Volendam revisited

Ernstig bezwaard

In zijn slechtste reportage ooit, over Volendam, wist Martin van Amerongen met één enkele — vlijmscherpe — passage een fikse rel te veroorzaken.

De traditionele volksziekten in Volendam zijn, althans waren — Roomse blijheid! — druiper en syfilis.

(Uit: Met Donald Duck de Gouwzee op, Vrij Nederland, 1973)

Het was hartje zomer, juli 1973, en zelfs Vrij Nederland was gezwicht voor de gesel van de komkommertijd, getuige de serie Uitstapjes naar befaamde pleisterplaatsen. Bij Joop van Tijn openbaarde zich toen al zijn zwak voor royalty, gezien zijn bezoek aan Loevestein; Gerard van Westerloo reisde naar de Efteling, Ursula den Tex naar Kraantje Lek en Igor Cornelissen daalde af in de Leemkule van Hattem. De trouwe lezer van VN moet reeds gegniffeld hebben toen hij de koppen Martin van Amerongen per bus naar Marken en Volendam! en Het is hier echt heel mooi! zag, om vervolgens in zijn handen te wrijven en er eens goed voor te gaan zitten. De titel Met Donald Duck de Gouwzee op was weliswaar minder uitnodigend dan de streamers, maar Van Amerongen zou ongetwijfeld met een vlijmscherpe, hilarische en vooral eigenzinnige reportage over het anders zo voorspelbare onderwerp voor de dag komen.

Nu is de reportage de moeilijkste en hoogste vorm van journalistiek. Je moet alle aspecten van het vak onder de knie hebben — interviews, analyses, sfeerbeschrijvingen, er moet een spanningsboog zijn om te voorkomen dat de lezer voortijdig afhaakt — en juist een uitgekauwd en platgetreden onderwerp als Volendam vereist (nu zeker, maar dertig jaar geleden ongetwijfeld ook al) een optimale inspanning. Zelfs de meest ervaren journalist zakt de moed in de schoenen als hij een dezer dagen naar de Dijk in Volendam zou worden gestuurd voor een sfeerreportage.

Hij of zij waant zich in een broeierige en vooral treurige kijkdoos vol gefossiliseerde clichés, waar niets, maar dan ook niets zinnigs over valt te melden. De oude besjes in klederdracht die op de stoep voor hun poppenhuisjes zitten, de busladingen Aziaten en Amerikanen die zich vergapen aan de klompenmaker, de fotozaken vol portretten van negers en Chinezen in klederdracht (of nog grappiger, Gerard Joling en André Rieu in klederdracht), de walmende poffertjeskramen, de jofele sfeer in de BZN-bar: allemaal zaken waar een normaal mens intens verdrietig van wordt.

Afgelopen zondag werd de enige opschudding veroorzaakt door een touringcar die, ter hoogte van de plek waar ooit ’t Hemeltje stond, bijna een colonne rolstoelen de plomp in drukte. Samen met Valkenburg aan de Geul kan Volendam het best tot de laatste steen worden afgebroken om vervolgens in Japan weer te worden opgebouwd.

Van Amerongen beheerste het genre van de reportage als geen ander. Zijn meesterlijke stukken over Albanië (tijdens het bewind van Enver Hoxha), Roemenië (op zoek naar Dracula) en de DDR behoren tot de klassiekers van de Nederlandse journalistiek. Maar hij wist zich geen raad met Volendam en de omringende dorpen, en zijn reportage Met Donald Duck de Gouwzee op blijkt uiteindelijk net zo oubollig als de bestemming. De opening is ongekend tam: «We zouden, zo hadden Aaron (7) en ik besloten, gewoon met de touringcar gaan, toeristen onder de toeristen, Atlantici onder de Amerikanen. Dat pakte echter anders uit dan wij hadden gedacht. De Marken-Express bevatte slechts vier personen. Aaron leest Donald Duck en de zebramossel, chauffeur Westra stuurt zijn voertuig goed gehumeurd de IJtunnel in. Het bekende bordje ‹niet spreken met de bestuurder› ontbreekt. Dus vraag ik Westra wat het verschil is tussen de Waterlandtoer van zijn NZH en die van de concurrerende firma Bergma. Het verschil, zo legt Westra uit, is vier gulden (NZH ƒ15,-, Bergma ƒ19,-) zulks ten gerieve van de Bergma favoriserende taxichauffeurs en hotelportiers.»

Zelden in zijn loopbaan zal Van Amerongen zo’n ongeïnspireerd stuk hebben geschreven. Igor Cornelissen, destijds zijn collega bij Vrij Nederland, heeft een verklaring: «Martin vond het platteland vreselijk, hij werd al zenuw achtig als hij drie bomen zag. Buiten de stad kon volgens hem niets gebeuren.»

De weerzin druipt van de reportage en een beetje journalist herkent — daar is echt geen close reading voor nodig — al snel het dilemma waarvoor Van Amerongen zich geplaatst zag: hoe kom ik zo snel mogelijk aan het gewenste aantal woorden en voorkom ik hoongelach en gezichtsverlies bij collega’s. De gang naar Canossa was een betere titel geweest. Zoon Aaron, die hem op de bewuste tocht vergezelde: «Hij moet het vreselijk hebben gevonden. Vakantie en dagtochtjes waren absoluut niet aan hem besteed, mijn moeder moest hem bij wijze van spreken met geweld meeslepen. We hadden in die tijd een weekendhuisje in de buurt van Marken, daar liet hij zich zelden zien. Ik kan me herinneren dat zelfs ik er geen zin in had die dag, daarom had ik een stapel Donald Ducks meegenomen. Ik heb het verhaal later wel op school laten zien, vond het maar wat stoer dat ik erin voorkwam.» Samen komen we tot de conclusie dat Van Amerongen junior wellicht bewust was meegenomen om in het verhaal als kapstok te dienen.

Aaron vermoedt dat zijn vader op die dag zijn vertrouwde driedelige pak droeg. «Als hij dus al met ons meeging op een dergelijk tripje, droeg hij nooit en te nimmer vrijetijdskleding. Maar meestal had hij wel een smoes om niet mee te hoeven, altijd moest hij wel een verhaal afmaken, of iets in die trant.» Het is daarom nauwelijks voor te stellen dat Martin van Amerongen ooit, met zijn gezin, een huifkartocht door Ierland heeft gemaakt. Volgens zoon Aaron is het beslist geen apocrief verhaal: «Ik weet niet hoe mijn moeder hem heeft meegelokt, maar ze zal wel iets over James Joyce hebben gezegd. Feit is dat alle foto’s van die reis spoorloos zijn verdwenen.»

In noodsituaties als «Volendam» kan de journalist trucs en kunstgrepen toepassen om alsnog aan het aantal gewenste woorden te komen. Zo snippert Van Amerongen citaten van een niet nader genoemde historicus door de reportage, hetgeen al met al aardig vult en zinnen oplevert als: «Broek in Waterland blijkt proper, zo proper zelfs, dat men de hoofdstraat ‹ongeschoeid› kan betreden. Er werd zo vaak en zo heftig aan de stookplaats (het ‹snuivertje›) gepoetst dat de ‹aangename disch er menigmaal bij inschiet›.» Maar er zijn ook eigen observaties: de zandloper op de preekstoel in de kerk van Broek wordt gebruikt om de lengte van de dienst te bepalen (precies een uur) en de orgelmuziek blijkt van een grammofoonplaat afkomstig te zijn. Van Amerongen constateert dat het kerstlied Nu syt wellecome wordt gedraaid en meldt dit aan de koster. Ach, mompelt de koster, die Amerikanen merken dat toch niet.

Vervolgens wordt Aaron van de preekstoel gejaagd omdat de bus naar Volendam vertrekt, dat, aldus Van Amerongen, bekend staat om zijn «beatclubs, gevels, voetbal en hul».

Droog somt hij een rits typisch Volendamse familienamen op, waaronder Smit, Molenaar en Schilder, en voegt daaraan toe dat veel inwoners op de visvangst afgestemde bijnamen als Aaltje, de Mossel, de Krab en de Garnaal dragen. In Volendam kunnen de toeristen kiezen uit het bezichtigen van een «Old Dutch Interior» in Hotel Spaander, een «good photo in Volendam-dress» of een bezoek aan een klompenmaker. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, maakt Van Amerongen zich er niet van af met een kwinkslag, terwijl dat juist bij dit soort treurigheid voor de hand ligt. Integendeel, hij volstaat met het opsommen van de bezienswaardigheden. Maar dan, plotseling, op de boot naar Marken, lijkt Van Amerongen zich te realiseren dat hij bij de lezers van Vrij Nederland een reputatie heeft hoog te houden en schrijft: «En ik, kleine slaaf van poëzie en taal, citeer Vondel: ‹Wanneer men uit de stroom en Pampus recht voorby, dan doet ter slincke hande in zee zich op wat weiland, dat Mareken heet, van ouds, een laegh en visschserseiland.›»

Het blijkt een wel zeer kortstondige literaire oprisping, want onmiddellijk hierna volgt een gortdroge beschouwing over de palinghandel en over de concurrentie tussen Marken en Volendam. Marken heeft de slag om de paling verloren en daarom is de verstandhouding tussen de twee dorpen nog steeds slecht. «De Volendammer is katholiek, open, materialistisch en flexibel. De Marker is orthodox-protestant, moeilijk toegankelijk, niet-mate rialistisch en weinig slagvaardig», schrijft hij, waarbij het niet duidelijk wordt of dit humoristisch is bedoeld.

Deze rake typering kan een citaat zijn van de eerder genoemde historicus of op Van Amerongens eigen waarneming berusten. Het blijkt in ieder geval een inleiding te zijn op een alinea die Van Amerongens slechtste repor tage ooit aan de vergetelheid zal ontrukken. Wellicht geïnspireerd door Herman Heijermans schrijft hij: «De traditionele volksziekte op Marken was TBC, nu nog weet iedere Marker het adres Nieuwe Achtergracht 100 — de GGD-vestiging waar zij zich met hun kwaal moesten melden. De traditionele volksziekten in Volendam zijn, althans waren — Roomse blijheid! — echter druiper en syfilis.»

Ik sluit niet uit dat Van Amerongen voor de aanvang van de tocht al wist dat hij deze passage koste wat het kost in de reportage zou verwerken. Je voelt het bijna venijnige plezier waarmee hij het verschil tussen twee door hem als inferieur beschouwde negorijen afdoet met TBC en druipers en syfilis. Met het citaat van Vondel behoort dit bijzonder grappige stukje, naast het vluchtig doornemen van het werk van «de historicus», waarschijnlijk tot de minimale voorbereiding die Van Amerongen trof voor deze door hem zo vermaledijde expeditie.

De kreet «Roomse blijheid!» in combinatie met druiper en syfilis is zeer des Van Amerongens en ontstijgt dit broddelwerkje — dat niet had misstaan in een Dominicus-reisgids. Het einde van Met Donald Duck de Gouwzee op wordt — geheel in overeenkomst met de teneur van het stuk — afgeraffeld. Van Amerongen besluit geen aandacht te besteden aan Sijtje Boes, toen nota bene Markens bekendste inwoonster, en de bus rijdt verder naar Monnickendam «waar het carillon, echter niet van de betreffende kerk, maar van het plaatselijke VVV-gebouw, ‹o Nederland, let op uw saek…; Alle man van Neerlands stam…› speelt». Waar hoor je dat nog in Nederland, verzucht Van Amerongen, die met een bos gerookte aal in de aktetas snel huiswaarts keert, «terwijl Aaron zich in Donald Duck in het land van de rijzende zon verdiept. Ken je die, pap, vraagt hij, die is hartstikke leuk», luidt de mysterieuze slotzin.

Een week later plaatst Vrij Nederland een boze brief met de kop Volksziekte. De Volendamse arts J.J. Tuyp schrijft dat hij al vijftig jaar in Volendam woont, waarvan 22 jaar als arts, en dat iedereen in Volendam alles weet over iedereen, zelfs als het over volksziekten gaat. De man ontkent het bestaan van druiper en syfilis in zijn woonplaats en sommeert Martin van Amerongen bronnen te noemen waarmee hij zijn beweringen kan staven. Graag een beetje vlug, blaft Tuyp, want een beetje op onze eer betrekken wij dit wel. Het naschrift van Van Amerongen luidt: «Zou ik mij, als ik mij als levenslustige Roomse jongen plotseling zag opgezadeld met een der genoemde ongesteldheden, vervoegen bij de reeds 22 jaar practiserende huisarts van een conservatieve gemeenschap waar zeker vroeger iedereen alles over iedereen wist? Of zou ik dan veiligheidshalve toch maar de bus nemen naar het grote, zondige en anonieme Amsterdam?»

Een paar weken later plaatst Vrij Nederland zowaar een rectificatie, die niet geheel van ingehouden pret gespeend is: «Rond de Gouwzee is de boosheid over ons reisverslag nog niet bekoeld. De boosheid concentreert zich op de zin ‹De traditionele volksziekten in Volendam zijn, althans waren — Roomse blijheid! — druiper en syfilis.› Wij vragen nadrukkelijk aandacht voor de formulering ‹zijn, althans waren›. Wij stellen er prijs op te beklemtonen dat wij echt niet hebben willen zeggen dat geheel mannelijk Volendam met een geslachtsziekte rondloopt. Diegenen die deze suggestie wel in de gewraakte zin lezen, beloven wij de volgende keer nog beter op onze woorden te passen.»

Maar de arts Tuyp neemt hier geen genoegen mee en sleept Martin van Amerongen bijna een jaar later voor de Raad voor de Journalistiek. Klager Tuyp noemt de beweringen uit de lucht gegrepen en voelt zich als Volendammer ernstig bezwaard. Als die volksziekten er waren, zou hij als arts daar zeker van op de hoogte zijn. Van Amerongen wijst op het lichtvoetige karakter van zijn reisverslag en op de formulering van de betwiste zin: «zijn, althans waren». Tuyp stelt geen genoegen te nemen met de geplaatste, «cynische» rectificatie. Het verweer van Martin van Amerongen — de absurditeit van deze zaak neemt grote vormen aan — is kostelijk: hij zegt in zijn naschrift bij de boze brief van Tuyp naar het wapen der ironie te hebben gegrepen. Nooit heeft Van Amerongen willen beweren dat de gehele mannelijke bevolking van Volendam met een geslachtsziekte rondloopt. Wel heeft betrokkene van verschillende kanten mededelingen ontvangen over een eczeem met een venerische achtergrond. Hij heeft deze berichten niet op wetenschappelijk verantwoorde manier gecontroleerd. Betrokkene (nog steeds Van Amerongen) erkent de bewuste zin te achteloos te hebben neer geschreven en betreurt het dat de formulering blijkbaar ruimte voor misverstand openliet. Het vonnis van de Raad voor de Journalistiek, op 25 april 1974, is vernietigend:

«Betrokkene heeft de betwiste zin uit de losse hand geschreven in het kader van een speels artikel. Maar hij is daarbij onzorgvuldig te werk gegaan: door het leggen van een verbinding tussen venerische ziekten en religie kreeg de zin het karakter van een duidelijk misplaatste grap. Nu betrokkene dat — blijkens zijn reactie op de klacht van de heer Tuyp — zelf inzag, had zijn rectificatie in Vrij Nederland wel royaler mogen zijn.»

Het meesterschap van Martin van Amerongen blijkt eens te meer uit het feit dat hij met één enkele maar vlijmscherpe passage een rel wist te veroorzaken. Zijn off day op de Gouwzee werd ruimschoots gecompenseerd door de media-aandacht die het «volksziektenschandaal» vervolgens kreeg. Dertig jaar later zal dat niemand meer lukken: het Jongeren Informatie Punt (JIP) te Volendam (0299-350501) heeft tegenwoordig een hele website gewijd aan geslachtsziekten: van schaamluis, syfilis en gonorroe tot chlamydia, trichomonas en genitale wratten. Dokter Tuyp zal zich in zijn graf omdraaien.