ANNE VEGTER, EILAND BERG GLETSJER

Erotisch slagveld

Anne Vegter, Eiland berg gletsjer, € 17,50

Medium vegter eiland berg gletsjer

Sla je de eerste pagina van Anne Vegters nieuwe bundel open, dan kijk je recht in het kruis van een wijdbeens uitgestrekte vrouw. Iets verder op de achtergrond, als betrof het de afbeelding van een landschap, verrijst het ruige bergmassief van twee ongenaakbare borsten. Geen spoor van een hoofd. De bundel opent zich als een lichaam, en de lezer die wil weten wat erin staat, zal dit vreemde en intieme terrein moeten betreden. De bundel bevat een aantal seksueel expliciete tekeningen van de hand van Vegter zelf, die lichtelijk aan Egon Schiele herinneren, al zijn ze kaler en wanhopiger. Wat ze laten zien is een erotisch slagveld waar je van schrikt.

Anne Vegter (1958) heeft een naam hoog te houden waar het om erotiek gaat. Veelvuldig heeft ze in proza en poëzie de opwindende, maar ook de onbegrijpelijke en belachelijke aspecten van de geslachtelijkheid opgeroepen, maar nergens zo pregnant en overrompelend als in Eiland berg gletsjer. De titel roept een sfeer van eenzaamheid en onherbergzaamheid op, en de gedichten bevestigen de verwachting. Dit is geen taalspel. Dit is hardcore Romantic Agony, om de term van Mario Praz te lenen, met alle ironie en morbide perversiteit die daarbij horen. Ik hap naar adem als ik de gedichten lees.

Het boek valt uiteen in drie afdelingen. ‘Tramps’ telt twaalf gedichten die gezien kunnen worden als rijkgeschakeerde prelude, waarin de belangrijkste thema’s van het vervolg in fragmentarische vorm al een keer voorbijkomen. Afscheid, seks en ontrouw, de dood en de wurgende onontkoombaarheid van familiebanden, dat alles wordt springerig en met soms onthutsende geestigheid neergezet, terwijl consequent het raadsel in stand wordt gehouden. De spreker doolt improviserend rond in een absurd universum, de lezer struikelt met haar mee. Het tweede gedicht begint zo:

Je had het over gevoelstemperatuur, onder nul vond je het tussen mijn dijen

in de vertrekhal. Na je tas hebben we elkaar heart to heart omhelsd,

man ik kon je wel pijpen van plezier. Luister je eigenlijk nog.

Wat opvalt is de verwarrende incongruentie van de elementen afscheid en plezier, intimiteit en frigiditeit, en terwijl de eerste twee zinnen uit een brief aan een vertrokken geliefde zouden kunnen komen, suggereert het derde zinnetje nabijheid en irritatie. Als lezer tuimel je in deze bundel van regel naar regel, om doorgaans in verbijstering achter te blijven wanneer je het einde van de pagina hebt gehaald. Het geciteerde gedicht eindigt met een dwingend en hartverscheurend verzoek: ‘Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.’ In een ander gedicht zegt Vegter: ‘Lezers zoeken iemand om in uit te rusten.’ Dan zijn ze bij deze poëzie aan het verkeerde adres.

Het middendeel van de bundel bestaat uit een samenhangende reeks gedichten in tweeregelige strofen, die allemaal met ‘Ook als’ beginnen. De parallellie van de zinsbouw werkt als een litanie of een bezwering. De reeks vertelt het verhaal van een verterende en, zo wordt gesuggereerd, geheime liefde, die als een ‘diepteoorlog’ wordt aangeduid. De vrouw onderwerpt zich volledig aan een hartstocht die alleen maar verkeerd kan aflopen: ‘Ook als ik het ontzagwekkende volgens jou niet begrijp en mijn mond imiteert/ het geluid van brekende steen niet precies genoeg, te fijn, verschrikt, nieuw, neuk je me.’ En: ‘Ook als ik de veranderlijke betekenis van de letter l niet herken (leidmotief, leek,/ langparkeerder) en ik zeg lava op je salvo en of liefste het is de l maar, neuk je me.’ In de slotstrofe tracht ze haar positie te objectiveren door zichzelf aan te spreken. Ze zou ‘oplevend dood willen zijn/ als laatste hart (eiland), als laatste berg (buik) of gewoon schitterend als kut (gletsjer).’ Geen milde moeder aarde, geen troostende bevrediging, maar een verlaten arctisch landschap van geilheid en pijn.

De bundel wordt afgesloten met een lange monoloog bij monde van de dochter van Noach. Volgens het boek Genesis overleeft de aartsvader de zondvloed samen met zijn vrouw, zijn drie zoons en schoondochters, waarna dit gezin de aarde opnieuw bevolkt. In het laatste hoofdstuk van de episode ligt Noach half ontbloot zijn roes uit te slapen. Zijn zoons dekken hun vader toe om het decorumverlies aan het oog te onttrekken, maar wanneer Noach ontwaakt, vervloekt hij zijn jongste zoon, wiens nageslacht voortaan onderhorig zal zijn aan dat van zijn broers.

Het is een verontrustend verhaal over schuld en boete, macht en taboe, waarmee Vegter eigenzinnig aan de haal gaat. Na een wervelende beschrijving van de zondvloed constateert Noachs dochter dat haar broers onder het tirannieke bewind van hun vader tot slaafse zombies worden. Hun permanent menstruerende moeder kan het trauma van de natuurramp niet verwerken en loopt de zee in. Hoe kan voorkomen worden dat de mensheid alsnog uitsterft? Wanneer de dochter haar vader stomdronken in de duinen ziet liggen, bespringt ze hem als een ontembare minnares:

ik blaas in zijn haar

ik spreid zijn armen

ik trek zijn benen uit elkaar

ik neem de doeken van zijn lichaam

ik druk zijn gezicht in mijn schoot

Maar in plaats van een incestueuze copulatie gebeurt er iets wat zo mogelijk nog schokkender is: ze snijdt hem aan stukken, waarna ze zich naast hem uitstrekt en vaststelt: ‘ik adem zonder geluid’. Deze poëzie snijdt mij de adem af.


Hier openen

Ik heb een inkomentje van niks,

liefste, iets voor ouden van dagen.

Uit mijn broekje hangt een sliert

want moeder fokt, je moeder fokt.

Ik had een moeder die op zoek was

naar een bekendstaand psycholoog.

Ik hielp haar zoeken, zoekende

word je alleen anders dol. Werken,

tweede onderwerp. En mijn rug

was niet zo sterk. Wat doe je liefste,

als de mannen je willen. Eentje kwam

maar half, eentje bracht het tot vader.

De resten heb ik uitgekotst. Het was

een kwestie van dagen. Nu lig ik

op mijn moeder en gek van verdriet

zoek ik een ouder voor mijn kind.

De brief moet naar mijn zoon.