Ertussenin

‘STIEKEM DE TURNPAKJES van mijn zusje. Een panty van mijn moeder. Een jurk. Ik was een jaar of acht, negen toen ik meisjeskleren begon aan te trekken. Nieuwsgierig naar hoe het was om een meisje te zijn. Maar ik zag niet dat de andere jongetjes dat ook waren. We woonden in een dorpje in de Achterhoek. Mijn moeder is huisvrouw en mijn vader leraar metaalbewerking. Ik dacht: er is iets raars met me aan de hand.’

Opgetogen doet Jan den Besten zijn verhaal. We zitten op zijn kamertje (voor het gemak gebruiken we de mannelijke voornaamwoorden). Niks flamboyants aan, het is ingericht als de werkplek van een computernerd. Jan, biologisch een man, heeft lang, rood haar dat in een losse staart is samengebonden. De nagels zijn fel gelakt. Zijn kleding, strakke pyjamabroek en strak shirt, is niet bepaald mannelijk maar ook niet nadrukkelijk vrouwelijk. Jan ziet er een beetje alternatief uit. Met fladderende armen vertelt hij verder, over hoe in de puberteit zijn lichaam begon te veranderen. ‘Mijn penis begon groter te groeien - dat vond ik helemaal niet leuk. En ik kreeg daar allemaal haren. Maar vooral die penis. Ik dacht: wanneer komen die borstjes nou? Als ik ’s(avonds in bed lag, trok ik aan mijn tepels. Het hielp niets. Ik kon me niet identificeren met mannen en mannelijkheid. In het speelkwartier gingen alle jongens voetballen, een beetje rouwdouwen en stoer doen. Maar ik deed niet mee. Ik merkte in de loop van de puberteit dat ik seksueel opgewonden raakte als ik een turnpakje of een panty aantrok. En ik vroeg me af: ben ik nou homo? Maar nee, ik werd verliefd op meisjes, meisjesachtige meisjes. Ik wilde vriendinnen met ze zijn, want ik dacht: die gaan veel intiemer met elkaar om, veel warmer, ze praten over veel interessantere dingen - dat blijkt uiteindelijk wel mee te vallen. Verder hield ik van technisch lego en dat is weer iets wat je mannelijk zou kunnen noemen.’ Man of vrouw? Jan trok meisjeskleren aan, Jan wilde borsten en geen penis - vrouw dus! Maar zo simpel lag dat niet. 'Het was meer zo dat ik niet een man wilde zijn. En tja, de enige mogelijkheid die toen openbleef was: vrouw-zijn. Dat leek de logische consequentie. Mijn eerste vriendinnetje heb ik het verteld toen ik een jaar of achttien was. Ze reageerde hartstikke goed. Maar ja, ze noemde me wel af en toe een man en dat vond ik niet leuk. We gingen toen al met elkaar naar bed. Ik wilde wel graag met haar vrijen maar had niet echt een drang om ook te neuken. Ik wilde alleen vanille-seks, want ik had een heel negatief beeld van mannen, zag ze als verkrachters. Ik wilde me niet opdringen, geen macht hebben over mijn vriendin.’ Jans vrienden en familie reageerden uiteindelijk begrijpend. Jan schreef een boekje voor ze, om uit te leggen wie hij was. Op de voorkant staat een tekening van een muur. Een pijl met eronder een bordje 'Mannen’ wijst naar links. Het bordje 'Vrouwen’ heeft een pijl naar rechts. In het midden van de muur gaapt een groot gat. Jan past niet in een van de twee hokjes. En eigenlijk is hij daar inmiddels wel tevreden mee. 'Ik vind het niet erg dat ik een penis heb. Alleen mijn baardgroei zou ik weg willen hebben. En borsten; als ik ze nu ineens - ploep - zou hebben, zou ik ze niet weg laten halen. Of uitschuifbare borsten. Dat je er niet de héle dag mee rond hoeft te lopen. Een operatie wil ik niet. Ik ben niet man én niet vrouw. Op dit moment heb ik een maatje-vriendin en een vrij-vriendin. Beiden zijn geen typische meisjes.’ IN CAFE DANTZIG in Amsterdam treffen we Tim de Jong en Daniël. Ze zien eruit als jongensmeisjes of, zo je wilt, meisjesjongens. Daniël heeft kort donker haar, een tenger jongenslijf met een platte borst en zijn stem klinkt alsof hij de baard in de keel heeft. Zijn kaken hebben een zachte puberhuid waar geen spoortje van baardgroei op te bekennen is. Ook Tim ziet er androgyn uit. Kort haar, colbertje, mannenbroek. Van Tim de Jong verschijnt volgende maand Man of vrouw, min of meer: Gesprekken over een niet-gangbare sekse. 'Hzij’ - Tim wordt liever niet als hij óf zij aangeduid; de taal weerspiegelt de verstokte tweedeling tussen man en vrouw - heeft daarvoor met een tiental mensen gepraat die de vastliggende seksen als een knellend harnas ervaren. Ook al gaat het gevoel geen man en geen vrouw te zijn volgens Tim en Daniël terug tot de prehistorie, zo'n jaar of tien geleden werd er een nieuwe term voor gemunt: 'transgender’. Het begon in Amerika. In 1993 werd Brandon Teena vermoord, een transgender uit Nebraska die in een biologisch vrouwenlichaam was geboren, maar als man door het leven ging. Toen zijn vrienden dat ontdekten, verkrachtten en vermoorden ze hem. Het woord 'transgender’ bestond al, maar de moord was de aanleiding voor acties en protest. De transgenderbeweging ontstond. Dat wil zeggen: een transgenderbeweging in ruime zin. Transgender werd een parapluterm voor allerlei soorten mensen die zich niet gedroegen naar de seksecategorie waar ze officieel toe behoorden. Gays, travestieten, transseksuelen en zij die zich half man en half vrouw voelen, de 'transgenderisten’, sloegen de handen ineen. Boegbeeld van de transgenderbeweging werd Leslie Feinberg, die in 1993 de roman Stone Butch Blues en het pamflet Trans Liberation: A Movement whose Time Has Come publiceerde. In 1996 schreef Feinberg Trans Gender Warriors, 'onze eigen’ geschiedenis van seksebarrière-doorbrekers van Jeanne d'Arc tot Dennis Rodman. Het is gesteld in van dat typisch Amerikaanse actieproza vol 'wij’ en emancipatorische op-de-borst-klopperij. 'Zhij’ heeft ook een eigen domein op Internet, waarop een foto van een manvrouw met kort borstelig haar, gestoken in een breedgeschouderde blazer. En een Stone Butch Discussion Group. Enige voorwaarde: je moet de gelijknamige roman hebben gelezen. Via Angelsaksische publicaties, congressen en Internet kreeg de transgenderbeweging snel bekendheid in Nederland. Bijna vijf jaar geleden richtten Tim en Daniël Het Jongensuur op, een contactgroep voor 'personen’ die zijn geboren in een biologisch vrouwenlichaam, maar zich een beetje man of jongen of iets daartussenin voelen en (nog) geen medische ingrepen willen ondergaan. Mei 1996 verscheen het eerste nummer van Het Continuüm, een 'krant voor wie zich tussen de gendertweedeling beweegt’, en in hetzelfde jaar werd de Stichting Rene(e) opgericht, een organisatie die zich behalve voor travestieten en transseksuelen ook expliciet inzet voor transgenderisten. Daaronder verstaat de stichting mensen (vooral mannen) die zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken willen bezitten. In Man of vrouw, min of meer vertelt de seksuoloog Paul Vennix dat hij er in zijn onderzoek naar travestie achter kwam dat een opmerkelijk grote groep tussen travestie en transseksualiteit in zit. Hij extrapoleerde dat naar de hele Nederlandse bevolking en berekende dat er zo'n veertigduizend transgenderisten zijn. Ter vergelijking: er zijn ongeveer tweeduizend transseksuelen in Nederland. 'Transseksualiteit heeft de laatste jaren bekendheid gekregen’, zegt Tim de Jong. 'Het is op tv geweest, er zijn stapels krantenartikelen over geschreven. Voor travestie geldt dat ook. Maar mensen die zeggen: ik zit ertussenin, ik wil allebei, ik wil helemaal niet in een hokje, of ik wil elke dag wisselen, die zijn veel minder bekend.’ Daniël: 'Ik denk dat het meer energie vereist om dat geaccepteerd te krijgen. Het druist namelijk in tegen de primaire behoefte van mensen aan duidelijkheid. Ieder van ons wil weten wie of wat je bent. Het begint bij je sekse-identiteit en dan heb je twee mogelijkheden: man of vrouw. Daar wil men niet te lang over nadenken. Als het anders in elkaar zit, vindt de omgeving het prettig om te weten waar het naartoe gaat. Van man naar vrouw of van vrouw naar man. Maar als je die duidelijkheid niet biedt, als je zegt: ik weet het niet precies en dat is mijn duidelijkheid, dan raken mensen echt in verwarring.’ Toch duiken in het boek allerlei termen op. Derde sekse, tussenmens, mevreer, female faggot, hzij, in-between-man, androgyn - iedereen lijkt zichzelf anders te benoemen. Tim en Daniël hebben geen woord waarmee ze zichzelf aanduiden. Daniël: 'In Trans Gender Warriors staat een leuke lijst met antwoorden die je kunt geven als ze je vragen: ben je een jongen of een meisje? Ja. Inderdaad. Of: nee. Het is net hoe mijn pet staat wat ik zeg. Als je tante het vraagt, zeg je wat anders dan wanneer een voorbijganger het over straat gilt. Ik kan niet in één woord samenvatten wat ik ben. Voor de gein zeg ik dan wel mijn voornaam. Wat ben je eigenlijk? Ik ben Daniël. Of ik zeg: mens. Als ik ernstiger ben, vertel ik er altijd bij dat ik me in hoge mate jongen voel. Me ook als een jongen wil gedragen. Dan vragen mensen: hoe jongensachtig dan? Hoeveel procent? Maar dat is heel moeilijk te zeggen.’ Tim: 'Je wordt evengoed wel ingedeeld. Eventueel als vraagteken. Wat ik veel tegenkom is de vragende blik, niet eens de expliciete vraag.’ DE VERHALEN in het boek van Tim de Jong hebben dezelfde morfologie: de meeste geïnterviewden voelen zich al heel jong niet thuis in hun lichaam. De jongetjes spelen met poppen, de meisjes met autootjes. Ze identificeren zich met de andere sekse. Totdat ze beseffen: ik hoor niet helemaal bij de andere sekse. Vanaf haar derde voelde Daniël zich een jongen. Hij vond het vreselijk om in de puberteit te komen. Borsten te krijgen en te menstrueren. Hij kwam bij een psycholoog terecht die transseksuelen behandelt. Een jongensborst, dat wilde hij hebben. Na een aantal gesprekken werd hij geopereerd. Sinds kort gebruikt hij ook hormonen om er jongensachtiger uit te zien. Maar van verdere lichaamsbehandeling ziet hij waarschijnlijk af. 'De mate van transseksualiteit is wat afgenomen’, zegt Daniël. 'Ik was er in de prepuberteit van overtuigd dat ik een jongen was, maar door de puberteit ontwikkelde mijn lichaam zich. Ik ben op een gegeven moment minder gaan eten om dat minder te voelen. Mijn lichaam ben ik als volstrekt oneigen gaan ervaren. Als iets wat niet van mezelf is. Als ik op m'n twaalfde was behandeld in het VU-ziekenhuis, dan was ik misschien een jongen geweest met meer mannelijke kenmerken dan nu.’ John, een derde lid van Het Jongensuur komt binnen. Daniël en hij begroeten elkaar uitbundig met hoekige, jongensachtige bewegingen. 'Hé, man’, zeggen ze, en geven elkaar de high five. Jongens onder elkaar. Daniël is docent op een middelbare school. 'Dat is pijnlijk’, zegt hij. 'Ik beschouw mijn werk maar als een theater waar ik de rol speel van juf. Dat helpt een beetje. In mijn kennissenkring wordt steeds meer “hij” gebruikt, dat vind ik aangenamer klinken. Het doet zeer aan m'n oren en m'n ziel als ik verkeerd word aangesproken. Mijn naam is heel duidelijk Daniël, maar er zijn veel mensen die dat corrigeren tot Daniëlle. Ik ben naar mijn directeur gegaan en heb uitgelegd hoe m'n identiteit in elkaar zit. Hij zei: meid, het komt allemaal wel goed. My God, ik zat het net allemaal uit te leggen.’ John: 'Ik moet vaak meer uitleggen dan me lief is. Met collega’s met wie ik heel veel te maken heb, bespreek ik het wel. Je hebt echt het gevoel dat je een kleine revolutie moet plegen. Wil je begrepen worden, en niet nagekeken worden en aangestaard. Maar het gebeurt mij ook dat ik het helemaal heb uitgelegd en iemand het woord “meid” gebruikt.’ Daniël: 'Ik kan me ook herinneren dat ik op zijn werk kwam en dat ik bij de portier vroeg: is hij er ook? Dat is voor mij zo vanzelfsprekend. Dan zie je zo'n portier kijken. Je ziet de verwarring. Terwijl ik er niet eens over nadenk.’ UIT HET BOEK blijkt dat er heel veel verschillen zijn in het laten ingrijpen in het lichaam. Er zijn mannen die vrouwenborsten willen en hun penis willen houden, of die alleen voor een hormoonkuur en baardepilatie kiezen. Vrouwen die een mannenborst willen maar geen penis. In de medische wereld is er veel weerstand tegen dergelijke onvolledige transformaties. Als je in de transseksuele molen zit, moet je all the way gaan; het ziekenhuis is geen supermarkt. De mogelijkheid om medisch behandeld te worden is, naast het afschaffen van de verplichte sekseregistratie, een van de belangrijkste strijdpunten van de transgenderbeweging. Tim: 'Dat sommige mensen wél iets aan het lichaam veranderen en anderen niet, heeft te maken met de mate waarin mensen zich misplaatst voelen. Hoe erger de onvrede, hoe eerder je naar de dokter stapt. Het andere wat speelt, zijn de mogelijkheden. Als mensen graag een andere verpakking willen, krijgen ze het nooit zo mooi als ze het eigenlijk zouden willen. Dus veel mensen maken een afweging. En er is veel weerstand - “we gaan geen monsters maken!” Als je niet het standaardpakket wilt, krijg je het niet zo makkelijk voor elkaar. Behalve als je halverwege de behandeling stopt. Maar er zijn mensen binnen het genderteam van de VU die er nu over nadenken en het beleid willen gaan veranderen.’ Zijn er ook mensen die het heel aantrekkelijk vinden? vragen wij. Hard gelach. 'Gelukkig wel!’ roept Daniël. 'Je hebt zelfs het begrip transfans.’ John: 'Trany-chasers. Dat zijn de groupies. Afgelopen jaar was in Oxford een transgenderconferentie, en een van de deelnemers introduceerde dat begrip. Om aan te geven dat een grote groep mensen juist wél veel van transgenders en transseksuelen houdt. Maar over deze mensen is erg weinig onderzoek gedaan.’ Daniël: 'We liggen nu goed in de markt, geloof ik. Wij zijn voorzien. Iedereen van Het Jongensuur althans.’ LANGS EEN DIJKJE in Noord-Holland woont Madame Arthur met haar gezin: echtgenote Jos Brink en zoon Maarten. Aan de keukentafel zitten we op zaterdagmiddag achter de koffie. We kijken door een groot raam uit op de dijk en zien de mede-dijkbewoners heen en weer van dorp naar huis gaan. Zonder uitzondering wordt iedereen begroet. Zo te horen een doodgewoon Hollands tafereeltje. Zoon Maarten is gisteren wezen stappen. Als hij vertelt dat hij ladderzat was, sputtert zijn moeder: 'Nou, nou, ladderzat…’ Maar - vader Arthur heeft sinds enige tijd borsten. Als een vrouw. Zijn mannelijke geslachtsdeel wil hij ook niet kwijt. Hij is man én vrouw. Hoe dat zo gekomen is? Toen hij tien jaar oud was, trok hij al de nachtjaponnen en dusters van zijn moeder aan. Arthur: 'Ik had een vreselijke hekel aan macho-gedrag. Als ik de kans had, ging ik als een meisje met een pop spelen. Gymnastiek en voetbal vond ik vreselijk. Het hele jongensgebeuren vond ik een ramp. In de puberteit raakte ik echt helemaal gek op meiden. En op seks. Alles wat met seks te maken had, vond ik interessant. Wij zijn getrouwd in 1968. Op de huwelijksnacht zei ik: wat vind je ervan als ik een baard laat staan? Twintig jaar lang heb ik vervolgens een baard en snor gehad. Ik denk dat ik daarmee iets heb proberen af te leggen. Van tijd tot tijd heb ik me wel omgekleed. Dan was zij er niet en liep ik hier in haar kleren mét baard en een snor.’ Jos: 'Lagen de kinderen in bed. Achteraf zijn een heleboel dingen verklaarbaar. Om de paar jaar had-ie een maagzweer. Vreselijk gestresst. Sinds 1990: nooit meer.’ Want in 1990 vertelde Arthur het aan Jos. Als ze die dagen omhoog halen, vullen ze elkaar constant aan. Soms zeggen ze tegelijk dezelfde dingen. Arthur: 'Zij is ernstig ziek geworden. Heeft borstkanker gekregen en er is een borst geamputeerd.’ Jos: 'En de arts zei: er bestaan mogelijkheden voor reconstructie. Ik was niet meer mezelf. Ik voelde me ook niet meer vrouw. Toen heb ik een reconstructie gedaan.’ Arthur: 'En daar lag ze op de afdeling waar ook mensen getransformeerd worden.’ Zoon Maarten, die al de tijd heeft meegeluisterd en in herkenning meeknikt, mengt zich in het gesprek: 'Daar heb ik voor het eerst van mijn leven een transseksueel gezien!’ Jos: 'Moesten we hem uitleggen wat dat was!’ Arthur: 'Ik liep daar en ik dacht holy shit! - ik was jaloers! Ontzettend. Toen we weer gelukkig thuis waren, ik zal het nooit vergeten: zij zat daar op dat hoekje van de bank…’ Jos: 'Ik zei: ik voel me weer zo compleet. En toen zei hij: wees daar maar blij om, want dat heeft niet iedereen. Ik dacht: wat een ráre opmerking.’ Arthur: 'Het schoot eruit, hoor. Dat was niet bedacht. Maar zij wilde weten wat ik bedoelde.’ Jos: 'Dus hij zegt dat-ie af en toe vrouwenkleren aantrekt omdat-ie dat leuk vindt. Ik zeg: dan moet je dat doen! Jammer dat je dat niet eerder vertelde, want je had al die jaren gelukkiger kunnen zijn. Ik heb er nooit een probleem van gemaakt.’ Arthur: 'Toen kreeg ik een periode, ik ging er hélemaal voor. Zo uitbundig als ik maar kon.’ Jos: 'Hij zei: wil je me helpen met opmaken? Ik had het nog nooit bij een ander gedaan - het enige wat je doet is jezelf opmaken. Dus dat was vreemd: hou je oog dan dicht, anders krijg ik je oogschaduw niet op! Mensen vroegen: voel je je niet bedrogen? Dan zei ik: hoe kom je daar nou bij? Ik ben rijker geworden. Ik had een man, maar nu heb ik er een vriendin, een maatje en een minnares bij gekregen.’ Arthur: 'Het eerste jaar heb ik het voor Maarten verborgen gehouden. Maar later heb ik het hem wel verteld en hij heeft er nooit een probleem van gemaakt.’ Maarten: 'Het is en blijft gewoon mijn vader.’ Jos: 'Dan gaat Maarten ’s(avonds naar bed en zegt-ie: weltrusten dames. Het loopt hier allemaal kriskras door mekaar.’ Arthur: 'We gaan samen naar de Lellebellen in Amsterdam.’ Maarten: 'Ik ging een keer naar een café en daar kwam ik een paar buurmeisjes tegen. Dus ik zeg: hoe gaan jullie terug? Mijn vader komt me ophalen. Hij komt eraan en ik ga met mijn ladderzatte kop naar die auto toe.’ Jos: 'Nou nou, ladderzat…’ Maarten: 'En ik zeg: ah, daar is mijn vader. Nee, man, het is je moeder. Nee hoor, zeg ik. Hé pa, mogen de buurmeisjes ook mee? Ja, het is en blijft mijn vader hoor.’ Arthur: 'Ik ging het cultiveren. Ik wilde méér, me tonen, de deur uit. En ik wilde verder, maar ik voelde me niet transseksueel.’ Jos: 'Toen dacht ik: waar is nou het eind? Hij bleef doorgaan over hormonen. Toen ik een artikel las over transgenderisme wist ík eindelijk wat het was. Ik zei: nou gaan we ervoor ook.’ Ze zetten samen Stichting Rene(e) op, een telefonische hulplijn voor de drie T’s, Travestieten, Transgenderisten en Transseksuelen. Ze hopen ooit een glossy tijdschrift uit te geven met veel aandacht voor tussenmensen. Met elke week een 'genderfold’ in het midden. Hun ideaal is een Center Parcs waar alle T’s normaal op vakantie kunnen gaan. De naam hebben ze al: Gender Parcs. Want Arthur weet tegen welke problemen de T’s oplopen. Hij heeft zelf hemel en aarde moeten bewegen om van een arts hormonen te krijgen. Hij wilde niet het illegale circuit in. Aan de VU geloofde de arts na veel onderzoek dat Arthur een transgenderist was. Maar hij wilde hem níet helpen. Arthur: 'Hij zei dat ze geen mensen van het derde geslacht maakten, zal ik maar netjes zeggen. Ze ontkennen het nu en volgens Jos gebruikten ze een ander woord, maar volgens mij zeiden ze: gedrocht. Ik was helemaal kapot. Toen ik naar huis reed overwoog ik onder een vrachtwagen te kruipen.’ Arthur heeft een klacht ingediend bij de Inspectie van Volksgezondheid. Begin maart is hij uitgenodigd om op het ministerie te komen praten. Arthur wacht af. Ondertussen showt hij aan de keukentafel trots de welvingen onder zijn rode shirt. Zijn geslacht noemt hij 'een clitoris op een stokje’. 'Ach’, zegt Jos voor ze ons uitzwaait, 'het loopt hier allemaal kriskras door elkaar.’