Groen

Erwtensoep

Onlangs was ik weer eens in de stadstuin waar ik eerder met twee medehoveniers aan guerrillatuinieren deed. Dat houdt in dat je vaste planten of struiken die je niet langer in je tuin wenst, en dus als onkruid beschouwt, plompverloren in het gemeenteplantsoen poot (terwijl je natuurlijk wel steeds aandachtig en een tikje schuldbewust om je heen kijkt of er niet net mannen in gemeentepakken met schoffels in de buurt zijn). Het is iets waar je nooit zo op let, maar als u de volgende keer eens goed kijkt naar zo’n plantsoen, ontdekt u vast iets exotisch. Want wij drieën zijn natuurlijk niet de enigen die aan guerrillatuinieren doen.
De betreffende stadstuin is niet veel groter dan vijftig vierkante meter en een van de bewoners hielp ook nog mee. Kwam nog bij dat de hagen, bestaande uit taxus aan de ene kant en klimop aan de andere kant, kort daarvoor al door een ander hoveniersbedrijf waren gesnoeid. Tijdens de ochtendkoffie met croissants keken we naar buiten en vroegen ons af wat we eigenlijk moesten doen. ‘Wat moeten we eigenlijk doen?’ vroegen we. Nou, dit en dat, en dan ook nog even daar. Aha. We deden ons best, knipten her en der wat weg, plantten de winterviooltjes, stopten ettelijke tulpenbollen in de grond, versleepten een megapot met hortensia, maar na anderhalf uur was het toch echt klaar. Het werd ons ten strengste verboden iets te doen in het gemeenteplantsoen. Daarna was er heerlijke erwtensoep met roggebrood en spek en rode wijn. Er werd over van alles gesproken, net als eerder bij de ontvangstkoffie. Daarna spraken we nog weer over andere dingen, namen nog een glas wijn en aten een tweede stuk roggebrood met spek.
Ik was erg tevreden. Binnen was het warm, buiten begon het te spetteren. De hond die zo mooi knorren kan had zijn kop op mijn schoot gelegd. Ik zei: ‘Ik voel me intens tevreden.’ Alle anderen voelden dat ook. Kom daar maar eens om als je moederziel alleen thuis zit te schrijven. Ik snap werkelijk niet waarom niet iedereen hovenier wil worden.