De joden hebben het gedaan

Essay Hedendaags antisemitisme

Het antisemitisme in Europa wordt sterker en zichtbaarder. Steeds meer mensen projecteren hun onvrede over de wereld op ‘de jood’. En de vraag wordt gesteld of de joden misschien geen slachtoffers zijn, maar daders.

ALLEREERST EEN WAARSCHUWING voor de gezondheid. Het is sinds enige tijd behoorlijk moeilijk om een volwassen discussie te voeren over antisemitisme. In het Europa van na de Tweede Wereldoorlog heeft dat onderwerp, misschien meer dan alle andere, intense herinneringen en emoties losgemaakt. Het debat over de vraag waaruit antisemitisme bestaat, en waar het tot uitdrukking komt, kan een moreel mijnenveld zijn, en het kan positieve én negatieve invloed hebben op de houding van Europeanen tegenover joden. Als gevolg daarvan zien we regelmatig controverses over de vraag of een bepaalde uitspraak of handeling antisemitisch is of niet.
Zo oordeelde een hogere rechter in Keulen, Duitsland begin januari dat Henryk Broder, een Duits-joodse journalist, de uitspraken van een mede-jood, Evelyn Hecht-Galinski, mocht omschrijven als antisemitisch. ‘Zelfs Duitse rechters beginnen te begrijpen dat het niet voldoende is om jood te zijn om niet antisemitisch te zijn’, pochte Broder. Deze rechtszaak bracht een ander probleem aan het licht bij het begrijpen van de aard van hedendaags antisemitisme. In het recente verleden is de perceptie van joden nauw verweven geraakt met de kwestie-Israël. Dus had Broder de jodin Hecht-Galinski als antisemitisch afgeserveerd omdat ze het beleid van Israël vergeleek met dat van nazi-Duitsland. Wat Hecht-Galinski betrof was Broders bewering dat haar kritiek op Israël in die bewoordingen ‘antisemitisch’ was, pure laster.
Confrontaties als deze zouden ons eraan moeten herinneren dat er een krachtig subjectief en interpretatief element zit in hoe we de woorden en het gedrag van een ander individu karakteriseren – en die daden van interpretatie kunnen worden beïnvloed door onuitgesproken culturele en politieke aannames. Op dit moment zijn er op z’n minst vier belangrijke trends die ons begrip van de werking van antisemitisme compliceren.
Ten eerste spoort de hedendaagse westerse cultuur voortdurend groepen die zichzelf als slachtoffers zien aan om al het kwaad dat hen is aangedaan op te blazen. Dientengevolge wordt ons altijd voorgehouden dat het racisme op dit moment ernstiger is dan ooit, of dat homofobie en islamofobie groeiende zijn, of dat seksediscriminatie veel sterker is dan in het verleden. Vandaag de dag is het ondenkbaar dat bepaalde belangengroeperingen zouden toegeven dat vooroordelen en discriminatie tegen hun leden zijn verminderd, en dat de status van hun gemeenschap of volk is verbeterd. Zulke groepen zijn uiterst gevoelig voor hoe ze worden gerepresenteerd in de media, en voor de taal waarin over ze wordt gediscussieerd en geschreven. En die op identiteit gebaseerde gevoeligheid wordt gedeeld door joodse organisaties, die in de laatste decennia maar al te graag onduidelijke en dubbelzinnige verwijzingen naar hun volk interpreteerden als uitingen van antisemitisme.
Dus zou de beschuldiging dat een bepaalde uitspraak ‘antisemitisch’ is niet klakkeloos moeten worden aangenomen. Uitspraken en handelingen moeten worden geanalyseerd en geïnterpreteerd in hun context. Met name is het van belang de verleiding te weerstaan om uitspraken of gedrag antisemitisch te noemen door ervan uit te gaan dat het eigenlijk iets anders betekent. Een objectief oordeel vereist een analyse van wat daadwerkelijk werd gezegd in plaats van speculatie over de ‘werkelijke’ of ‘verborgen’ betekenis. In Groot-Brittannië kennen we al het irrationele concept van ‘onbedoeld racisme’, en binnenkort kunnen we beschuldigingen van ‘onbedoeld antisemitisme’ verwachten tegen individuen die volgens de slimme interpretaties van andere mensen antisemitisch zijn.
De tweede complicatie is dat in de afgelopen decennia de verdedigers van het zionisme de ongelukkige gewoonte hebben ontwikkeld om kritiek op Israël een vorm van antisemitisme te noemen. Het doel van die retorische aanvallen is om de morele status van Israëls critici af te breken en zodoende te vermijden dat serieus moet worden ingegaan op hun vaak moeilijke, overtuigende argumenten. Deze uiterst defensieve reactie op Israël-kritiek leidt ertoe dat de morele waarde van antisemitisme-beschuldigingen wordt ondermijnd. De mensen die antizionistisch zijn kunnen vaak Israëlische politici en hun aanhangers verwijten dat ze zich ‘verschuilen achter’ de beschuldiging van antisemitisme. Erger nog, de propagandistische koppeling door de pro-Israël-beweging van antizionisme en antisemitisme heeft anderen ertoe aangezet het conceptuele onderscheid tussen zionisme en joden te doen vervagen.
De derde complicatie is de heiligverklaring van de holocaust. In Europa is de holocaust in de laatste jaren geïnstitutionaliseerd als een absoluut moreel ijkpunt. In het onderwijs, de cultuur en het openbare leven is de holocaust veranderd in hét kenmerk van het kwaad. Veel landen in de Europese Unie hebben wetten aangenomen tegen het ontkennen van de holocaust. Door deze sanctificatie zijn Europese overheden in staat om morele autoriteit te claimen waar het gaat om goed en kwaad, juist en onjuist, met betrekking tot het verleden en het heden.
Jammer genoeg helpt het op deze manier transformeren van de holocaust niet om mensen besef bij te brengen van die verschrikkelijke gebeurtenis. Integendeel, veel Europeanen ervaren de politisering van de holocaust als een bureaucratisch project, iets dat ver van ze af staat. Een verontrustend gevolg van de politisering van de holocaust is dat het moeilijker wordt om erachter te komen wat mensen nu werkelijk denken over joden; tenslotte zullen mensen in omstandigheden waar de officiële versie van de holocaust niet betwijfeld kan worden, en waar je zelfs strafbaar bent als je dat wel doet, niet snel zeggen: ‘Ik heb een hekel aan joden’ of andere openlijk antisemitische gevoelens uitdrukken. Desondanks heeft de manipulatie door de overheid van de herinnering aan de holocaust om morele autoriteit te verkrijgen het voorspelbare gevolg gehad dat er cynisme werd gekweekt over die gruwelijke episode. Er zijn Europeanen die vinden dat er in deze tijd ‘te veel’ wordt gemaakt van de holocaust, maar zulke dingen zeggen ze zelden in het openbaar.
De vierde complicatie vertegenwoordigt het grootste probleem. Omdat er in het huidige Europa vele en verschillende obstakels zijn voor de uitdrukking van antisemitische gevoelens in hun traditionele vorm, worden vooroordelen ten opzichte van joden eerder indirect geuit, aan de hand van andere kwesties. Hoewel kritiek op Israël onderscheiden kan en moet worden van vooroordelen jegens joden is dat onderscheid in de afgelopen jaren aanzienlijk uitgehold. Daardoor hebben enkele mensen de anti-Israël-gedachte omhelsd als een manier om iets duidelijk te maken over hun houding tegenover joden. Als socioloog weet ik hoe riskant het is om een gevoel toe te schrijven aan een uitspraak die niet expliciet wordt gedaan – en daarom moet deze discussie zorgvuldig worden gevoerd, en moeten zulke interpretatieve uitspraken over anti-Israël/antisemitische ideeën duidelijk worden gerechtvaardigd. >
NIEUWE UITDRUKKINGEN VAN ANTISEMITISME
Er is overtuigend bewijs dat in het recente verleden het antisemitisme in Europa zichtbaarder en sterker is geworden. In het afgelopen decennium, en met name sinds het uitbreken van de Gaza-oorlog, zijn anti-Israël-sentimenten vaak gemuteerd in anti-joodse gevoelens. Recente gebeurtenissen laten zien dat in Europa het traditionele onderscheid tussen antizionistische en anti-joodse sentimenten vaag is geworden.
Dus riep onlangs, tijdens een demonstratie tegen de Israëlische acties in Gaza, het SP-Tweede-Kamerlid Harry van Bommel op tot een nieuwe intifada tegen Israël. Hij heeft natuurlijk het recht dit politieke standpunt uit te dragen. Maar hij werd een handlanger van antisemieten toen hij besloot niets te doen bij het horen van de spreekkoren ‘Hamas, Hamas, joden aan het gas’ en vergelijkbare anti-joodse kreten. Veel mensen die beter zouden moeten weten houden nu hun mond wanneer ze teksten horen als ‘Dood aan de joden’ of ‘Joden in de oven’ tijdens anti-Israël-demonstraties. Bij een recent protest in Londen maakten dergelijke spreekkoren weinig reactie los bij individuen die zichzelf normaal gesproken beschouwen als progressieve antiracisten – noch leken ze in verlegenheid gebracht door een man die zich had verkleed als een racistische joodse karikatuur, met een ‘Jodenmasker’ op met een gebogen neus terwijl hij deed alsof hij bloederige baby’s opat.
Steeds vaker nemen demonstranten joden onder vuur omdat het joden zijn. Ze hebben gepleit voor het boycotten en zelfs aanvallen van ‘Israëlische winkels’, maar in de praktijk betekent dit het boycotten en aanvallen van winkels van joodse eigenaren, zoals Marks & Spencer (waarvan enkele filialen zijn gebarricadeerd door anti-Israël-demonstranten) en Starbucks (waarvan er een paar werden belaagd in Londen en elders). Sommige demonstranten in Italië hebben niet de linguïstische subtiliteit van degenen die oproepen tot een boycot van ‘Israëlische winkels’. Giancarlo Desiderati, woordvoerder van de vakbond Flaica-Cub, heeft opgeroepen tot een boycot van joodse zaken in Rome. Een flyer van zijn bond vertelde de Romeinen dat alles wat ze kopen in winkels van joodse eigenaren ‘bevlekt met bloed’ zal zijn.
Hier zien we een bijna moeiteloze conceptuele sprong van kritiek op Israël naar het onder vuur nemen van joden. Desiderati verklaarde dat zijn organisatie al had opgeroepen tot een boycot van Israëlische goederen voordat de logische volgende stap werd gezet naar de eis van een boycot van joodse winkels. Hij zei dat zijn bond een lijst samenstelde van joodse winkels, ‘hoewel het misschien beter zou zijn om een lijst te publiceren met straten waar de meerderheid van de winkels joods is en mensen te vragen die straten te vermijden als ze gaan winkelen’.
Antisemitisme in Europa is niet simpelweg een retorisch tijdverdrijf van islamisten of pro-Palestina-demonstranten. In Engeland zijn joodse schoolkinderen in elkaar geslagen omdat ze behoren tot een volk met ‘bloed aan hun handen’. Hun ouders worden geïntimideerd en uitgescholden. Het meest verontrustend aan deze ontwikkelingen is de onwil van de Europese maatschappij om antisemitische daden te erkennen en ertegen op te treden. Neem de rellen die op 3 januari uitbraken in Parijs. Als je vertrouwde op berichten in de mainstream media zou je nooit hebben geweten dat groepen jongeren ‘dood aan de joden’ schreeuwden terwijl ze stenen gooiden naar de politie. In dit geval werden uitingen van antisemitisme niet eens correct beschreven, laat staan dat ze in het publieke debat werden behandeld.
Waarschijnlijk het treurigste voorbeeld van deze aanpassing aan antisemitisme komt uit Denemarken. In de geschiedenis is dat land altijd een van meest verlichte van Europa geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog konden de nazi’s in Denemarken vrijwel niemand vinden die wilde meewerken met hun anti-joden-politiek. Daarom is het droevig om vandaag de dag verslagen te lezen over Deense schoolambtenaren die joodse kinderen afraden naar hun scholen te gaan. Het begon vorige week, toen Olav Nielsen, hoofd van de Humlehave-school in Odense, publiekelijk verklaarde dat hij ‘de wensen van joodse ouders niet zou inwilligen’ die hun kinderen op die school wilden doen, omdat het spanningen zou oproepen met de moslimkinderen. Andere schoolhoofden herhaalden zijn weigering om kinderen van joden toe te laten, onder het mom dat ze de veiligheid van de kinderen voorop stelden. Wat hun bedoelingen ook waren, deze pedagogen brachten de krachtige boodschap dat, in het belang van ‘gezondheid en veiligheid’ de gettoïsering van joodse kinderen een acceptabel en zelfs verstandig idee kan zijn.

ANTISEMITISME OP LINKS
Een reden waarom antisemitisme zichtbaarder en sterker is geworden is dat moslimjongeren die demonstreren tegen Israël relatief weinig op hebben met de Europese kosmopolitische ethiek die openlijke expressie van anti-joodse sentimenten strafbaar stelt. Daarom zijn ze minder terughoudend dan andere demonstranten om expliciet joden aan te vallen – verbaal en soms fysiek – omdat het joden zijn. In hun optiek is Israël joods en zijn daarom alle joden legitieme doelwitten van hun woede. Hun weigering onderscheid te maken tussen joodse mensen en Israël is een schop tegen het zere been geweest voor sommige liberaal denkende moslims. Een recente brief ondertekend door prominente Britse moslims veroordeelde de aan Gaza gerelateerde golf aanslagen op joden en synagogen, omdat ‘Britse joden niet verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de daden van de Israëlische overheid’. Zulke statements, die publiekelijk het probleem erkennen dat joden worden vereenzelvigd met de daden van de Israëlische regering, zijn in deze tijd echter zeldzaam.
Een gevolg van de opkomst van openlijk antisemitisme onder moslimjongeren is dat andere mensen zich gerechtigd voelden om meer traditionele vormen van Europees antisemitisme te uiten. Klassieke antisemitische verhalen over joden die te veel macht en invloed hebben zijn in de afgelopen jaren wijdverbreid geraakt. Maar de meest opvallende ontwikkeling is geweest de absorptie van antisemitische sentimenten door Europeanen die zichzelf in politieke zin links noemen.
Het onderscheid tussen links en rechts is in de afgelopen jaren steeds onduidelijker geworden. Maar we moeten niet vergeten dat antisemitisme in Europa in het verleden overwegend was verbonden aan rechtse, nationalistische bewegingen. En een groot deel van Europees links speelde een sleutelrol in het bestrijden van vooroordelen over joden.
Hoewel antisemitisme nog steeds bestaat binnen delen van rechts en extreem-rechts heeft het in het laatste decennium ook steun gekregen van de linkervleugel. Een onderzoek met de titel Ongunstige visies op joden en moslims in opkomst in Europa, gepubliceerd in september 2007, wees uit dat 37 procent van de respondenten die zichzelf zagen als politiek rechts en 28 procent van degenen die zichzelf links noemden een ongunstige indruk had van joden. Degenen van wie het minst te verwachten was dat ze zulke vooroordelen zouden koesteren – 26 procent – positioneerden zichzelf in het ‘politieke midden’. Het onderzoek, dat werd uitgevoerd in het voorjaar van 2007, enige tijd voor de recente uitbraak van de Gaza-oorlog, suggereert dat negatieve ideeën over joden al bestonden vóór de recentste oorlog die Israël voerde.
De mensen die actief zijn in de linkse politiek koesteren meestal geen coherente anti-joodse vooroordelen. Desondanks is een verontrustende ontwikkeling in de afgelopen jaren geweest de weigering van linkse anti-Israël-demonstranten om expliciete manifestaties van antisemitisme te bestrijden. Die aanpassing aan vooroordelen wordt vaak ingegeven door morele lafheid. Anderen proberen te rechtvaardigen dat ze niet optreden tegen antisemitisme met de stelling dat kritiek op de vooroordelen van moslimjongeren alleen maar Israël zou vrijpleiten. Er zijn mensen die zeggen dat het gedrag van Israël Europa ontslaat van de morele plicht te sympathiseren met joden of joodse gevoelens. Die houding werd onomwonden verwoord door de Italiaanse vakbondsleider Desiderati, die zei: ‘Vijftig jaar lang hebben we ons druk gemaakt over de joden om wat ze hebben ondergaan tijdens de holocaust, maar nu is het tijd om ons druk te maken over de Palestijnen, die de joden van vandaag zijn.’
Het meest onrustbarend in het Europa van vandaag is niet het expliciete vitriool gericht tegen joden door radicale moslimgroeperingen of extreem-rechtse partijen, maar de nieuwe cultuur van aanpassing aan het antisemitisme. We zien de opkomst van een ietwat besmuikte ‘horen, zien en zwijgen’-houding die veel te veel ‘begrip’ toont voor uitingen van antisemitisme. De karakteristieke reactie op anti-joodse vooroordelen is de bewering dat het niet antisemitisch is, maar slechts anti-Israël. Soms kijken zelfs politiek correcte pleitbezorgers van diversiteit en antiracisme de andere kant op als het gaat om het bestrijden van anti-joodse commentaren.

HEEFT HET NIEUWE ANTISEMITISME IETS TE MAKEN MET JODEN?
Het interessantste voorbeeld van de opkomst van Europees antisemitisme is Spanje. Spanje is het enige Europese land waar negatieve ideeën over joden (bij 46 procent van de respondenten bij een onderzoek) lijken te winnen van positieve (37 procent). Volgens een recente peiling is het antisemitisme in Spanje dramatisch toegenomen in de afgelopen drie jaar. Ongunstige ideeën over joden zijn meer dan verdubbeld, van 21 procent in 2005 tot 46 procent in 2008.
Waar die groei van antisemitische sentimenten in Spanje vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Het is natuurlijk mogelijk dat het onderzoek niet de echte gevoelens en overtuigingen van de respondenten weergaf, en de negatieve emoties de overhand gaf. Bovendien is iemand die een negatieve houding ten opzichte van joden uitdraagt niet per definitie een antisemiet: we moeten een belangrijk onderscheid maken tussen negatieve stereotypen van een volk en een gevoel van haat jegens dat volk. Ook is het waarschijnlijk dat Spanjaarden, net als jonge moslims, zich minder geremd voelen om hun ideeën te verwoorden dan respondenten van onderzoeken in andere landen – en dus is de kloof tussen Spanjaarden en andere Europeanen wat de jodenkwestie betreft misschien kleiner dan deze recente cijfers suggereren. Andere onderzoeken lijken een vergelijkbaar patroon van groeiend antisemitisch sentiment in Spanje te hebben gevonden.
Een onderzoek dat werd uitgevoerd door de Anti-Laster Liga wees uit dat 47 procent van de Spaanse respondenten ‘waarschijnlijk juist’ antwoordde over minstens drie van de vier antisemitische stereotypen die ze kregen voorgelegd. Nog belangrijker is een recente peiling in opdracht van het Spaanse ministerie van Onderwijs: die wees uit dat meer dan vijftig procent van de middelbare-schoolleerlingen liever niet naast een joodse klasgenoot wilde zitten.
Aangezien Spanje een piepkleine joodse populatie heeft – minder dan twintigduizend – ligt het niet voor de hand dat ideeën over die minderheid zijn gebaseerd op enige reële interactie met die mensen. Veeleer lijkt het erop dat in Spanje negatieve ideeën over joden mede zijn gebaseerd op de gedachte dat deze mensen geen echte loyaliteit kennen aan de landen waar ze wonen – in dit geval Spanje – en ook dat ze in internationaal opzicht een soms destructieve rol spelen. In Spanje is het antisemitisme gekoppeld aan het overheersende gevoel van anti-Amerikanisme. Veel publieke figuren wijten de economische crisis van Spanje aan de invloed van Amerika op het mondiale financiële systeem. Die visie lijkt te worden geschraagd door een diffuus besef van frustratie over onze onzekere wereld, waar onzichtbare krachten gepersonifieerd kunnen worden in het beeld van de karikaturale jood. Dat sentiment wordt onbedoeld gecultiveerd door de Spaanse socialistische regering van José Luis Rodríguez Zapatero, die ten diepste Israël-vijandig is, en door de frequente weigering van de Spaanse media om onderscheid te maken tussen Israël en joden. Cartoons die kritisch zijn over Israël in Spaanse kranten en tijdschriften beelden soms middeleeuwse antisemitische karikaturen af. Tijdens een diner eind 2005 liet Zapatero zich iets ontglippen dat anti-Israël was. Het was niet de bedoeling maar mensen hoorden dat hij zei: ‘Es que a veces hasta se entiende que haya gente que puede justificar el holocaust.’ In het Nederlands: ‘Soms kun je je zelfs voorstellen dat er mensen zouden zijn die de holocaust zouden kunnen rechtvaardigen.’
Negatieve Spaanse ideeën over joden hebben weinig te maken met de joden zelf, of met enige wijdverbreide steun voor het Palestijnse volk. Onderzoeken wijzen dan wel uit dat negatieve ideeën over joden zich zelden vertalen in positieve ideeën over moslims: 52 procent van de Spaanse respondenten gaf aan dat ze eveneens een ongunstig beeld heeft van moslims. Dus ook al lopen Zapatero en enkele van zijn socialistische collega’s soms rond in Palestijnse sjaals, het publiek deelt hun enthousiasme voor dit politieke doel niet. In plaats daarvan is het een gevoel van vage frustratie, een besef dat we in een onzekere en onvoorspelbare wereld leven dat de incoherente vijandigheid voedt jegens die schijnbare profiteurs van de mondiale economie: karikaturale Amerikanen en joden.
Net als in Spanje is er ook elders in Europa overtuigend bewijs dat anti-joodse gevoelens al enige tijd aan het toenemen zijn, en dat ze worden gevoed door culturele factoren die weinig te maken hebben met de gebeurtenissen in Gaza. In de laatste twee decennia, en met name sinds 2001, zijn antiwesterse gevoelens onder Europese moslims vaak uitgedrukt in de taal van het antisemitisme. Veroordelingen van Amerika gaan vaak hand in hand met aanvallen op de vermeende invloed van de joodse lobby. Dergelijke standpunten winnen aan kracht in deze nieuwe eeuw. Zo wees een onderzoek uit 2002 uit dat 25 procent van de Duitse respondenten het standpunt deelde dat ‘joodse invloed’ op het Amerikaanse beleid een belangrijke reden was waarom de regering-Bush Irak binnenviel. Het associëren van joden met handel, financiën en de media heeft hedendaagse anti-consumenten- en anti-moderne bewegingen ertoe aangezet de invloed van ‘deze mensen’ met ernstige bezorgdheid te bezien. Dan wekt het toch nauwelijks verbazing dat er vorig jaar een explosie van samenzweringstheorieën op het internet te zien was die de schuld van de huidige financiële crisis gaven aan joodse bankiers?

STRIJDEN OM DE AUTORITEIT VAN DE HOLOCAUST
De metamorfose van anti-Israël-gevoelens tot anti-joodse gevoelens is gelijk op gegaan met de groeiende neiging de holocaust los te maken van zijn historische context. Steeds vaker wordt er over de holocaust gesproken niet als een specifieke historische gebeurtenis waarbij de joden de slachtoffers waren, maar als een terugkerend verschijnsel – we hebben nu vele ‘holocausten’ – dat zich telkens opnieuw voordoet in de geschiedenis van de mensheid, van Auschwitz tot Bosnië tot Darfur. Dit maakt niet alleen de holocaust los van de joodse slachtoffers ervan, het houdt ook in dat de holocaust kan worden gerecycled als een morele veroordeling van Israël zelf, en van de mensen die bij Israël horen.
Al sinds enige tijd hebben vele critici van Israël beweerd dat de manier waarop het land Palestijnen behandelt vergelijkbaar is met het gedrag van de nazi’s ten opzichte van de joden. Zo wees een onderzoek onder Duitsers in 2004 uit dat 68 procent van de respondenten geloofde dat Israël een vernietigingsoorlog voert tegen de Palestijnen, en 51 procent zei dat wat Israël de Palestijnen heeft aangedaan in principe niet verschilt van wat de nazi’s de joden aandeden.
De afgelopen vijf jaar heeft de retorische strategie om Israël te vergelijken met de Endlösung van Hitler meer en meer terrein gewonnen. Critici van het zionisme duiden het Gaza-conflict steeds vaker aan de hand van vergelijkingen met de holocaust en afbeeldingen ervan. Als gevolg daarvan schilderen demonstranten tegen de huidige invasie van Gaza Israël vaak af als een 21ste-eeuwse nazi-oorlogsmachine. Vanuit dit perspectief staat het volk van Gaza een lot te wachten dat vergelijkbaar is met dat van de inwoners van de joodse getto’s in het Europa van de jaren dertig en veertig. Dat standpunt werd met kracht uitgedragen door de voormalige burgemeester van Londen, Ken Livingstone, die zei dat de Israëliërs ‘zullen voortgaan een Warschau-getto te creëren in het Midden-Oosten’.
Critici van Israël, sommigen onbewust, anderen bewust, proberen de symbolische autoriteit van de holocaust tegen Israël in te zetten. Zij beschuldigen regelmatig de Israëlische regering ervan dat ze handelt als nazi’s. Gerespecteerde media-instituten in het Westen beweren meer dan eens dat Israël bezig is met ‘etnische schoonmaak’, ‘genocide’, ‘misdaden tegen de menselijkheid’; er zijn critici die Theodor Herzl, de founding father van het zionisme, vergelijken met Adolf Hitler. De Israëlische of joodse medeplichtigheid aan de oorlogsmisdaden van de Israëlische regering wordt zelfs nog ingrijpender genoemd dan de medeplichtigheid van het Duitse volk aan de misdaden van de nazi’s. Sommigen spreken van de ‘nazificering’ van de Israëlische maatschappij, waarmee een omkering van de rollen wordt gesuggereerd, waardoor de joden het 21ste-eeuwse equivalent worden van hun voormalige onderdrukkers.
Als de holocaust wordt losgemaakt van de joodse ervaring, dan heeft dat als gevolg dat een cynische en sceptische houding tegenover het joodse slachtofferschap wordt gestimuleerd; het zet aan tot vraagtekens bij de status van de joden als de slachtoffers van de nazi’s. Er zijn bewijzen dat de associatie van joods-zijn met oorlogsmisdaden in deze tijd wordt gebruikt om de geschiedenis achterstevoren te interpreteren, zodat dit volk verantwoordelijkheid gaat dragen voor wat er is gebeurd tijdens de holocaust. Volgens een belangwekkend onderzoek naar antisemitisme in Europa worden vooroordelen ‘achterwaarts geprojecteerd om gedrag tegenover joden in vroegere conflicten te rechtvaardigen’. Het onderzoek stelt dat ‘in deze context antisemitische uitlatingen tegenwoordig vaak tot doel hebben schuld en verantwoordelijkheid voor de vervolging van de joden [in het verleden] af te wijzen’. Dat standpunt is het meest zichtbaar in samenlevingen die intensief betrokken waren bij de vervolging van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog; volgens diverse onderzoeken werd het idee dat de joden verantwoordelijk waren voor hun eigen vervolging gedeeld door dertig procent van de respondenten in Rusland, 27 procent in Oekraïne, 35 procent in Wit-Rusland, 31 procent in Litouwen en 17 procent in Duitsland in 2004.
Hedendaagse ideeën over joden worden beïnvloed door een voortdurende interactie tussen het heden en het verleden. De pogingen van de vijanden van Israël om de symboliek van de holocaust te gebruiken worden ondersteund door het idee dat die tragedie kan worden gebruikt om serieuze morele autoriteit te verkrijgen. Tegelijkertijd vraagt het heruitvinden van Israël als een nieuwe nazi-oorlogsmachine impliciet om het herschrijven van het verleden. Joden beschuldigen van misdaden in deze tijd kweekt scepsis over hun vroegere morele status als slachtoffers van de nazi’s. Het is dus heel paradoxaal: hoewel antisemitische ideeën in deze tijd weinig te maken hebben met de omgang van mensen met echte joden hebben ze hun weerslag op joden en zijn ze een voedingsbodem voor een cultuur van scepsis over hun rol als de historische slachtoffers van de meest duistere periode in de Europese geschiedenis.

Frank Furedi is hoogleraar sociologie aan de University of Kent. Hij publiceerde onder meer Paranoid Parenting, Where Have All the Intellectuals Gone? en Culture of Fear. Zijn meest recente is Invitation To Terror: The Expanding Empire of The Unknown (Continuum Press). Zie ook www.frankfuredi.com

Vertaling: Rob van Erkelens


Antisemitisme in Nederland

Ook in Nederland neemt het antisemitisme toe, zo blijkt uit rapportage van onder meer de Anne Frank Stichting en de Landelijke Vereniging van Antidiscriminatie Bureaus en Meldpunten (LVADB). Het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) spreekt zelfs van een ‘nieuwe fase van jodenhaat’. Volgens voorlopige cijfers zijn er in de afgelopen maand net zo veel antisemitische incidenten geweest als in heel 2007.
De toename hangt samen met de oorlog in Gaza. Er bestaat al langer een direct verband tussen het Palestijns-Israëlisch conflict en antisemitische uitingen en daden op Nederlandse bodem. Met name Marokkaanse jongeren koppelen hun kritiek op Israël, uit solidariteit met ‘de Palestijnse moslimbroeders’, aan antizionisme en antisemitisme. Zij worden daarin gesteund door onder anderen de Internationale Socialisten, sommige SP’ers en Gretta Duisenberg van het Palestina Komitee.
Vorige maand werd het Sinaï Centrum, een joodse instelling voor geestelijke gezondheid in Amstelveen, beschoten. Bij pro-Palestijnse demonstraties begin dit jaar zijn tientallen arrestaties verricht vanwege anti-joodse leuzen en parallellen met de Tweede Wereldoorlog, zoals borden met daarop het portret van Anne Frank met een Palestijnse sjaal om en leuzen als: ‘Anne Frank zou zich in haar graf omdraaien’. Er zijn gevallen gemeld van joden die op straat door islamitische jongeren zijn bedreigd.
Synagogen en joodse begraafplaatsen zijn al langer het doelwit van vernielingen en worden beklad met hakenkruizen. Aanzetten tot haat en belediging van groepen mensen is wettelijk strafbaar, maar doorgaans leiden antisemitische uitspraken niet tot een gang naar de rechter. Plegers van vernielingen en geweld, die ook moeten worden gezocht binnen rechts-extremistische groeperingen, worden zelden betrapt en gepakt. De registratie van incidenten is slechts gedeeltelijk een weergave van de werkelijke omvang van het antisemitisme. Veel meldingen worden niet gedaan, uit angst. Daarbij komt dat joodse instellingen al jaren preventief handelen. Alle joodse scholen, waarvan de meeste in Amsterdam staan, worden beveiligd. Joden die als zodanig herkenbaar zijn, bijvoorbeeld omdat ze een keppeltje dragen, mijden wijken waarvan bekend is dat er veel moslims wonen.
Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) meldt een toename van antisemitisme op Marokkaanse en islamitische sites. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft is terug te voeren op internationale conflicten, maar antisemitisme wordt ook gevoed door andere bronnen, zoals virulente anti-joodse propaganda vanuit het Midden-Oosten en preken van radicale imams in Nederlandse moskeeën.
In het onderwijs wordt door leerkrachten al langer gemeld dat tijdens geschiedenislessen over de holocaust bij moslimleerlingen onversneden jodenhaat naar buiten komt. Kinderen zeggen zelf dat zij hun denkbeelden ontlenen aan de Koran en dat zij die te horen krijgen van hun ouders en tijdens lessen op de koranschool op zaterdag. Dat maakt het nieuwe antisemitisme even complex als ongrijpbaar.
Het jaar 2002 geldt volgens de zesde rapportage van de Monitor Racisme als een kentering: er was toen een sterk toenemend aantal incidenten van antisemitisch geweld. In dat jaar manifesteerde Gretta Duisenberg zich ook meer en meer als iemand die de grenzen opzoekt. Socioloog Abram de Swaan omschrijft dit als twijfelachtig ‘anti-Israël-enthousiasme’. Duisenberg hing provocerend een grote Palestijnse vlag aan het balkon van haar huis in Amsterdam-Zuid, een buurt waar veel joden wonen. Ook haar uitspraken leidden tot commotie. Toen er zesduizend handtekeningen waren verzameld in haar actie tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden reageerde ze voor de radio met de mededeling dat ze hoopte dat het er ‘zes miljoen’ zouden worden. In 2005 klaagde ze op tv over de joden in Nederland, die ‘niet moeten denken dat ze Amsterdam kunnen annexeren, net als de Westoever’.
In 2003 zongen Marokkaanse jongeren tijdens de twee minuten stilte bij een dodenherdenkingsplechtigheid in de Amsterdamse wijk De Baarsjes: ‘Joden, die moeten we doden’. Op andere plekken in Amsterdam werd er op die dag gevoetbald met rouwkransen. De verontwaardiging was groot, en om dit soort incidenten te voorkomen werd er een lesprogramma ontwikkeld om tot beter begrip over de betekenis van de oorlog te komen.
MARGREET FOGTELOO