Esther (4)

Ik ben eigenlijk Esthers vader – en zo gedraag ik me ook.

Er zijn wel eens dagdromen van iets seksueels, maar niet van dien aard dat ik het niet aan mijn vriendin zou kunnen vertellen. Hoe intiem zij en ik ook met elkaar zijn, er is tegelijkertijd een enorme afstand.

Medium groene opheffer esther4

Dat komt ook door die vriend van haar die niet begrijpt wat ik opeens in hun leven kom uitspoken, en ik kan hem niet helpen want ik begrijp het zelf ook niet.

De jongen is slim en mooi en – verder weet ik het niet – en hij wil vaak en veel met mij discussiëren.

Dat wil ik ook wel, maar het kost mij dan grote moeite hem serieus te nemen, wat vermoedelijk wat resten losgeslagen testosteron zijn die door mijn lichaam worden afgestoten.

‘Ik maak mij druk om de politiek want wij zijn de eerste generatie die het slechter krijgen dan jullie. Daarom voel ik het als plicht om politiek actief te zijn’, zegt hij.

De woorden ‘politiek actief’ hoor ik natuurlijk graag, want dat was ik ook vroeger, maar ik moet ervoor waken dat ik een ouwelullenverhaal ga opdissen. Dus probeer ik zo goed en zo kwaad als het kan een gesprek met hem te voeren.

‘Wat bedoel je met politiek actief?’

‘Ik wil dat er iets verandert, en daar wil ik mijn best voor doen.’

‘Via een politieke partij?’

‘Ja… Ik ben lid van de SP.’

‘O… Nou mooi… En wat wil je dan veranderen?’

Goddank komt Esthertje haar atelier binnenwandelen, ergens tussen de woorden ‘onrecht’ en ‘kapitalisme’ die hij uitsprak. Ze zegt tegen haar vriend: ‘Is opa weer cynisch bezig geweest?’ De vriend antwoordt niet, maar formuleert iets wat lijkt op een excuus dat hij weg moet, want druk, de wereld moet veranderd, hersteld of omgedraaid worden. Er is in ieder geval hoge nood. Hij groet mij en verlaat het atelier.

‘Leuke jongen’, zeg ik.

‘Ja, ik ga het uitmaken.’

‘O, waarom?’

‘Niet muzisch.’

‘Niet muzikaal?’

‘Nee, muzisch… Je weet toch wel wat muzisch is? Ik wil een muzische man.’

‘Zoals ik.’

Esther kijkt me aan.

‘Ja, maar ik wil geen man van jouw leeftijd.’

‘Waarom toch niet?’

‘Met zo’n buik, waarschijnlijk huidplooien, je hebt wel leuke billen, maar… je bent niet aantrekkelijk voor mij. Te oud, echt.’

‘Staatssecretaris Henk Bleker vond ook een vrouw die 32 jaar jonger was dan hij.’

‘Jij hebt toch al een vriendin?’

‘Jawel… maar doet jouw generatie niet meer aan vreemdgaan?’

‘Dat vind ik goor.’

Ondertussen laat Esther me haar laatste tekeningen zien.

‘Eerlijk zeggen wat je ervan vindt’, zegt ze.

‘Dat ben ik verleerd, daar wordt niemand iets wijzer van.’

‘Ik gebied het je! Wees eerlijk. Zeg het vriendelijk.’

Ik bekijk de tekeningen. Ik probeer er nog onderuit te komen door te zeggen dat ik geen kunstkenner ben, maar ze houdt aan. Ik haal mijn schouders op en zeg: ‘Ik vind dat je heel knap tekent en zo. Maar ik vind dat je tekeningen, en ook je beelden, veel te veel verhaal zijn. Gaat het je nou om de vorm of niet? Ik bedoel: als dit een man is, waarom zijn de verhoudingen dan niet goed… Het is er wel, maar… Ik kan dit niet, Esther.’

‘Je vindt het volkomen kut!’ zegt ze.

‘Nee! Nee! Ik heb er geen verstand van, dat zeg ik eerder.’

‘Maar jij bent de kijker, jij moet dit mooi vinden.’ Ze is woedend. Dit gaat verkeerd.

‘Ik vind het mooi, ik vind het heel mooi. Echt. Heus. Maar ik probeer erachter te komen wat je precies met die beelden wil.’

‘Het is kut! Het is volkomen kut! Ik vind het ook kut!’

Eerlijkheid kan zo stompzinnig zijn. Ik hoor het scheuren van de tekeningen. Ik vertrek.