Bronwyn Hughes’ film Stander is een actuele reflectie van Zuid-Afrika

Essay: Theater van de dood

De nieuwe film Stander van Bronwyn Hughes gaat over een Zuid-Afrikaanse politie agent die een bankrover wordt. Het waargebeurde verhaal speelt zich af begin jaren tachtig, maar is vooral een actuele reflectie van het land waar hemel en hel één zijn. Zenuwcentrum: Johannesburg.

«Hey, Europe, give me your money, man!» Het Zuid-Afrikaanse accent is zwaar gelardeerd met Johannesburgs straatslang. Ik val in de rol. «Howzit!» zeg ik. De drie jongens zijn straatschoffies, ze zouden zelfs tsotsi’s kunnen zijn. Dat is het Sotho-woord voor zoiets als «jonge bandieten». Want zij kijken allemaal net iets te dreigend naar mij, naar mijn zonnebril, de digitale camera in mijn hand en vooral naar de auto die verderop staat geparkeerd.

Op een heuvel in Troyeville, een oud deel van de miljoenenstad, stap ik de geschiedenis binnen. Ongeveer twintig jaar geleden woonde ik hier, in een straat met rijtjeshuisjes die in de jaren dertig werden gebouwd voor witte arbeiders en die in de jaren tachtig werden bewoond door witte en zwarte yuppen. Nu wonen de tsotsi’s er. Het valt niet mee, zegt een van hen. Hij wijst naar de kapotte tuinhekken, de verrotte houten ramen en de witte verfschilfers op de muren. Op een rustige manier zegt hij geen geld te hebben om de huisjes op te knappen. En wie ben jij eigenlijk? vraagt hij. Ik verduidelijk dat ik ooit in een van de huisjes woonde, dat ik nu in Europa woon en dat ik op bezoek ben in Johannesburg. «Hau», zegt de foute tsotsi zonder van het trottoir op te staan. Hij heeft cool afrohaar. Hij noemt mij «Europe». Hij bedoelt dat als een belediging, en zo vat ik het ook op. En hij zegt dat hij mijn geld wil. Hoe serieus hij is, weet ik niet, want een donkere zonnebril verbergt zijn ogen.

Ik voel me ongemakkelijk. Ik kijk weg. Deze heuvel biedt het meest perfecte zicht op een ongelooflijke stad. De schoonheid zit ’m in de krachtige uitstraling van de wolkenkrabbers en in de sfeer van melancholie die aanwezig is in de wirwar van straten en steegjes. Starend naar de stad op mijn oude heuvel realiseer ik me opeens dat ik de routekaart die in de auto ligt niet nodig zal hebben. Deze wegen staan in mijn geheugen gegrift. Eind jaren tachtig doorkruiste ik de stad als jonge misdaadverslaggever, op zoek naar verhalen vol bloed en passie. Het bezoek is min of meer bedoeld als speurtocht naar die tijd.

Ik glimlach naar de tsotsi. Ik probeer: «Aikona, my bra, I have no money!» (Nee, mijn broer, ik heb geen geld.) Hij klakt verontwaardigd met zijn tong en draait zijn hoofd minachtend weg. Gefaald. Zijn vriendjes lachen. Ik weet niet of ze dat doen vanwege mijn grapje of omdat ze mij maar pathetisch vinden. Nog een keer kijk ik naar mijn oude huis. Dan klim ik in de auto, zwaai naar de jongens en rijd de heuvel af, de stad in.

Jongens als deze in mijn oude buurt Troyeville vonden op 16, 17 en 18 juni 1976 in Soweto de dood tijdens de opstand tegen het onderwijsbeleid van het apartheidsregime. Meer dan tweehonderd mensen werden doodgeschoten toen de politie het vuur opende op de menigte.

Onder de doden was de twaalfjarige Hector Pieterson. Hector werd een martelaar nadat een foto de wereld in was gestuurd waarop te zien is hoe een huilende man zijn levenloze lichaam in zijn armen draagt. Uit het stof van Soweto dook nog een andere beroemdheid op. Hij heette Andre Stander. Politieagent. En bankrover. Behalve door het feit dat hij een van de daders in de Soweto-massamoord was, werd Stander ook beroemd doordat hij in de jaren na de opstand opeens was begonnen banken te overvallen.

Nu is zijn leven vastgelegd in een film van regisseuse Bronwyn Hughes, getiteld Stander. Het is op verscheidene niveaus een merkwaardige film. Niet alleen werkt Stander schitterend als genrestuk over een bende intellectuele bankovervallers. Ook reflecteert de film volmaakt de actuele ontwikkelingen in het land. De film laat zien dat hemel en hel in Zuid-Afrika één zijn. Stander stelt de meeste andere films die over Zuid-Afrika en de apartheid zijn gemaakt in de schaduw. De film doet dat door twee kanten van dezelfde munt te verbeelden. Stander gaat over politiek en vermaak, over geweld en celebrity. Alle Zuid-Afrikaanse krantenlezers zijn daar dol op. Dat blijkt eens te meer uit de Andre Stander-sage.

De feiten. In 1976 was Andre Stander een politieagent die de Soweto-opstanden aan den lijve ondervond. Hij deed dienst bij de oproerpolitie. Onbekend is of hij, zoals in de film, ook in het echt mensen in koelen bloede heeft doodgeschoten tijdens de protesten. Hij was een modelagent, zoon van een prominente politiekolonel. In 1983, terwijl Stander nog een kapitein in politiedienst was, begon hij banken in Johannesburg te overvallen. Daar werd hij heel goed in. Zijn stijl was om de cais sière onopvallend en vriendelijk te benaderen waarna de werkneemster een zak met geld moest vullen terwijl Stander een vuurwapen onder zijn jasje gereed hield.

Stander vond dit alles hilarisch. Op kantoor sprak hij, de politieman, er graag over hoe hij de perfecte misdaad zou kunnen plegen. Zijn beste vriend, een rechercheur, rook onraad. Na onderzoek stuitte hij op Stander, de bankrover. Stander werd gearresteerd en belandde achter de tralies.

In de Zonderwater-gevangenis ontmoette hij Alan Heyl, een denker en slimme bankovervaller, en Patrick Lee McCall, een laag-bij-de-grondse crimineel met talent voor van alles en nog wat. Stander smeedde plannen. In 1983 ontsnapte hij samen met McCall. Een paar dagen later keerden zij terug en hielpen met de ontsnapping van Heyl. Het team was compleet.

Tussen 1983 en 1984 beroofde de bende tientallen banken en kwamen weg met honderdduizenden randen. Zij leefden als koningen in de rijke voorsteden. Ze kochten Porches en zeiljachten. Ondertussen was de hele Zuid-Afrikaanse politiedienst ze op het spoor. In de media waren ze supersterren geworden dankzij de brutale wijze waarop ze de autoriteiten voor de gek hielden.

Het sprookje eindigde in 1984, het jaar waarin ik in Johannesburg mijn eerste schreden als misdaadverslaggever zette. Ik herinner me nog de krantenkoppen en de grote kleurenfoto’s: Andre Stander, dood geschoten in Fort Lauderdale, Florida.

Na de heuvel van Troyeville vervolg ik mijn route door de stad naar Berea, een gebied met veel hoge flatgebouwen, waar ik ook ooit woonde, en daarna naar het aangrenzende, beruchte uitgaansgebied Hillbrow. Eens was Hillbrow het downtown van de stad, een hip Greenwich Village of Soho waar je naar township-jazz kon luisteren, een Griekse salade of Afrikaanse pens kon eten, naar een discotheek kon gaan waar men weg was van Engelse New Wave, om drie uur ’s morgens een vers gegrilde kip kon kopen, een tweedehands boekwinkel kon bezoeken en naar de film kon gaan in de Mini-Cine, 24 uur per dag. Hillbrow was het beste wat deze stad, of enige andere stad in de wereld, mij kon bieden.

Ik stop bij een hotel waar ik veel kwam, ook al was het een nest voor criminelen en prostituees. Ik ging er vaak naartoe met collega’s en vrienden, na tweeën ’s ochtends wanneer mijn dienst bij de avondredactie erop zat. De nacht was stil en donker. De lichtjes van de wolkenkrabbers schitterden en het was cool en smooth op de eerste etage van het hotel, net als de muziek waar ik graag naar luisterde. Je kon er rustig zitten, illegaal geïmporteerde sigaretten roken, naar de stad kijken, Southern Comfort drinken en chillen terwijl de deejay soul en fusion draaide. Ik vond de klanten kleurrijke, subversieve figuren. Je kon altijd met ze praten.

Nu, terwijl ik naar de ingang van het hotel kijk, herinner ik me een gesprek met een oude vriend en collega een dag tevoren. Hij vertelde dat je je leven tegenwoordig niet meer zeker bent in Hillbrow. «Ze schieten je dood voor je tien jaar oude mobieltje», zei hij. En hij was nooit een bangerik. Hij vertelde ook dat de Nigeriaanse maffia zich meester heeft gemaakt van dit deel van de stad door middel van drugs, prostitutie en het omkopen van de politie.

Ik vind het een tragedie dat Hillbrow is verpest. Is dit gevoel legitiem? Of speelt mijn hunkering naar herinnering, naar de zoete romantiek van het verleden, mij parten? Misschien is het goed dat Hillbrow is veranderd. Het land is immers totaal anders geworden. Verandering is een gegeven, net als de geschiedenis.

Ik rijd naar het politiebureau van Hillbrow. Als misdaadverslaggever kwam ik hier iedere dag om mijn contacten in de recherchedienst te onderhouden. Zij waren Andre Stander-achtige figuren: witte mannen van tussen de twintig en veertig jaar die, net als Stander in het eerste halfuur van Bronwyn Hughes’ film, een façade van bijna lachwekkend machismo in stand hielden. Zij waren net als de boys in een van de eerste scènes in Stander, waarin Stander, perfect gespeeld door de Amerikaanse acteur Tom Jane, in het huwelijk treedt met Bekkie (Deborah Kara Unger). In de scène weerklinkt de huwelijksceremonie uit Michael Cimino’s film The Deer Hunter: mannen die met elkaar verbonden zijn door de vriendschap én door het donkere vooruitzicht van geweld. In The Deer Hunter stonden de vrienden op het punt naar Vietnam te vertrekken. In Stander weten de agenten dat zij de volgende dag dienst zullen moeten doen bij de oproerpolitie in Soweto. Het is 16 juni 1976.

Regisseuse Hughes brengt die fatale dag cinematografisch meesterlijk in beeld. Vanuit de lucht is de menigte zichtbaar, dansend in de straten. Het is de toyi-toyi, de beroemde protestdans tegen de apartheid. Later schreef Hughes in een artikel over het maken van de film dat de «acteurs», die bestonden uit inwoners van het township Tembisa, zo werden meegevoerd door de dans dat zij vergaten dat het maar een film was. De oude dagen van protest herleefden voor hen. Deze passie is goed te zien in de scène: wanneer de mensenmassa de barricade van de politie bereikt, is de spanning te snijden. De nervositeit van de agenten, die nu helmen dragen en gewapend zijn, is voelbaar. Ook Andre Stander is er. Hij heeft een shotgun in zijn handen. Wanneer de eerste steen de eerste politieagent treft, breekt de hel los. De agenten schieten in het wilde weg. Kinderen vallen dood neer. Een kind rent recht op Stander af. Hij schrikt. Hij vuurt. Het schot is dodelijk. Het is alsof er iets breekt in Stander. Hij begint te schieten en te schieten. En dan, een meesterlijke zet van Hughes: zij breekt de scène abrupt af. We krijgen de massamoord niet te zien. Dat maakt het alleen maar erger.

In Braamfontein rijd ik voorbij de stadsschouwburg naar Jorissonstraat, waar Andre Stander een van zijn eerste bankovervallen pleegde. In de film noemt iemand hem «one smooth ouk», Zuid-Afrikaans slang voor «een gladde jongen». Dat was Andre de bankrover ten voeten uit. Gekleed als de typische, witte politierechercheur in een goedkoop pak en eveneens goedkope schoenen stapte hij gewoon op de caissière af, liet zijn vuurwapen zien en vroeg vriendelijk aan haar – het was bijna altijd een jonge, aantrekkelijke vrouw – om zijn zak te vullen. Hughes geeft haar Stander een hippe, erotische uitstraling. Hij is een man van actie, maar wel een die zelfs chique overkomt tijdens de fraai gechoreografeerde achtervolgingsscènes door de straten van Johannesburg.

Stander had stijl, maar hij had ook inhoud. Hughes ziet hem als een symbolische figuur in een verhaal over witte schuld over de jaren van apartheid. Hughes’ Stander is romantisch en onschuldig, getourmenteerd en berouwvol, een heer en een charmeur. Dat klopt natuurlijk niet helemaal met de werkelijkheid. De echte Stander was wel een Robin Hood-achtige bankovervaller, maar hij was ook een verkrachter van jonge meisjes, althans volgens sommige verslagen van zijn leven en «werk». In het boek Of Criminal Intent voert auteur Rob Marsh aan dat Stander in oktober 1983 een tienermeisje in een hotel bij Pretoria had verkracht. Later vond de politie foto’s van het meisje in een van de huizen waar Stander, Heyl en McCall zich verschansten. Van deze Stander is in Hughes’ film niets terug te vinden. In haar versie van zijn leven is hij hooguit een fatalist. Wanneer een collega hem arresteert, al vrij snel na de eerste overval, zegt hij: «Waarom duurde het zo lang?» Tegenover de rechter die hem vonnist, zegt hij sardonisch: «Ik sta terecht voor bankovervallen terwijl ik ongewapende burgers heb doodgeschoten.»

Het thema van schuld en loutering komt tot uiting in een briljante scène waarin de voortvluchtige Stander diep in de nacht op bezoek gaat bij zijn vader, een gepensioneerde politiekolonel. De vader, een prachtrol van Marius Weyers, een van de beste Zuid-Afrikaanse acteurs ooit, slaapt. Stander staat naast zijn bed. Zonder zijn vader wakker te maken, raakt Stander zacht zijn arm aan. De camera talmt enkele seconden, en dan is de scène voorbij.

Het motief van de verloren zoon en de autoritaire vader was een paar jaar geleden het onderwerp van het post-apartheidsdiscours dat voornamelijk in de Afrikaanstalige media werd gevoerd. Voor het eerst, zij het heel voorzichtig, stelden Afrikaner-intellectuelen de vraag wat voor schadelijke effecten de apartheid op de Afrikaners had, zij die de bedenkers en de uitvoerders van het systeem waren. Een van de conclusies luidde dat Afrikaners mentaal zo verziekt waren door hun eigen systeem dat ze niet meer in staat waren tot politieke of intellectuele reflectie. Tijdens een recent schrijverscongres in Zuid-Afrika bestempelde de cultuurcriticus Johann Rossouw apartheid als een «massale sociale regimentering van de Afrikanergemeenschap waarbinnen mannen, vrouwen en kinderen elk een aparte rol hadden om te spelen». Volgens Rossouw kunnen politiek en denken pas gedijen wanneer een vrij spel van verwisselbare rollen mogelijk is, als in het theater. Het systeem van de apartheid was derhalve als een «theater van de dood», waarin iedere acteur slechts de woorden van de marionettenmeester mocht bezigen. Hij doelt hiermee op het feit dat er een generatie Zuid-Afrikanen was die eigenlijk geen andere keus had dan zich te onderwerpen aan het systeem. Zij waren als het ware verlamd door de indoctrinatie van de oudere generatie, de heersers uit het tijdperk van P.W. Botha en, in mindere mate, van F.W. de Klerk. Zij hadden geen verleden, aangezien zij zich niet konden vinden in de ideologie van rassenscheiding, en zij hadden geen toekomst, omdat de hele wereld zich tegen hen keerde. Het leven was uitzichtloos en de enige zekerheid was moord en doodslag.

Andre Stander was een Afrikaner, maar ironisch genoeg haatte hij de taal die hij met een geweer in de townships moest verdedigen. Als zijn vader in de film tegen hem Afrikaans probeert te praten, vraagt Andre hem Engels te spreken. Zo wordt Stander de gedroomde Afrikaner revolutionair die zich eerst moet onderwerpen aan de eisen van schuld, boete en loutering.

Dat Bronwyn Hughes deze thematiek bewust heeft ontwikkeld, blijkt uit de centrale scène ergens halverwege haar film. Stander gaat naar een township met als doel de ouders te zoeken van het kind dat hij tijdens de Soweto-opstand had vermoord. In een sjebeen, een illegale kroeg, vindt hij de vader. De oude man kijkt uitdrukkingsloos naar Stander. Zonder iets te zeggen pakt hij zijn knopkierie. Vervolgens begint hij Stander ermee af te ranselen. De voormalige politieagent verzet zich niet. Hij accepteert de slagen dankbaar.

Vanaf Braamfontein, waar Stander ooit huishield in de rijke banken, rijd ik voorbij de universiteit het centrum uit. Ik ga de ringweg op. Jaren geleden racete ik op dit complexe net met vierbaanswegen en een duizelingwekkend aantal knooppunten op weg naar de een of andere moordpartij, een auto-ongeluk, bomexplosie of gezinsmoord. Al gauw verschijnt Soweto aan mijn rechterkant. Wat een bloed vloeide hier, in deze straten, in deze huisjes, in de hoofden van deze mensen. Is er een betere benaming voor Zuid-Afrika dan «theater van de dood», ook al bedoelde de filosoof Rossouw het als metaforische referentie aan een staat van mentale stagnatie en verrotting? Dat was het land: jarenlang letterlijk en figuurlijk het toneel van sadisme, repressie en onuitsprekelijk geweld, het toneel van de dood.

Toch, op miraculeuze wijze lijken de Zuid-Afrikanen de geschiedenis te hebben overleefd. De jongens in Troyeville, daar op de heuvel in de «Stad van Goud», hebben geen rooie cent, maar zij zijn vrij, vrij om te stelen en te roven en om mensen te doden en te verkrachten en om kinderen in brand te steken, dat wel, maar ook vrij om politieke partijen te kiezen, boeken te lezen, te studeren en grote kunst te maken. De hemel en de hel ineen, dat is Zuid-Afrika, land van de dood én van de grote vrijheid.

Stander eiste zijn vrijheid op, zodat hij kon boeten voor de zonden van zijn voorvaderen, van zijn eigen vader, de politiekolonel. Daarom transformeerde Stander van politieagent naar bankovervaller. Stander bleef vrij tot zijn dood in Fort Lauderdale, Florida, waar hij naartoe was gevlucht en waar een Amerikaanse agent hem doodschoot toen hij zich verzette tegen zijn arrestatie. In Hughes’ film is het alsof hij dat met opzet deed, en zodoende dus zelfmoord pleegde. Of dat in het echt zo is gegaan, doet er niet meer toe. Stander is nu de werkelijkheid, want de film is een meesterwerk, met evenveel stijl en energie als het land waarin het zich afspeelt.

De jongen blijft mij bij. «Hey, Europe, give me your money, man!» Ik weet het nu zeker. Hij zegt dat vaak tegen mensen, maar dan met een mes of een pistool in zijn hand. Iets in zijn lichaam verraadde hem, een zekere spanning in zijn spieren, een bepaalde irritatie over de wijze waarop ik daar rondliep met mijn zonnebril en camera, alsof het mijn wereld was. Dat was het niet. Ik ben weggegaan. Ik ben er nu een vreemdeling, ik ben nu Europe. Ik heb het recht op deze heuvel verspeeld. Dus ben ik een indringer, een inbreker in mijn eigen geschiedenis, een overvaller in andermans werkelijkheid, een schavuit, een tsotsi .

Stander is uit op dvd