapporten, statistieken en notities, terwijl hij niet weet wat er bij mij op de Nieuwmarkt gebeurt’, riep een wanhopige Ina Brouwer naar aanleiding van zijn drugsbeleid.
Met zijn roomse glimlach en zalvende dictie haalt hij menigeen het bloed onder de nagels vandaan. In het debat over de nieuwe Vreemdelingenwet, dat hij vlak voor Kerst mis met een opgejaagde en geirriteerde Eerste Kamer moest voeren, werd Hirsch Ballin door de oppositie openlijk voor 'doof'en zelfs 'autistisch’ uitgemaakt.
Het oordeel van prof. C.F. Ruter, hoogleraar strafrecht aan zijn eigen almamater, de Universiteit van Amsterdam, valt nauwelijks milder uit: 'Ik heb nog nooit een minister gezien die met zoveel poeha als het knapste jongetje van de klas is aangetreden en die zo weinig professioneel is op het gebied van strafrecht. Hij weet alles beter, luistert naar niemand. Ik vraag me wel eens af wat we bij de UvA fout hebben gedaan.’
Waarschijnlijk is het al voor zijn studentenjaren fout gegaan. Als enig kind van een katholieke moeder en een joodse vader werd Ernst op 15 december 1950 in Amsterdam geboren. Zijn vader, Denny Hirsch, was een beroemd rechtsgeleerde die als jongeman na de Kristallnacht uit Duitsland had kunnen vluchten en later aan het verzet had deelgenomen. Uit respect voor een uitgemoorde familietak voegde hij in 1970 de naam Ballin aan zijn eigen naam toe. Zoon Ernst verklaarde in 1990 voor de Ikon-radio: 'Voor mijn vader gold dat de eerbied voor het menselijk leven, die in de joodse traditie aanwezig was, extra is ingescherpt door de ervaringen van mijn familie in de vervolging onder het nationaal-socialisme. Dat heeft bij mij, niet onmiddellijk in juridische termen, ook een besef aangekweekt dat een staat niet zomaar zijn gang kan gaan.’ Zijn succesvolle strijd voor de afschaffing van het recht op hoger beroep voor asielzoekers - en straks ook voor andere groepen in de samenleving - of zijn pleidooi voor de herinvoering van lijfstraffen voor gevangenen steken bij zo'n belijdenis wel heel schril af.
De reden daarvoor is waarschijnlijk dat Ernst Hirsch Ballin misdaad en onrecht alleen uit de overlevering kent en niet uit eigen waarneming. Volgens zijn toenmalige klasgenoten werd hij thuis gekoesterd als een kleinood; hij mocht niet aan teamsport doen en zelfs niet fietsen om onnodige risico’s te vermijden. Zijn schoolprestaties op het Amsterdamsch Lyceum (gymnasium alpha) waren uitzonderlijk goed en hij kon anderen gemakkelijk van zijn standpunt overtuigen. Hij was hoofdredacteur van de schoolkrant en schreef een Latijns toneelstukje dat hij nog uitgevoerd kreeg ook. Zijn einddiploma was van dienaard dat zijn vader zich geroepen voelde om al zijn universitaire collega’s uit te nodigen op Ernsts eindexamenfeestje. Het moet een uiterst genante vertoning zijn geweest.
Terwijl de hoofdstedelijke jeugd in het Vondelpark samendromde en zijn medestudenten het Maagdenhuis bezetten, vergaarde rechtenstudent Hirsch Ballin naarstig tentamenbriefjes. Hij was actief in het faculteitsbestuur, maar zijn favoriete lectuur was Thomas van Aquino, niet Karl Marx. Gekweld door de ondermaanse vraag naar het grote Hoe en Waarom ging hij nog tijdens zijn studietijd over tot het katholieke geloof. Zijn vader was er niet verrukt van dat hij zich liet dopen, maar misschien is dat juist een van zijn drijfveren geweest. 'We hebben er wel gesprekken over gevoerd’, aldus zijn studievriend Jurjen Pen. 'Het beeld dat ik van die gesprekken heb overgehouden, is dat hij zich intellectueel afzette tegen zijn vader.’
De bekering werd gevolgd door een politieke overstap van D66 (waarvan hij vanaf zijn schooltijd lid was geweest) naar het CDA. 'Hij is een typerend voorbeeld van iemand die pas op latere leeftijd katholiek is geworden; die zijn fanatieker dan de katholieken van huis uit’, aldus een partijgenoot. In CDA-termen werd Hirsch Ballin een kerkist. Het heeft hem in Rome geen windeieren gelegd. Vorig jaar kreeg hij van Radio Vaticaan maar liefst anderhalve minuut de tijd om zijn wetsvoorstel inzake euthanasie voor de katholieke luisteraars toe te lichten. Wat kan een bekeerde jood - ook al is hij dan minister - nog meer van het Vaticaan verlangen?
Na zijn studie bracht Hirsch Ballin als medewerker vier jaar door op een klein kamertje op het ministerie van Justitie. Af en toe ging iemand even kijken of hij al dood was, maar in 1981 werd hij opeens op grond van een meesterlijk proefschrift als ’s lands jongste hoogleraar staats- en bestuursrecht in Tilburg benoemd. Sindsdien maakte hij deel uit van vrijwel elke commissie waarin het CDA enig christelijk belang ontwaarde. Hij werd door vriend en vijand als bestuurlijk wonderkind geprezen - niet in de laatste plaats door prof. R.in ’t Veld, kwaliteitsimpuls te Rotterdam - en ontwikkelde zich al doende tot het juridisch geweten van het CDA.
Het ministerschap kwam op 4 november 1989 toch nog onverwacht, en het is niet helemaal duidelijk in hoeverre Hirsch Ballin zijn zorgvuldig geconcipieerde snor heeft willen drukken door er een aantal ingrijpen de eisen aan te verbinden. Hoe dan ook: ze werden ingewilligd en opeens was hij minister.
Het werd een ministerschap als een zondeval. Zelden is het verschil tussen retoriek en daadkracht bij een politicus zo duidelijk aan de dag getreden. Hirsch Ballin bestookte de natie met het ene morele appel na het andere terwijl het justitieel apparaat onder zijn onvaste hand verkommerde tot een rellen brigade. Moordenaars ontsnapten uit de gevangenis, werden abusievelijk vrijgelaten of gingen vanwege vormfouten vrijuit. De politie werd uitgenodigd om onbeperkt af te luisteren, justitiele inbraken (zogenaamde 'inkijkoperaties’) te plegen en andere dubieuze methoden te hanteren, terwijl ingrijpen de wetsvoorstellen (bijvoorbeeld voor de afschaffing van het elektronisch briefgeheim) in de diepste stilte werden voorbereid. De politiekorpsen werden grootscheeps gereorganiseerd - waarvoor 230 miljoen gulden extra werd uitgetrokken - honderden cellen werden bijgebouwd; het resultaat bleek nihil.
Het rechtsgevoel kreeg een zoveelste deuk toen de peetvader van het departement, prof. Jan van Dijk, ongestraft mocht verklaren dat het er niet toe doet of het bewijs tegen een verdachte helemaal rond is, zolang er maar wordt gearresteerd. De beoogde 'cultuuromslag’ bij Justitie was vooral een retorische truc waarbij de ferme taal het won van de competentie. Nu de verantwoordelijken in de IRT-zaak waarschijnlijk vrijuit zullen gaan, hangt er - zoals de Volkskrant terecht constateerde - rond politie en justitie een stank van bederf, en dat mag de minister zich persoonlijk aantrekken.
Zijn restauratieve neigingen zijn eenvoudig sterker gebleken dan zijn rechtsgevoel. Op zijn best is hij paternalistisch, op zijn slechtst volkomen wereldvreemd. Zijn visie op het gezinsleven roept naargeestige visioenen op van gristelijke toogdagen, reidansende AJC-ers en dompige Roomse patronaten, en zijn Zeewoldse redevoering van december 1993, waarin hij wettelijke stappen tegen tv- en videogeweld aankondigde, leek een echo van de futiele vooroorlogse verontrusting over 'danswoede’ onder de jeugd.
Zoals de politicoloog Mark Bovens oordeelt: 'Hirsch Ballin is dan misschien niet, zoals Van Agt, in een achterhoedegevecht verwikkeld, ook hij lijkt de toekomst toch vooral ruggelings tegemoet te treden.’ De vraag is: welke toekomst? Kan de EU niet nog een dekselse ambassadeur gebruiken?