Essaywedstrijd 2009

Cimedart organiseert in samenwerking met De Groene Amsterdammer een landelijke essaywedstrijd voor studenten en net afgestudeerden.

Medium essaywedstrijd

Prijzen
Het winnende essay zal gepubliceerd worden in De Groene Amsterdammer, de beste drie inzendigen tevens in Cimedart.

Eerste prijs: een geldbedrag van 500,-
Tweede prijs: een jaarabonnement op De Groene Amsterdammer
Derde prijs:de essaybloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays (Prometheus).

De prijsuitreiking vindt plaats tijdens het filosofisch festival Drift op 25 april 2009.

Jury
De jury bestaat uit Bas Heijne, Maarten Doorman, Joke Hermsen, Xandra Schutte (De Groene Amsterdammer) en prof. Ruth Sonderegger (UvA Wijsbegeerte).

Essay
Wij vragen de deelnemers een essay te schrijven. Een essay is geen kort verhaal, geen wetenschappelijk artikel, geen filosofische paper, geen politiek pamflet. Het essay is reflectie in geschrifte. Elke inhoud is voor het essay geschikt, zolang die ‘noodzakelijk eenieder aangaat’. De essayist reflecteert in vrijheid op een zelf te bepalen onderwerp, en brengt zijn gedachten vervolgens in gepaste vorm over aan de lezer. Er is bij deze essaywedstrijd één aanvullende eis: sluit aan bij de actualiteit.

Deadline
De deadline voor inzenden is 1 maart 2009.

Wedstrijdreglement
Lees hier het wedstrijdreglement.
Inzendingen dienen te worden gericht aan:
Cimedart
Nieuwe Doelenstraat 15
1012 CP Amsterdam
o.v.v ‘Essaywedstrijd’

De essaywedstrijd wordt financieel mede mogelijk gemaakt door de Afdeling Wijsbegeerte en het Amsterdams Universiteitsfonds van de Amsterdamse Universiteits-Vereniging , de algemene alumnivereniging van de UvA.

De do’s en don’ts van het essay

Wat de betekenis van het essay betreft, kun je je maar beter niet tot woordenboek of (internet)encyclopedie wenden. Wat een essay precies is, zul je daardoor namelijk niet te weten komen. Evenmin is het echter aan te raden om voor je begint te schrijven nog even Theodor W. Adorno’s ‘Der Essay als Form’ er op na te slaan. Niet dat ik iemand zou willen ontmoedigen zich in de filosofie te verdiepen, integendeel, maar een pagina of vijfentwintig in het hoogontwikkelde Duits van Adorno lees je nu eenmaal niet in een krap kwartiertje.

De aanbeveling ‘neem er de tijd voor’ is in dit interactieve internettijdperk geen open deur. Want het mag aan de hand van al die online lijstjes met aanwijzingen en aandachtspunten, tips en trucs en do’s en don’ts een eitje lijken, een essay schrijven, dat is het natuurlijk niet. Het is wel waar dat voor het essay stijl en vorm van wezenlijk belang zijn, maar zonder inhoud hoef je aan schrijven niet te beginnen. Mooischrijverij en holle retoriek is er immers al genoeg. Het komt erop aan eerst eens goed over iets na te denken, op een onderwerp te reflecteren, je te bezinnen. Ook dat lijkt weer een open deur, maar kennelijk gebeurt het nauwelijks – want hoe vaak lees je nou een goed essay?

Een geluk daarom, dat er sinds kort een bloemlezing voorhanden is met daarin zo’n beetje de beste essays die er in het Nederlandse taalgebied geschreven zijn. De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, bezorgd door Joost Zwagerman, is een waar genoegen om alleen al door te bladeren. Elk essay in dit lijvige boekwerk dringt zich aan je op; wil, nee móet gelezen worden.

Toch mist ook Zwagerman in zijn inleiding het wezenlijke punt, namelijk dat het belangrijkste ingrediënt van het essay reflectie is, het denken dat aan het schrijven vooraf gaat. Laat ik daar hier dan even bij stilstaan, en kort ook iets proberen te formuleren óver het essay. Nu is dat al ontelbare keren gedaan, en niet door de minste geesten, maar het kan nooit kwaad ook zelf na te denken.

Er volgt nu niet een opsomming van criteria die zouden moeten vastleggen wat dat is, een essay. Dat kan namelijk niet, omdat een essay vrij is, beweeglijk en veranderlijk, zoals de geest die het voortbrengt. ‘Vrij’ betekent niet dat er maar op los geschreven kan worden, over wat je maar wil en hoe het je maar belieft. Vrijheid moet niet verward worden met willekeur. Willekeur is een doodzonde. De vrije geest is, mits ontwikkeld, in zijn reflectie vrij, autonoom – maar niettemin wel altijd gebonden aan het object waar de reflectie op betrokken is. Er kan niet creatief met de waarheid omgesprongen worden; überhaupt is het essay geen fictie. Het essay gaat over iets wat er al is. Het gaat erom de zaak zelf naar voren te brengen, om het in fenomenologische termen te zeggen. Deze zaak kan per essay verschillen. In principe is elke inhoud mogelijk – zolang het maar relevant is, voor de schrijver, de lezers, voor de mens. Juist dat moet in een essay altijd duidelijk worden, want vanzelf spreekt er niets – daarom is reflectie vereist, om de zaak aan de man te brengen. Of het nu gaat om persoonlijke ervaringen, maatschappelijke ontwikkelingen, kunstuitingen of wetenschappelijk verworven kennis, het is het denken dat het onderwerp met de lezer verbindt. De vorm is daarbij niet los te zien van de inhoud: het is de treffende formulering die de zaak weet over te brengen, het is de toon die de muziek maakt. En wanneer er iets betoogd wordt, ontleent het essay zijn zeggingskracht mede aan zijn stijl.

Enige bescheidenheid is daarbij in de naam ingebakken. Essayer, proberen, pogen tot iets te komen – maar altijd voorlopig, en nog niet af. Het essay betoogt, zet uiteen, vergelijkt, legt verbanden en trekt conclusies, maar slaat niemand om de oren met absolute waarheden of totalitaire pretenties. En hoewel reflectie van zichzelf ernstig is, zijn ironie, speelsheid en niet in de laatste plaats humor de geest ook niet vreemd.

Gewicht verliest het essay door deze dingen allerminst. Vaak wordt wel van het essay gezegd dat het ‘persoonlijk’ is, of ‘subjectief’. Het zijn misleidende termen, die al dan niet impliciet gepaard gaan met een tegenstelling tot ‘wetenschappelijk’ of ‘objectief’, waardoor een essay vooral niet al te serieus genomen zou hoeven worden. In werkelijkheid maakt een essay niet minder aanspraak op waarheid dan een wetenschappelijk artikel. In het essay gaat het echter niet slechts om de waarheid van verworven kennis, maar om de betekenis van die kennis en de vraag wat we ermee aanmoeten. Sterker nog: de wetenschap als kennisvermeerderend bedrijf zou zinloos zijn, wanneer er geen scherpe geesten zouden reflecteren op de zin ervan.

Wat we ermee aanmoeten, stond er zojuist. Inderdaad is het voor het essay kenmerkend dat het een normatief of praktisch gehalte heeft; of tenminste dat het ons iets leert, inzicht bijbrengt. Juist daarom hoeft een essay niet per se wetenschap als uitgangspunt te nemen, maar kunnen ook alledaagse verschijnselen of persoonlijke beslommeringen tot voorwerp van reflectie worden. Voor een deel heeft dat ‘persoonlijke’ hiermee te maken. Maar niet uitsluitend. Het punt is vooral dat in een wetenschappelijk artikel uitkomsten van onderzoek worden gepresenteerd, die onafhankelijk van de persoon van de wetenschapper tot stand zijn gekomen. Door het normatieve gehalte van het essay is de persoon van de schrijver echter juist altijd direct betrokken bij dat wat er aan de orde wordt gesteld. ‘Persoonlijk’ is een essay niet doordat iemand over zijn eigen ervaringen schrijft, maar omdat de auteur zijn eigen persoon daarbij niet over het hoofd ziet en omdat die ervaringen ook voor andere personen relevantie hebben.

Het is te vergelijken met wat Immanuel Kant het ‘Weltbegriff’ van filosofie heeft genoemd. Filosofie moet volgens die opvatting gaan over ‘dat wat eenieder noodzakelijk aangaat’, over dat wat wezenlijk is voor de mens. Tegenover de specialisering en de fragmentarisering van de vakfilosofie en -wetenschap van vandaag mag dat best wel weer eens gezegd worden. Adorno geeft zich daarvan rekenschap, en in ‘Der Essay als Form’ benadrukt hij dat het essay de vorm bij uitstek is om dergelijke filosofische reflectie in tot uitdrukking te brengen.

Terecht benadrukte ook Abram de Swaan daarom, in zijn dankrede bij het in ontvangst nemen van de P.C. Hooft-prijs 2008 voor zijn essayistische werk, dat het essay altijd geschreven wordt voor een breed publiek. Dat betekent niet dat de vraag het aanbod bepaalt, zeker niet, maar wel dat de essayist zijn gedachten begrijpelijk, toegankelijk en derhalve gestructureerd uiteenzet. De lezer mag zich best wel wat moeite getroosten om de auteur te volgen, maar kan toch niet als specialist benaderd worden. Pas dan kan een essay tot denken aanzetten, een mening vormen of iemand in beweging brengen. Daarmee is het essay hét medium van burgers in een democratische samenleving die met elkaar willen communiceren. Zoals weinigen dat kunnen, schrijft De Swaan:

De essayistiek als literair genre is, in deze tijd van volle vrijheid, in de verdrukking door gebrek aan aandacht en gebrek aan plaats. Het een versterkt het ander. Is dat erg? Ja. En niet alleen om literaire redenen, maar ook om culturele, of eigenlijk fundamenteel politieke redenen. Het essay als beschouwend proza is de vorm bij uitstek voor de meningsuiting en de gedachtewisseling tussen volgroeide mensen, bij hun volle verstand, die niet worden aangesproken als experts op een deelgebied, en ook niet als gelovigen in eigen kring, en al helemaal niet als verstrooide idioten, maar als leken, mensen dus die over alles wel iets weten en over van alles nog iets meer willen weten, die proberen zich over veel verschillende zaken een mening te vormen en die zich enigszins verantwoordelijk voelen voor de wereld waarin ze leven. Voor zulke lezers wordt het essay geschreven, als een persoonlijk en een publiek betoog, met een stijl.

Arnold de Groot