De media heeft het gedaan

Essay Media en macht

Pers en politiek vormen in Nederland een closed club, een gesloten bestel dat eenzelfde taal spreekt, de taal van de macht. Wie het bestel bedreigt, wordt hard aangepakt.

‘GEERT WILDERS is een politieke kwakzalver’, sprak partijleider Femke Halsema onder luid gejuich op het congres van GroenLinks op 7 maart jongstleden: ‘En de media geeft hem alle ruimte.’ Jan Blokker, die haar uitspraak twee dagen later in zijn column in nrc.next vermanend aanhaalde, heeft dit gebruik van het woord ‘media’ als enkelvoud al eens eerder geconstateerd. Dat was in de zomer van 2002, op het hoogtepunt van de tragikomische verwikkelingen in de fractie van de Lijst Pim Fortuyn.
Destijds was de enkelvoudvorm, althans volgens Blokker, nog geheel voorbehouden aan de fortuynisten: ‘Je hoort het woord media in hun kring typerend genoeg bijna altijd als een enkelvoud gebruikt worden: “de media moet z’n plaats kennen”. Het idee van pluriformiteit is niet aan ze besteed. De media is links, woont binnen de grachtengordel, verspreidt leugens, houdt drugsgebruikers, allochtonen en milieuterroristen de hand boven het hoofd en weet trouwens niet wat er onder de mensen leeft. Er is er maar één van, en die deugt niet.’ (de Volkskrant, 1 juli 2002)
Ogenschijnlijk hebben de fortuynisten dus school gemaakt. Het beeld van de media als een instituut dat buiten of zelfs boven de samenleving staat is niet meer alleen voor rechts een vertrouwd verschijnsel, maar nu ook voor links. Is hier sprake van een historische waterscheiding, een conceptuele quantumsprong die de definitieve verwijdering tussen media en politiek in dit land bewijst? Op internet circuleren hele verhandelingen over de betekenis van dit woordgebruik, doorgaans geïllustreerd met de volzin ‘de media heeft het gedaan’ die naar verluidt in Nederland ‘steeds vaker’ gehoord wordt of zelfs al ‘gemeengoed’ zou zijn. Maar bloggers en webjournalisten zijn lui en schrijven elkaar allemaal over. De enige bron die ze gebruiken (als ze dat al doen), is steevast Jan Blokker, een echte journalist die voor een papieren krant schrijft.

WAAR KOMT dat vermaledijde, zogenaamd ‘wijdverbreide’ enkelvoud dan vandaan? Blokker vermoedde in 2002 dat het ooit geïntroduceerd was door voetbaltrainer Louis van Gaal. Dat lijkt aannemelijk omdat Van Gaal een gespannen verhouding met de Nederlandse sportjournalistiek had, maar ook alleen daarom. Wie de archieven van de grote kranten erop naspeurt, vindt nergens een citaat of zelfs maar een verwijzing naar een citaat van Van Gaal van die strekking. Vooruit, misschien heeft hij het beruchte enkelvoud een keer gebezigd in de hitte van een woordenwisseling met een roedel Nederlandse sportjournalisten die – laten we wel wezen – vaak als eenvormige massa overkomen en niet alleen op persconferenties. Een verspreking, net als bij Halsema. Van Gaal had een grondige hekel aan journalisten, vooral die van NOS en RTL; hij maakte hun geregeld harde verwijten of behandelde hen als vuil. Maar het verhaal dat hij alle media per enkelvoudsvorm naar de hel wenste, is een canard, een verzinsel van de journalistieke borreltafel.
Deze canard past uitstekend bij de patriciërshouding van Nederlandse journalisten. De Nederlandse media zijn lange tijd volledig verzuild geweest, een toestand die pas aarzelend werd doorbroken in de jaren zeventig, toen de van oorsprong rooms-katholieke Volkskrant en de voormalige oliekrant NRC Handelsblad naar links begonnen op te schuiven. Nederlandse hoofdredacteuren en journalisten waren altijd gewend mee te regeren met de politieke leiders van hun zuil. Den Haag bepaalde de agenda van de grote kranten en omroepen, het goedopgeleide establishment zag toe op de juiste toon. ‘Zo zien we dat de gezagsdragers weliswaar volgens de regels van het spel met elkaar slaags kunnen raken, maar altijd achter de horren van het openbare leven. Het gaat erom “de vuile was niet buiten te hangen”; een uitdrukking die betekent dat handhaving van een notabele opvatting van fatsoen belangrijker wordt gevonden dan het bekendmaken van wat er werkelijk is gebeurd. Dat is nationale politiek. Het bewaren van de beslotenheid van het bestel weegt zwaarder dan het belang van de politieke verschillen die binnen dit systeem te vinden zijn’, schreef Henk Hofland in Tegels lichten (1972), zijn klassiek geworden boek over de binnenste cirkel van ‘bijziende ministers, megalomane fractieleiders en gedienstige journalisten’ die Nederland toen al bijna honderd jaar bestuurden.
Er is sinds de jaren zeventig veel veranderd in wat tegenwoordig het ‘medialandschap’ heet, maar de houding van journalisten bij veel Nederlandse media is dezelfde gebleven: zij controleren niet de macht, maar regeren mee. Ze maken bewust en met zichtbaar genoegen deel uit van een gesloten bestel dat eenzelfde taal spreekt en dat tot voor kort nooit op zijn verantwoordelijkheid werd aangesproken. We hebben hier geen traditie van muckraking, zoals die in andere landen wordt belichaamd door Le Canard enchaîné (Frankrijk), Private Eye (Groot-Brittannië) of Humo (België). We hebben hier geen fact checkers op de redacties zoals in de Verenigde Staten, en trouwens ook geen civic journalism, afgezien van wat gepruts met filmpjes op internet. We hebben hier geen uitzendingen van actualiteitenrubrieken zoals in Duitsland, waar de makers na afloop in de studio detailvragen van kijkers moeten beantwoorden over hun onderwerpkeuze, hun aanpak en hun montage van de geschoten beelden en interviews. We hebben hier geen wettelijk verankerd recht van weerwoord zoals in België en geen roestvrijstalen smaadwetgeving zoals in Oostenrijk of Groot-Brittannië. Vergeleken met andere landen is de Nederlandse journalistiek zo tam als een afgericht konijn.

DE EERSTE die dit gesloten bestel met succes aanviel, was Pim Fortuyn. En hij bracht het slechtste in het bestel naar boven, zoals vooral buitenlandse waarnemers duidelijk hebben vastgesteld. De homoseksuele Amerikaanse publicist Bruce Bawer bijvoorbeeld, die uit afkeer van het christenfundamentalisme zijn geboortestad New York had verruild voor Amsterdam, was diep teleurgesteld toen hij ontdekte dat pers en politiek in dit land een ‘closed club’ vormden. Wie zich aan de regels hield en ontkende dat er in Nederland explosieve sociale problemen waren, mocht meedoen aan de politieke discussie. ‘De slimme manier om mensen passief en volgzaam te houden is het streng inperken van het spectrum van toegestane meningen, maar het toestaan van een levendig debat binnen dat spectrum’, zou Noam Chomsky zeggen. Journalisten en politici reageerden dan ook in wezen identiek zodra Fortuyn het spectrum openbrak, aldus Bawer: ze beschuldigden hem van rechts-extremisme en vergeleken hem met Hitler of Mussolini. Sommigen deden dat openlijk, anderen verholen, zoals de verslaggever van het NOS Journaal die over Fortuyn sprak terwijl hij het programma van de Centrum-Democraten omhoog hield. De strekking was dezelfde: het feit dat Fortuyn hun machtsaanspraken betwistte, bestempelde hem in hun ogen ipso facto tot vijand van de democratie.
Het was in Nederland lange tijd not done om over een establishment te spreken, althans onder vertegenwoordigers van dat establishment zelf. Maar sinds 2001 moeten we wel, want anders is de kortstondige maar heftige doorbraak van Pim Fortuyn niet te begrijpen. De vrijwel collectieve verstandsverbijstering van de zittende macht (waartoe de journalistiek zichzelf dus ook rekende) verklaart voor een groot deel zijn succes. De grote media deden precies datgene wat hij hun verweet: ze verklaarden hem met veel misbaar en in opzichtige samenspraak met de grote partijen tot volksvijand, wat hij even duidelijk en voor iedereen zichtbaar niet was. Hij was in veel opzichten rechts, in sommige opzichten helemaal niet, maar voor een groeiend deel van het electoraat deed dat er steeds minder toe: hoe belachelijker de stuiptrekkingen van het bestel werden, des te hoger steeg zijn geloofwaardigheid.
De rest is geschiedenis, zoals de Amerikanen zeggen. Maar die geschiedenis is nog niet bevredigend opgeschreven. De Fortuyn-vereerders van weleer hebben een eigen subcultuur van heiligenlevens, bidprentjes en hoogaltaren ontwikkeld en zijn nauwelijks nog in staat waarheid van verdichtsel te onderscheiden. Zijn tegenstanders van weleer hebben zich verontrust dan wel tevreden (en soms met klammheimliche Freude over zijn dood) op hun machtsposities teruggetrokken. Zeker, niets is meer zoals het voor 2001 was. Het electoraat is ‘op drift geraakt’, we zijn ‘een natie in verwarring’, in ‘paniek’ of in ‘de greep van de wanhoop’ – existentiële termen die uitdrukken dat de band tussen het bestel en zijn onderdanen voorgoed verbroken is. De reflexen van het bestel zijn nog steeds dezelfde en stokebranden als Rita Verdonk of Geert Wilders profiteren daarvan. Maar zij doen dat met lang niet zoveel flair en succes als Fortuyn. We kunnen weer ademhalen en we kunnen Wilders zelfs weer ouderwets vervolgen, een luxe die we sinds Janmaat en de Centrumpartij niet meer hadden.

LATEN WE ONS nu eens niet achter onze stuurloze politici verschuilen en als journalisten de hand in eigen boezem steken. Hoe weinig er in de Nederlandse journalistiek is veranderd, wordt duidelijk uit een vergelijking van twee kwesties die net als de rechtse revolte van Fortuyn hun oorprong in 2001 hebben: de oprichting van de Burke Stichting en de zaak-Volkert van der G., de moordenaar van Fortuyn. De Burke Stichting vertegenwoordigde een nieuwe stroming in de Nederlandse politiek die pretendeerde de oudste te zijn: het conservatisme. Die pretentie was niet de enige paradox. De leden van de stichting wilden niets liever dan de hele Nederlandse samenleving op de schop nemen, een streven dat eerder revolutionair dan conservatief aandeed. Om dit verschijnsel te verklaren moest journalistiek graafwerk worden verricht en dat hebben we gedaan: in de geschiedenis van het (Nederlandse) conservatisme, in de intellectuele en financiële bronnen van de Burke Stichting en in het partijpolitieke verleden van de voornaamste vertegenwoordigers. En wat bleek? Het ging hier om gedroste VVD’ers die het Amerikaanse neoconservatisme in Nederland wilden introduceren, compleet met een morele blauwdruk van Amerikaanse snit. Met burkiaans conservatisme, dat in hedendaagse termen eerder thuishoort bij de PVDA, had hun denken weinig te maken.
Deze ‘burkianen’ bleken niet alleen mijlenver van Burke af te staan, maar ook vrij dicht bij extreem-rechtse denkers. Burke-directeur Bart Jan Spruyt pleitte bijvoorbeeld voor een ‘conservatieve revolutie’, kennelijk ongehinderd door het feit dat de bedenker van die term, de Duitse jurist en politicoloog Carl Schmitt, de nazi’s graag een handje hielp. Politiek stond voor Schmitt gelijk aan vijanddenken. En de Duitse vijand par excellence – zo ontdekte hij niet geheel bij toeval kort na Hitlers machtsovername in 1933 – was de jood. Niet de jood als mens, maar zijn mentaliteit, de jüdische Geist, moest volgens Schmitt uit de Duitse samenleving worden verwijderd, omdat die onverenigbaar was met het karakter van de Duitse staat. Het weerhield Spruyt er niet van om zich ook in dit opzicht met Schmitt te afficheren. Na de moord op Theo van Gogh pleitte hij voor een ‘Ausnahmezustand’, een schmittiaanse noodtoestand waarin de staat laat zien wie de baas is in het land en ‘de islam als zodanig’ de mond snoert (Conservatieve identiteit tegen linkse uitverkoop, 2004).
Wie de opkomst en ondergang van de Burke Stichting als journalistieke casus doorneemt, moet constateren dat de Nederlandse media zich uitstekend van hun taak hebben gekweten. De dwarsverbanden werden gezien, de historische context van begrippen werd geduid en de stichting werd tot op de laatste draad ontrafeld. Van een nieuwe politieke partij, geïnspireerd en gedeeltelijk bemand door leden van de Burke Stichting, is het nooit gekomen en uiteindelijk is de stichting uiteengespat. Het vijanddenken van de Burke Stichting woekert weliswaar onverminderd voort, bijvoorbeeld in de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders, maar niemand kan zeggen dat het grote publiek, mits geïnteresseerd, niet door de Nederlandse media is geïnformeerd over de aard en achtergrond ervan.

DAT GELDT NIET voor die andere casus. Zodra Volkert van der G. in zijn gevangeniscel begon te praten, werd het motief dat hij zelf voor zijn daad aangaf vrijwel algemeen aanvaard: hij had Fortuyn vermoord omdat hij hem ‘een bedreiging’ achtte voor ‘kwetsbare groepen’ in de samenleving. Bijna geen journalist sloeg acht op de gevangenisbrief van Volkert aan een vriendin die de officier van justitie in eerste aanleg citeerde voor de rechtbank: ‘Mocht ik ooit nog eens een verklaring afgeven aan de rechterlijke macht of in de media, dan hoeft dat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn. Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk – het hoeft slechts functioneel te zijn.’ Projectleider Henk Doelman van het rechercheteam dat de zaak onder zijn hoede had, liet zich niet om de tuin leiden: ‘Volgens mij had Volkert niet een politieke overtuiging. Hij gaf om dieren, dat was het.’
De brief maakte duidelijk dat Volkert de aandacht wilde afleiden van zijn ware motief en vooral van de mensen die hem het meest aan het hart gingen: de Nederlandse en meer in het bijzonder de Wageningse kliek van dierenactivisten. Hij is altijd dierenactivist pur sang geweest. Hij heeft zich sinds het begin van zijn studie milieuhygiëne in Wageningen louter bewogen in kringen van radicale dierenactivisten die niet zelden financiële steun van de overheid kregen voor hun ‘bewustwordingscampagnes’ en intellectuele steun van individuele docenten of zelfs faculteiten. In hun relatief gesloten circuit gedijde het vijanddenken eveneens, maar dan tegen de kapitalistische consumptiecultuur en de daaruit resulterende aantasting van het milieu en mishandeling van dieren. In ons land vinden al twee decennia lang geweldplegingen, brandstichtingen en zelfs gijzelingen plaats bij slachterijen, laboratoria, fokkerijen en proefvelden voor genetisch gemanipuleerde gewassen. Fortuyn wilde hen hard aanpakken, te beginnen met de overheidssubsidies voor hun organisaties. Volkert zelf was bezig met plannen voor overvallen op nertsfokkerijen juist toen Fortuyn er een politiek punt van maakte dat nerts weer onbelemmerd gedragen moest kunnen worden.
Het gedachtegoed van deze activisten woekert eveneens voort in politieke partijen als GroenLinks of de Partij voor de Dieren en in organisaties als Greenpeace. Maar in de Nederlandse media worden de dwarsverbanden zelden gelegd, de context van begrippen en uitspraken wordt niet uitgediept en de betrokken organisaties worden niet tot op de draad ontrafeld. Zeker, er zijn twee media die hen consequent hinderlijk volgen: dagblad De Telegraaf en weekblad HP/De Tijd. Maar die beroepen zich voornamelijk op een particuliere onderzoeker, Peter Siebelt, die zichzelf onmogelijk maakt met zijn absurde samenzweringstheorieën, waarin Volkert van der G. onder een hoedje speelt met Ruud Lubbers, Kofi Annan en de Postcodeloterij. De intellectuele wortels van het radicale veganisme worden niet blootgelegd, zoals daar zijn het werk van filosoof Peter Singer, het Unabomber Manifest van Ted Kaczynski, het ecopessimisme van eigen bodem van filosoof Ton Lemaire (wiens ‘in de taal verstopte gewelddadigheid’ haarfijn is geanalyseerd door Hans Achterhuis) en quasi-wetenschappelijke Gaia-aanhangers die de vreselijkste scenario’s voor de ondergang van de wereld door toedoen van de mens schetsen.
Je kunt niet zeggen dat het grote publiek, mits geïnteresseerd, door de Nederlandse media goed wordt geïnformeerd over de aard en achtergrond van het denken en handelen van deze gewelddadige Nederlandse dierenactivisten. Het gevolg is een blinde vlek die zich ook bij Haagse politici voordoet. Tot voor kort was er volgens minister van Binnenlandse Zaken Ter Horst geen enkele reden om aan te nemen dat dierenactivisme kon leiden tot terroristische activiteiten, hoewel die activiteiten al decennia plaatsvinden en door de AIVD zijn geboekstaafd. De Partij voor de Dieren weigert zelfs om gewelddadig dierenactivisme te beschouwen als een vorm van terrorisme, hoewel het aan alle criteria voldoet. Het gaat hier niet om bevindelijke vegetariërs, maar om hardcore terroristen voor wie Nederland een internationale springplank is geworden, schrijft de AIVD in zijn laatste rapport over dierenrechtenactivisme uit 2007: ‘De stroming “Straight Edge” is nog steeds de bindende factor van de meest gedreven dierenrechtenactivisten. Deze stroming wordt gekenmerkt door een tot het uiterste doorgevoerde vorm van veganisme. De aanhangers zijn, deels gewelddadig, actief in de bestrijding van dierenleed. Voor een uitbreiding van hun acties naar andere (linkse of rechtse) actieterreinen is geen plaats. Zij houden zich puur met dieren bezig.’
Was dat laatste maar waar, denk je bij het lezen. De Burke Stichting werd hard aangepakt omdat zij het bestel bedreigde. De dierenactivisten hebben die ambitie niet. Zij spreken niet de taal van de macht en vormen hooguit een bedreiging voor boeren, slagers of landbouwingenieurs. En zo nu en dan voor een rechtse politicus die hun subsidies wil opheffen.