De bruggenbouwer en de profeet

Essay Tariq Ramadan verdraait de geschiedenis van de islam

De gemeente Rotterdam zet de samenwerking met haar omstreden adviseur, de islamitische professor Tariq Ramadan, voort. Beschuldigingen van homodiscriminatie aan zijn adres door de Gay Krant schoof het college vorige week als ‘onjuist, tendentieus, onvolledig en uit de context gerukt’ ter zijde. Ramadan blijft dan ook tot 2011 als hoogleraar integratie en burgerschap verbonden aan de Erasmus Universiteit. Ondertussen bedrijft hij op geheel eigen wijze ‘wetenschap’.

ENIGE TIJD GELEDEN schreef ik voor de Volkskrant een recensie waarin ik twee nieuwe biografieën van de profeet Mohammed besprak, De historische Mohammed: De verhalen uit Medina van Hans Jansen en The Messenger: The Meanings of the Life of Mohammed van Tariq Ramadan. Ik schreef dat Tariq Ramadan in zijn biografie twee wetenschappelijke hoofdzondes begaat ten aanzien van de bronnen over de profeet: hij neemt de bronnen als ‘waargebeurd’ én hij stelt ze eigenhandig wat bij om het gewelddadige verhaal over Mohammeds leven verteerbaar te maken voor een modern Europees publiek.
Dat leverde een column op van wijlen Bart Tromp in Het Parool, die naar aanleiding van mijn recensie concludeerde dat ‘Tariq Ramadan geen onderzoeker en beoefenaar van wetenschap is. Zelfs als hij er in de ogen van het Rotterdamse gemeentebestuur lovenswaardige opvattingen op nahoudt, dan heeft hij aan de Erasmus Universiteit niets te zoeken. De universiteit is geen kerk of moskee. Als burgemeesters en wethouders hem willen inschakelen voor de “integratie”, dan kunnen ze Ramadan alsnog tot straathoekwerker benoemen. Uit de recensie van Machteld Allan blijkt echter ook nog dat Tariq Ramadan helemaal niet een mooie combinatie van orthodoxe islam en seculiere democratie bepleit. Ik heb nog geen weerlegging van haar conclusies gelezen.’
Die ‘weerlegging’ volgde prompt: Tromp ontving een briefje van arabist Kees Wagtendonk, die hem via de redactie van Het Parool liet weten dat ‘ofwel Machteld Allan, ofwel Bart Tromp de zaken nogal door elkaar haalt. De behandeling van de joden in Khaybar is volgens de enige bron waarover we beschikken, de Sira van Ibn Hisham/Ibn Ishaq, correct weergegeven.’
Wagtendonk beargumenteerde dit niet, maar Tromp werd toch zenuwachtig. Een echte arabist! En wie was die Machteld Allan eigenlijk? Voor wie had hij het in godsnaam opgenomen in zijn column? Ongerust greep Tromp de telefoon en belde me op. In ons gesprek, dat ongeveer een half uur duurde, heb ik hem de hele episode-Khaybar uit het leven van Mohammed – voorzover ik die instant uit mijn hoofd kon reproduceren – uit de doeken gedaan, veel uitgebreider dan in de recensie mogelijk was, om te laten zien dat Ramadan inderdaad de bronnen verdraaide. Weet u wat? zei ik aan het einde van het gesprek: ik stel het allemaal wel even op schrift, met literatuurverwijzing, dan heeft u het overzicht.
Maar blijkbaar had ik Tromps zorg om zijn reputatie toch niet weggenomen, want toen het hem te lang duurde, schreef hij mij een briefje waarin hij me begon te dreigen met míjn reputatie. ‘Als u geen verdediging heeft tegen de kritiek, kan ik alleen maar mijn excuses aanbieden aan Wagtendonk voor het feit dat ik heb vertrouwd op iemand die een kennelijk onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Voor uw geloofwaardigheid is het wat mij betreft dodelijk – ik ben op u afgegaan omdat ik dacht dat u de waarheid schreef.’
Ik werd vooral gestoken door die ‘excuses aan Wagtendonk’, die alleen maar een lui briefje had geschreven waarin hij geen enkele moeite had gedaan om Tromp uit te leggen waarom Tariq Ramadan de bronnen wel degelijk correct had behandeld. Kees Wagtendonk, had ik Tromp gezegd, is zoals veel arabisten, een verpolitiekte wetenschapper van de activistische jaren-zeventigsnit. Waarschijnlijk komt dat doordat Falastin nog altijd niet is ‘bevrijd’. Ik geloof dat ik het woord ‘partizaan’ gebruikte: Wagtendonk is oprichter en bestuurslid van het Palestina Komitee en maakt zich al jaren sterk voor een ‘vredesdialoog’ met de moordenaars van Hamas en Hezbollah.
Was dit een ad hominem-argument? Oké, misschien. Maar het ging nog steeds over Khaybar.
Een van de meest notoire strijdkreten van Hamas en Hezbollah luidt: ‘Khaybar Khaybar ya Yahud, jaysh Mohammed saya’ud!’ Ik had in mijn recensie geschreven dat deze kreet ook te horen was geweest in de straten van Amsterdam tijdens een anti-Israël-demonstratie waarin ook de SP en GroenLinks vertegenwoordigd waren. ‘Khaybar Khaybar o joden, het leger van Mohammed zal terugkeren’, is de vertaling. Terugkeren om wát te doen? Wie de bronnen kent, weet dat: om de joden die na een eerdere slachtpartij van Mohammed nog over waren op het Arabisch Schiereiland alsnog te doden of te onderwerpen. Deze strijdkreet laat zien dat de moslimse ‘interpretatie’ van de episode-Khaybar vrij eenduidig is: Mohammed heeft in Khaybar een slachtpartij aangericht, een slachtpartij die bovendien navolging verdient in het heden, zoals het hele leven van Mohammed voor moslims navolging verdient. De overlevenden van de slachtpartij in Khaybar zijn door de profeet schatplichtig gemaakt, in ruil voor het sparen van hun leven. ‘Khaybar’ is daarmee een prachtige samenvatting van het programma van Hamas en Hezbollah met betrekking tot Israël. Hezbollah noemt de raketten die het op Israël afschiet ‘Khaybar-1’.
Tariq Ramadan ontkent echter dat in Khaybar mensen zijn gedood. Ook schrijft hij niets over de schatplichtigheid waaraan de joden werden onderworpen. Hij schrijft slechts dat Mohammed de joden genadiglijk toestond zich uit Khaybar te verwijderen. Deze gedwongen ballingschap stelt Ramadan voor als een bevredigende en barmhartige oplossing. Dat is dus de ‘behandeling van de joden in Khaybar’ waar Wagtendonk het over heeft. Wagtendonk heeft belang bij deze verdraaiing: de strijdkreet van Hamas wordt op deze manier van zijn scherpste tanden ontdaan, waardoor hij zelf kan volhouden dat er prima met Hamas te praten valt. De joden hoeven niet dood; ze hoeven ‘alleen maar’ te vertrekken uit Palestina. Iets soortgelijks merkte Tariq Ramadan zelf ooit op tijdens een debat in de Rode Hoed: dat hij niks tegen Israël had, behalve tegen het feit dat het een joodse staat was.
Ik schreef Tromp terug dat ik niet had begrepen dat hij met smart zat te wachten op mijn uiteenzetting, en dat hij zelf intussen de door mij genoemde boeken had kunnen lezen, maar dat ik er nu spoedig werk van zou maken. Daarop verontschuldigde hij zich per e-mail voor de ‘bitse toon’ van zijn vorige briefje. We hadden het dus gelukkig weer bijgelegd. Ik had mijn verhaal over Khaybar en Tariq Ramadan bijna af, toen het bericht kwam dat hij was overleden.
Ik ga in op deze briefwisseling omdat ze volgens mij tekenend is voor de bibberigheid en de vleierij waardoor het debat over de inhoud van Tariq Ramadan is omgeven. Ramadan is een ‘bruggenbouwer’, wordt ons onophoudelijk voorgehouden, wat hem blijkbaar vrijwaart van kritiek. Was Tromp bang om door zijn openlijke kritiek aan het adres van Ramadan het onzinpredikaat ‘islamofoob’ aan zijn broek te krijgen? De briefwisseling laat ook zien dat Ramadan zich in principe niet hoeft te verlagen tot een inhoudelijk debat: er zijn altijd genoeg discipelen te vinden die zich vrijwillig opwerpen om andere mensen terecht te wijzen als ze het mochten wagen Zijne Majesteit de Bruggenbouwer ‘verkeerd te interpreteren’. Deze terechtwijzingen zijn nooit inhoudelijk van aard: wie Ramadan tegenspreekt is ‘paranoïde’ of ‘roddelkonterig’, zoals Anja Meulenbelt van het Actiecomité Steun Tariq schrijft. Dit comité werd onlangs opgericht om Ramadan te beschermen tegen de Gay Krant. Hoofdredacteur Henk Krol, die Ramadan slechts heeft ‘geout’ in zijn opvattingen over homoseksualiteit, is volgens het comité contraproductief bezig omdat moslims door Krols ‘aanval’ op deze ‘veelgeplaagde figuur’ helemáál hun sympathie voor homo’s kwijtraken. Ramadan zelf leunt nog eens achterover. Heerlijk als je het moddergooien aan je aanhang kunt overlaten.
Maar mijn verhaal is door de dood van Tromp dus blijven liggen. Dat is jammer, al zeg ik het zelf, omdat het, zoals Bart Tromp volkomen juist had gezien, twee dingen duidelijk maakt: Ramadans onwetenschappelijke behandeling van de bronnen, en zijn diep verwerpelijke wereldvisie. Ofschoon Tromp zelf vooral geïnteresseerd leek te zijn in het eerste, wilde ik hem aan de hand van de Khaybar-episode en Ramadans behandeling daarvan laten zien dat het een met het ander samenhangt.

REIS DUS MEE naar Khaybar, een joodse oase in het Arabische Schiereiland, ongeveer 140 kilometer ten noorden van Medina, waar Mohammed op dat moment de aanvoerder is van een nieuwgevormde gemeenschap waarvan de leden zichzelf aanduiden als ‘moslims’. Het jaar is 629, en de profeet maakt zich met zijn mannen op voor een ghazwa, een ouderwetse bedoeïense plundertocht op Khaybar, een roofoverval zoals gebruikelijk in die dagen. Dan weet u meteen ook waar ons woord razzia vandaan komt.
De eerste vraag die elke historicus leert stellen is: hoe weten wij dit? Hoe kennen wij het leven van Mohammed? De belangrijkste bron is ene Ibn Ishaq uit Bagdad, die het verhaal rond het jaar 750 vertelde aan zijn leerling Ibn Hisham, die het rond het jaar 800 optekende, ruim een eeuw later dus dan de veronderstelde gebeurtenissen. De tweede vraag is: wie vertelt dit verhaal? Elke wetenschappelijke biograaf van de profeet zal zich moeten verdiepen in de motieven en drijfveren van Ibn Ishaq. Je zou zelfs kunnen stellen dat een wetenschappelijke biografie van Mohammed eigenlijk meer over Ibn Ishaq gaat dan over het leven van Mohammed. Historische studie is eigenlijk niet veel meer dan het oefenen van bronnenkritiek.
Deze spelregels lapt Ramadan volledig aan zijn laars. Hij begint meteen met zijn verhaal, zonder enige scrupules ten aanzien van zijn bronnen. Het schrijven van zijn Mohammed-biografie is voor Ramadan een geloofsdaad, een spirituele oefening. Voor hem is het leven van Mohammed sunna, wat betekent dat het zijn eigen leven vorm geeft. Hij wil ook andere mensen, moslims en niet-moslims, met zijn biografie uitnodigen tot het heil van de islam. ‘Het narratief is met opzet gemakkelijk te volgen en onderneemt een poging om de spirituele en universele leerstellingen van de islam over te brengen’, schrijft hij.
Dat mág natuurlijk, een beetje er op los vertellen met een stichtende preek erbij, maar noem je studie dan niet wetenschappelijk. Och, wat wil Ramadan graag een wetenschapper zijn. Zijn promotor aan de Universiteit van Genève, de arabist Charles Genequand, zegt hierover in een interview met de Duitse journaliste Gudrun Eussner: ‘Ik vond dat hij mij belachelijk maakte. Hij wilde een academische titel, en wel snel.’ Genequand trok zich uiteindelijk terug als Ramadans begeleider, omdat hij Ramadan op grond van zijn dissertatie beoordeelde als een ‘ideoloog, een pseudo-wetenschapper’. Maar Ramadan wist andere academici, geen specialisten op het betreffende gebied, te bewegen om hem toch te laten promoveren op zijn afgekeurde proefschrift. Sleutelfiguur bij het optrommelen van meer ideologisch verwante academici die Ramadan wél goedgunstig zouden zijn, was de notoire Geneefse sociologieprofessor Jean Ziegler, huisvriend van dictators, rapporteur voor de Verenigde Naties en oprichter van de Moammar Kaddaffi Prijs voor de Mensenrechten, die onder anderen werd gewonnen door holocaustontkenner Roger Garaudy.
Ramadan schrijft dat de tekst van zijn Mohammed-biografie ‘academisch rigoureus is ten aanzien van de klassieke islamitische bronnen, wat het naar wij hopen nuttig maakt voor wetenschappelijk onderzoekers en voor de islamitische wetenschappen’. Om te beginnen is dit een potsierlijke mededeling. Je academische rigueur moet gewoon blijken uit de behandeling van je onderwerp. Het zijn doorgaans alleen de verkopers van Haarlemmerolie die hun methode aanprijzen als ‘wetenschappelijk verantwoord’.
Wat Tariq Ramadan ongeschikt maakt voor de wetenschap is dat hij wetenschappelijke waarheid en geloofswaarheid niet kan of wil scheiden. Hij denkt de spirituele ‘waarheid van de islam’ te moeten bewijzen aan de hand van de geschiedenis, wat van al zijn geschriften spirituele én historische wangedrochten maakt. Al op pagina 3 van zijn Mohammed-biografie gaat het mis. Hij schrijft: ‘Op een puur feitelijk niveau is de profeet Mohammed een afstammeling van Ismaëls kinderen en daarom deel van de “grote natie” die aangekondigd wordt in de Bijbel.’ Dat Mohammed van Abraham afstamt is baarlijke nonsens, juist op historisch, ‘feitelijk’ niveau. Tot het tegendeel is bewezen is Abraham een louter mythologische figuur, net zoals Roodkapje. Ik denk niet dat we een wetenschapper serieus zouden nemen die het een ‘feitelijkheid’ noemt dat meneer zus en zo een afstammeling is van Roodkapje. Samengevat: Ramadan wil op basis van een niet-historisch verhaal een islamitische geloofswaarheid historisch hard maken. Wat is die geloofswaarheid? Wat wil Ramadan eigenlijk bewijzen? Alleen maar dit: dat de joden in hun eigen geschriften de heil brengende komst van Mohammed aankondigen. Ook Mohammed zelf heeft dat volgens de bronnen tegen de joden van zijn tijd gezegd, maar deze moesten daar alleen een beetje om grinniken. Voor dat gegrinnik betaalden ze een hoge prijs.

EERST NOG IETS over de term ‘islamitische wetenschappen’ die Ramadan gebruikt. De aanstelling als hoogleraar in Rotterdam en de aanduiding ‘theoloog’ of ‘islamoloog’ heeft Ramadan te danken aan het feit dat de commissie blijkbaar niet in staat is geweest het onderscheid te maken tussen islamitische wetenschap en islamwetenschap. Ondanks zijn Europese opleiding staat Ramadan geestelijk in de traditie van de islamitische wetenschap, omdat hij zijn bronnen letterlijk neemt en dat als ‘academisch rigoureus’ beschouwt. In de islamitische wetenschap staat deze werkwijze – het herhalen in plaats van het bekritiseren van bronnen – hoog aangeschreven. Ze wordt onderwezen aan madrasa’s, koranscholen, waar je in eerste instantie geacht wordt de Koran domweg uit het hoofd te leren. Ramadan zelf studeerde korte tijd ‘theologie’ aan de Azhar-‘universiteit’ in Caïro. Deze theologische opleiding is niet meer dan een madrasa voor jongvolwassenen.
Een islamitisch wetenschapper kan heus wel iets: hij weet de weg in een canoniek corpus, waarvan hij de Koran en de hadith heeft leren beschouwen als het onaantastbare brandpunt. De meeste geschriften uit dit corpus stammen uit de Middeleeuwen. Men doet niet aan historische tekstkritiek. Nieuw commentaar wordt alleen toegelaten als de commentator een mannelijke moslim is en deel uitmaakt van de groep ‘gezaghebbende geleerden’. Om als gezaghebbend te gelden mag je geen theorieën of hypotheses formuleren die andere gezaghebbende commentaren tegenspreken. Het wordt door de gezaghebbende groep zelf bepaald wie als gezaghebbend islamgeleerde mag gelden. De eensgezindheid in opvatting die aldus als vanzelf ontstaat, wordt als het bewijs gezien van de waarheid van de islam, en vormt weer de bron voor het islamitisch recht. Een steriel systeem dus, een denkcirkel, waarin steeds bewezen wordt wat vooraf al vaststond. Dit verklaart ook waarom ‘westerse’, dus eeuwig verifiërende en falsificerende geesten, onmiddellijk een soort jeuk onder de schedeltent krijgen als ze Ramadan lezen, of welk ander islamitisch-geleerd geschrift dan ook.
Islamwetenschap is iets heel anders. Het is een negentiende-eeuws fenomeen dat opkwam doordat aan de Europese universiteiten, aan de Duitse universiteiten het eerst, een methode werd ontwikkeld die het mogelijk maakte religie, dus ook de islam, te beschouwen als een historisch verschijnsel. Ook Nederland heeft een grote traditie op het gebied van de islamwetenschap. De bekendste naam is Christiaan Snouck Hurgronje, die er eeuwig op hamerde dat religieonderzoek historisch gegrondvest diende te zijn. Theologie was volgens hem in de eerste plaats geschiedschrijving. Snouck Hurgronje zou Tariq Ramadan waarschijnlijk als een interessante case study in de moderne islam hebben beschouwd, nooit als een collega-theoloog of -islamoloog.

TERUG NAAR KHAYBAR. Het verhaal over Khaybar is van belang omdat Ibn Ishaqs verslag een rechtvaardiging is van de manier waarop de islam de omgang van moslims met de overwonnen volken zou gaan regelen. Omdat Ramadan de verhouding van moslims tegenover de niet-moslimse wereld thematiseert, en om die reden als hoogleraar in Rotterdam is aangesteld, is Khaybar ook een interessante episode om de nieren van Ramadan te proeven.
‘De Profeet besloot een expeditie tegen Khaybar te ondernemen…’, begint Tariq Ramadan zijn verhaal. Dit is meteen al vreemd, omdat Ramadan kort daarvoor schrijft: ‘Alle vormen van jihad zijn verbonden met de notie van verzet. Op het niveau van qital, gewapende strijd, is dat ook zo.’ Bij de gewapende expeditie tegen Khaybar was echter geen sprake van verzet tegen een onderdrukker of een agressor. De moslimse aanval op Khaybar was niet geprovoceerd, zoals Ramadan ook zelf aangeeft, en kwam voor de inwoners als een verrassing. Ze werden overvallen terwijl ze aan het werk waren op het land.
Waarom trekt Mohammed op naar Khaybar? Hans Jansen schrijft in zijn biografie: ‘Ibn Ishaq geeft geen reden waarom Mohammed dat doet. Het gebeurt gewoon, als was het een natuurverschijnsel.’ Vervolgens doet Jansen zelf een educated guess: ‘De overwegingen om Khaybar te veroveren zijn dezelfde overwegingen die het Romeinse rijk zijn enorme omvang gegeven hebben. De methoden waarmee dat gebeurde lijken ook op elkaar. Een stadstaat die zich nederig overgaf, kwam er alleen met belasting af. De bevolking van een stadstaat die zich verzette, werd uitgeroeid.’
Een ander motief zou kunnen zijn dat Mohammed in die tijd net een vredesverdrag had gesloten met de grote vijand Mekka (het verdrag van Hudhaybiyya), waarmee sommige mannen in zijn gevolg niet zo blij waren. De karavanen van de Mekkanen mochten tijdelijk niet meer aangevallen worden, waardoor de vechtjassen noodgedwongen een beetje op hun handen moesten zitten. Bij het sluiten van het verdrag van Hudhaybiyya had Allah de moslims ‘veel buit’ beloofd (Q. 48:19). Misschien waren de manschappen aan het morren geslagen: waar blijft die buit dan? Het verhaal ging bovendien dat zich in Khaybar een grote ‘schat’ zou bevinden.
De bevolking van Khaybar bestond gedeeltelijk uit mensen die Mohammed in Medina expliciet als profeet hadden verworpen en zelfs belachelijk gemaakt. Ook pure verbolgenheid hierover zou nog als motief kunnen hebben gegolden om op te trekken tegen de oase.
Maar Ramadan houdt het erop dat Khaybar een bedreiging vormde voor Mohammeds gemeenschap en de ghazwa op Khaybar een daad van verzet. Waarom doet hij dit? Omdat elk verzet door moslims tegen niet-moslims als jihad mag worden geheiligd. De episode-Khaybar kan daarmee een goddelijke rechtvaardiging zijn van terreuracties tegen mensen die jou helemaal niet aanvallen. Ramadan doet er zelfs nog een schepje bovenop: volgens hem was Khaybar een ‘regionale macht die door iedereen gevreesd werd’. Wie die ‘iedereen’ zijn, vertelt hij niet. Ook laat hij niet zien dat Ibn Ishaq helemaal niets zegt over het motief voor de aanval.
De bevolking van Khaybar bestond gedeeltelijk uit ballingen uit Medina. Mohammed had in de periode 625-628 twee joodse clans uit Medina verbannen en één vermoord, de clan Banu Qurayza, waarvan de ongeveer zevenhonderd mannelijke leden onthoofd waren en de vrouwen tot slaven gemaakt. Hans Jansen laat in zijn biografie zien dat deze gruwelijke executies zelfs het contemporaine moslimse publiek van Ibn Ishaq wat zwaar op de maag moeten hebben gelegen. Ibn Ishaq kleedt zijn verhaal daarom in met een aantal anekdotes waaruit moet blijken dat de leden van de Banu Qurayza vrede hadden met hun lot. Hun dood zou zelfs voorzegd zijn door hun eigen profeten. Ramadan bespreekt de executie van de Banu Qurayza in één eufemistische zin, en laat er meteen de functie van het bloedbad op volgen: ‘Het lot dat de mannen van Banu Qurayza toeviel, gaf een krachtige boodschap af aan alle naburige stammen, dat verraad en agressies vanaf die tijd streng gestraft zouden worden.’
Met andere woorden: massa-executie is gerechtvaardigd, omdat het toekomstige aanvallers afschrikt. Deze intimidatie werkte volgens Ramadan naar tevredenheid: ‘De boodschap werd gehoord; zulke situaties zouden niet meer optreden tijdens het leven van Mohammed.’ Dit is Ramadans eigen interpretatie; Ramadans bron, Ibn Ishaq, betoont zich duidelijk minder genadeloos.
Khaybar bestond uit verschillende ommuurde groepen huizen, kleine forten dus, die door Mohammed één voor één worden belegerd en veroverd, tot er nog maar twee forten over zijn. Uit Ibn Ishaqs verslag kan worden afgeleid dat de mannen in de veroverde forten allen werden gedood en hun vrouwen tot slaven of bruiden werden gemaakt. Ibn Ishaq vertelt nog dat Safiyya, de nieuw veroverde bruid van Mohammed, samen met een vriendin langs de lichamen van de gedode mannen loopt, waarop de vriendin begint te huilen. ‘Hou die duivelin bij mij vandaan!’ zegt Mohammed daarop. Tariq Ramadan laat deze anekdote onvermeld, maar hij verzekert ons wel dat de jodin Safiyya, een dochter van een door Mohammed vermoord lid van de Banu Qurayza, niet het slechte karakter van haar vader had geërfd. ‘Ze was vroom en deelde de vijandigheid van haar volk jegens hem [Mohammed] niet. Ze riep uit: “Ik kies voor God en zijn Boodschapper!” en het huwelijk werd korte tijd daarna gevierd’, schrijft hij opgewekt.
Wat zegt Ramadan over de gevechten? ‘Ze besloten de citadels een voor een aan te vallen, te beginnen bij de meest kwetsbare. Deze methode werkte erg goed, en het duurde niet lang voordat de forten vielen. De voorwaarden tot overgave werden voor elke zaak individueel onderhandeld, maar in de meeste gevallen werd van de overwonnenen geëist dat ze hun bezittingen achterlieten en met hun vrouwen en kinderen vertrokken.’ Bij Ramadan vloeit er dus geen druppel bloed en mogen de inwoners vertrekken. Hij vertelt niet dat dat alleen gold voor inwoners van de laatste twee forten, wier leven gespaard werd omdat ze zich overgaven.
Hier houdt Ramadan op over Khaybar, terwijl de crux van het verhaal nog moet komen. Sommige inwoners smeken Mohammed te mogen blijven omdat zij het best wisten hoe ze de akkers moesten bewerken. Mohammed laat ze blijven, maar daarvoor moeten ze hem wel de halve oogst betalen. Hij waarschuwt ze: ‘We zullen jullie verdrijven wanneer wij dat wensen.’ De boodschap: rechten hebben jullie als niet-moslims alleen via ons, voorzover wij die jullie doen toekomen bij wijze van genade. Deze handelswijze werd later de basis van de dhimma, het ‘contract’ dat als considerans heeft dat de moslimse machthebber het godgegeven recht heeft het leven te nemen van een christelijke of joodse overwonnene. De laatste krijgt echter contractueel de mogelijkheid zijn leven te behouden als hij zich op gezette tijden publiekelijk laat vernederen en een speciale belasting betaalt aan de islamitische overheid.
Mohammeds bereidheid om levens te sparen terwijl hij via God het recht heeft gekregen ze te nemen, wordt in Ramadans biografie toegejuicht als een daad van barmhartigheid. De dhimma is in zijn ogen dus een prima instituut om de verhouding tussen moslims en niet-moslims te regelen. De barmhartigheid heeft wel een grens: wanneer Mohammed zich op zeker moment ergert omdat hij denkt dat de joden iets waardevols verborgen houden voor hem – ter verkrijging van de informatie martelt hij een Khaybariaan door een vuurtje te laten stoken op diens borst – gebiedt hij alsnog dat de mannen worden gedood, de vrouwen tot slaven worden gemaakt en de akkers in beslag worden genomen.
Tot zo ver de episode-Khaybar op hoofdpunten. Intimidatie, gewapende strijd, moord, verkrachting, marteling en verbanning zijn de ingrediënten, al kom je daar niet achter als je de biografie van Ramadan leest. Ik begrijp werkelijk niet hoe Wagtendonk kan vinden dat Ramadan de bronnen correct weergeeft.

RAMADAN BRENGT HET LEVEN van Mohammed niet al te bloederig over het voetlicht. Dat is echter niet ingegeven door een principiële afkeuring van geweld. Ramadan is een gebrekkig denker, maar als het over geweld gaat, lijkt hij zich steeds even extra in te spannen en betoont hij zich een unverfroren en consistente hegeliaan: gewapende strijd wordt in zijn pappige proza voorgesteld als een ‘balans en regulatie van krachten die gegeven de menselijke natuur een objectieve noodzakelijkheid zijn’. Objectief noodzakelijk. Klinkt deftig, maar de betekenis is gewoon de moslimse visie dat God alles wat mensen doen van nanoseconde tot nanoseconde aan het scheppen is. God zet bijvoorbeeld nu de punt achter deze zin. Totdat de mens door God op deze manier uitgebalanceerd en uitgereguleerd is, vormt oorlogvoering volgens Ramadan de ‘belofte voor vrede onder de mensen’.
Men zou misschien kunnen concluderen dat Tariq Ramadan een extremist is, iemand die geweld, verkrachting, terreur, bedrog en marteling als een goddelijke ‘noodzakelijkheid’ beschouwt. Maar Tariq Ramadan is geen extremist. De ellende is dat hij een keurige orthodoxe moslim is. Dit is de islam, en volgens Tariq Ramadan zelf is er daar maar één van.
Wat zijn ‘wetenschappelijkheid’ betreft: Bart Tromp, zelf politicoloog, die zich daarnaast heeft beziggehouden met wetenschapsfilosofie, had gelijk. Aan een universiteit heeft Tariq Ramadan niets te zoeken. Ik durf de stelling wel aan dat Tariq Ramadan nog nooit zelfs maar één werk heeft afgeleverd dat de wetenschappelijke toets zou kunnen doorstaan.
Ik zou daarom erg benieuwd zijn naar de inhoudelijke motivatie van het college van bestuur van de Erasmus Universiteit voor de verlenging van Ramadans contract tot 2011. Deze is jammer genoeg tot nu toe niet gegeven.