Ernstig stoelloos

Waar heb ik gewoond. Mijn vroegste huis herinner ik me niet. Was ik nog van onbestaan, inrichtingloos en meubelloos. Den Haag heette het, naar zeggen, een huis met een portiek, donkerrode stenen. Dan Curaçao, barakken, jongetje met oren op hoofd, grote vlakken zeil, ik rolschaats, ik heb ergens foto’s van lage rotanmeubelen, zelf heb ik ze nooit gezien, nooit, ik was zonder meubelen, ik heb een blikopener uit deze tijd bewaard, ik herinner me een ijskast, reusachtig groot, aan de wand een tekening van huizen aan een gracht in Delft, in een ziekenhuis speel ik met een bokserspel, ik was zes jaar. Meubelen? Gangen? Lopers?

Egmond aan Zee daarna. Ik sta achter gordijnen te wachten tot iemand me gaat roepen, ik herinner me niets van meubelen, bedden, keuken, we aten beneden in een grote zaal. Ik was zonder meer stoelzitter. Het woord ‘traplopertje’ doemt op. Waren er kleuren? Driezitsbank? Dag meneer, dag meneer, waarom praat u zo hard, meneer? Naar Nijmegen, verdieping boven, trap op, heel lang wachten maar waarop weet ik niet, meubelen waren er blijkbaar nog steeds niet, weet van niks, totaal afwezig dus, een kamer vermoedelijk, een bed was er, ik weet kleur noch ruimte. Planken? Behang met streepjes? De eerste grote boekenkast was de trap op bij Oma en Opa. In Delft. Vrijebantselaan nr. 3. Het grote begeren door Piet van Aken, ik ben negen jaar oud. Weer Nijmegen, wastafel in inham, lange gang, boven slapen. Ik denk Tomado-periode, slanke stalen buisjes ophangen, leken ook wel riemen, rode kleuren, blauwe kleuren, had alles dan kleur gekregen? Was ik oud genoeg voor kleur geworden? Nergens staan de meubelen in mijn herinnering, ik ben onbewust van stoelen opgegroeid. Ernstig stoelloos. Naar ander huis mee, dit was vergetelheid, ik verhuisde met de meubelen mee, voor het eerst tussen de meubelen gezeten, met boekenkast mee, ik had pas nu zicht op meubels meegekregen. De rotanmeubelenperiode. Ik kende alle woorden voor meubelen en huisinrichting maar gebruikte ze niet met voorbedachte rade. Keukenkastjes, doorgeefluik, crème-kleurig servies met bloemetjes erop en in de tuin de gouden regen. Ik was regent of beginnend eigenaar van vloerkleed, dat zie ik onder mijn voeten liggen, donkerroodbruine strepen, de laatste knikkerperiode, met knikkers erover heen en weer rollen. Meubels beginnen nu te schuiven, ze waren als meubels te zien geweest, voor het eerst, voor het eerst door mij, bedoel ik, ik was eindelijk waarnemer van alle vormen. Voor het eerst zag ik meubels, dat ze zichtbaar waren. Dit waren de stoelen en de banken. Naar volgend huis. Mijn ouders hadden eettafel met vier stoelen, tafelkleed, in de voorkamer skai-leren bankje, pickup onder plant, vanaf nu zicht op de inrichting van huizen, ik was deel van de inrichting geworden, een compilatie, gordijnen krijgen kleur, blauw, ik ben huisjongen, in behang ontstaan gezichten, bed met groene dekens, op zolder blaas ik rook uit sigaret. Meisje op bezoek? Jurkmeisje? Stoelen waren er, ze waren er altijd, en toch ook altijd geweest, met terugwerkende kracht, voor mij onverwacht, soms tegen de muur geschoven, dan stonden ze weer andersom, ze waren uit de vloer gegroeid, asbak van Opa op laag tafeltje, mannetje met hoog hoedje, briefpapier in opbergkast. Rotanmeubelen, mijn ouders hielden rotanmeubelen. Daarna ruime bank. Ik was eigenaar geworden.