Toen Ernst van de Wetering in 1987 hoogleraar kunstgeschiedenis werd, aan de UvA, zou hij tijdens vergaderingen vaak hebben gedacht: ik zou eigenlijk iedere week een kijkspreekuur willen geven. Hij gaf dat spreekuur niet, uit verlegenheid, hij was immers maar ‘uit de tekenacademie aan komen lopen’, maar hij wist hoe buitengewoon fundamenteel ‘goed kijken’ was voor iedereen die met kunstwerken omging. Hij had als kind, zei hij in 2005 in dit blad, vaak cantharellen gezocht in het bos bij zijn oma. De ene keer zag hij een geel herfstblaadje, de andere keer een cantharel. Het genoegen van de vondst werd er alleen maar groter door, ‘want het ontcijferen van de werkelijkheid geeft een soort lustgevoel’, en als het over het ontcijferen van de werkelijkheid en de waarheid ging, was Van de Wetering uiterst lustig en alert.

Voor studenten in Amsterdam, die hem (zoals ik) vanaf het begin van zijn aanstelling meemaakten, was hij een tomeloze, hartelijke, aanstekelijke inspirator. Hij nam zijn studenten overal mee naartoe, introduceerde ze onbekommerd bij Grote Namen overal ter wereld, en hij zag kunstgeschiedenis als maar één manier om de wonderen van de grote kleurrijke wereld in je op te nemen. De klarinet was altijd onder handbereik; een studiereis naar Rusland had geen zin zonder ook Tarkovsky te hebben gezien, zonder Dostojevski te hebben gelezen, zonder iets van Mussorgsky te hebben gehoord, zonder straalbezopen te worden in een Moskouse nachtclub.

Het Rembrandt Research Project, waar hij in 1968 als student-assistent was begonnen, was eigenlijk voortgekomen uit het Van Meegeren-schandaal. Van Meegeren slaagde als vervalser omdat hij experts als Bredius in hun zelfingenomen ijdelheid kon verleiden tot het uitschrijven van een certificaat van echtheid. Toen het plan rees om Rembrandts complete oeuvre te onderzoeken ging het aanvankelijk vooral om het uitzeven van valse stukken. Dat moest in comité gebeuren, met vijf experts tegelijk, die hun kennerschap tegen elkaar zouden afzetten.

Het was de assistent, Van de Wetering, die niet in die aanpak geloofde. In dat kennerschap zaten allerlei vaste aannames – over het samenvallen van ‘man en stijl’, bijvoorbeeld – die eigenlijk nergens op waren gebaseerd. Hij drong aan op fundamenteel onderzoek naar de fysieke toestand van schilderijen; hij was het, die de ringen in het hout van panelen telde, en de draden in de doeken, en zo bijvoorbeeld kon vaststellen dat twee totaal verschillende schilderijen toch echt in hetzelfde jaar in dezelfde Rembrandt-werkplaats waren gemaakt, gezaagd van dezelfde plank, geknipt uit dezelfde rol. Hij vond bovendien dat veel meer moest worden gekeken naar de theorie van goede schilderkunst, en de mate waarin Rembrandt ‘de regels van de kunst’ had gevolgd. Men nam altijd aan dat Rembrandt, als weerbarstig wonder, zich daar niets van had aangetrokken. Dat bleek volstrekt onjuist.

Een tomeloze, hartelijke, aanstekelijke inspirator

Daarmee belandde Van de Wetering in een vervolgonderzoek, waar hij in 1986 op zou promoveren en wat in 1991 tot een bijzondere tentoonstelling in het Rijksmuseum leidde: de werkverdeling in de studio van de meester, waar verschillende kunstenaars van verschillend allooi allemaal aan de vervaardiging van ‘Rembrandts’ hadden gewerkt.

Paradoxaal genoeg leidden al die fundamentele onderzoeken weer naar het punt waarop het Corpus-project begonnen was: het toepassen van kennerschap, het zo nauwkeurig mogelijk kijken naar elke streek, elke kras in een kanten kraag, elk flonkertje wit op een ooglid, en dan op basis van dat nauwkeurig kijken een uitspraak doen. De rol van Van de Wetering in dat monnikenwerk was zonder meer baanbrekend. Zijn werk heeft op een werkelijk essentiële manier het beeld veranderd van de kunstenaar als solitair genie, en daarmee ook van allerlei andere solitaire genieën.

Maar het Corpus-werk verbreedde zich, en sleepte zich voort. Toen Van de Wetering in 1993 alleen aan het hoofd ervan kwam vond hij het Project ‘eigenlijk mislukt’. Hij nam de machtige positie van de vijf oude experts over, en die kroon woog zwaar; hij begon over het Project te spreken in de eerste persoon enkelvoud. Hij nam getalenteerde studenten aan als medewerkers, doch opvallend weinig daarvan zijn bij hem gepromoveerd. Van de Wetering kon strijdbaar zijn, in de zucht naar waarheid, maar ook onbuigzaam, halsstarrig en lichtgeraakt.

En dat terwijl hij in de grond werkelijk verlegen was. Optreden in het openbaar was iets waarvan hij de gêne had moeten overwinnen, met glans, want hij was een van de allerbeste uitleggers van ‘wat je ziet’ voor groot publiek. Het had diepere wortels, die verlegenheid. In Zomergasten van 1993 vertelde hij openhartig over zijn jongste jeugd. Van de Wetering was de zoon van een nsb-vader. Hij was met zijn Duitse moeder op Dolle Dinsdag op de vlucht geslagen naar Hamburg, waar hij het gruwelijke bombardement meemaakte. Van de Wetering zei zich lang voor zijn vader te hebben geschaamd. Zou het kunnen zijn, dacht ik toen, dat kinderen van foute ouders, die onrechtvaardig werden belast met een schuld en schuin werden aangekeken op school, een scherpe intuïtie ontwikkelen voor de onwaarheden van anderen? Kan het zijn dat zij een grotere drang voelen om de zelfgenoegzame ficties van anderen aan de kaak te stellen? Het onderzoek naar het oeuvre van Rembrandt betekende immers ook een zuivering, het onderuithalen van oude eigengereide betweters, en van een nationale heldenverering bovendien.

Je moest eerst leren kijken, vertelde hij zijn studenten: ‘Je moet jaren gekeken hebben om de juiste vragen te kunnen stellen.’ Het was die scherpe blik, die hem naar de waarheid leidde, die de cantharellen tussen de herfstbladeren zag.