Esther jansma dendrochronoloog /schrijfster

‘ALS WETENSCHAPPELIJK hoofd van het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie houd ik me bezig met de datering van hout. We meten de groeiringen in een boomstam in honderdste millimeters en vergelijken de patronen van die ringen met al bestaande groeikalenders. De langste groeikalender gaat terug tot 8000 voor Christus. Ik heb de eerste groeikalenders opgebouwd voor Nederlandse eiken.

Het werk van dendrochronologen is niet alleen van belang voor de archeologie en kunsthistorisch onderzoek, maar ook voor het onderzoek naar de resten van natuurlijke bossen. Als kind wilde ik al archeologe worden, vanaf het moment dat er een archeoloog bij ons op bezoek kwam. Ik was een jaar of zeven en “archeoloog” vond ik het lelijkste en het interessantste woord dat ik ooit gehoord had, met al die g’s. Dat leek me wel wat. Schrijver wilde ik ook worden, een paar jaar later, toen ik ontdekte dat je daarmee de wereld prettiger of spannender kunt maken dan die is.
Het liep natuurlijk anders dan ik me had voorgesteld. Archeologie bleek een bovenbouwstudie, daar moest je een kandidaatsexamen in een andere studie voor hebben. Ik werd uitgeloot voor geschiedenis, en ging op zoek naar iets anders dat met mensen en vroeger te maken had: filosofie! Tijdens de doctoraalfase ben ik archeologie erbij gaan doen. Uiteindelijk ben ik gestopt met filosofie, ik vond het een afschuwelijk arrogant zooitje: filosofie werd beschouwd als het hoogste wat er was, de andere wetenschappen waren toegepast en vies.
Archeologie is een veel socialer vak. Je hebt met mensen te maken, zit samen in het veld. Dat teamwerk vond ik aantrekkelijker dan in m'n eentje die Duitse en Franse filosofen bestuderen. De filosofie heeft me wel geholpen in logisch denken. Ik was op school slecht in wiskunde, en de dendrochronologie is zo wiskundig als de hel met al die groeiringetjes, al die getalletjes die je moet manipuleren.’
‘MET SCHRIJVEN ben ik, zoals zoveel mensen, begonnen toen ik in de puberteit zat. Eerst verhalen, maar dat lukte niet goed. Later, toen ik begin twintig was, ben ik gedichten gaan schrijven. Op een gegeven moment ben ik met een paar gedichten naar Ed Leeflang gestapt, een van de weinige dichters die ik ooit gelezen had. Ik dacht: ik krijg óf een schop onder m'n kont, óf hij vindt het wat en dan ga ik ermee door. Hij vond het interessant, maar had ook ontzettend veel kritiek.
Toen dacht ik: nu moet ik iedere dag een uur schrijven, dan pas word ik een dichter. Als het tijdens zo'n uur niet goed ging, moest ik stoppen van mezelf, ging het wel goed, dan kon ik door. Die discipline hielp wel. In het begin zat ik maar wat, maar je leert die knop steeds sneller omdraaien, je komt steeds sneller bij het muziekje dat je wilt maken.
Zo is mijn eerste bundel ontstaan, Stem onder mijn bed. Keurig met de hand geschreven, in grote schriften. Nu werk ik op de computer. Ik denk dat dat wel invloed heeft, al was het maar omdat je je eerdere versie kwijt bent zodra je er iets in verandert. Was het niet Hemingway die zei: “Kill your darlings?” O nee, die zei dat goede schrijvers een goede shit detector hebben. Maar goed, die darlings verdwijnen in de computer sneller uit het oog, waardoor je wat losser komt van je dodelijk geniale regeltjes. Sommige zinnetjes kunnen zo lekker zijn van metrum, dat je iedere keer weer denkt: ja maar die wil ik erin. De computer is genadelozer.
Die discipline van elke dag schrijven was na de geboorte van mijn zoon Melle, april vorig jaar, niet vol te houden. Ik vind dat ook niet iets wat ik op Melle moet gaan bevechten. We hebben twee kinderen verloren - een dochtertje bij de geboorte, en een zoontje na ruim acht maanden - en ik ben graag moeder. Ik schrijf nu vooral ’s(avonds, als Melle slaapt en mijn man even weg is.’
'IK BEN NIET ambitieus in de zin van ontzettend in de spotlights willen staan. Dan was ik wel recensent geworden of had ik als archeoloog op piramides gezeten. Ik heb heel zorgvuldig gebieden uitgezocht die in de periferie liggen: jaarringonderzoek is vrij onbekend, poëzie wordt in kleine oplagen verspreid - geen dichtbundel verkoopt zo goed als Figuranten van Grunberg. Maar ik ben in beide vakken wel ambitieus in de betekenis die de Van Dale er aan geeft: “lust tot het vak hebben, ijverig”. En wat ik ook heb is een enorme trouw, volgens mij een voorwaarde om je vak goed uit te oefenen. Met talent alleen ben je er niet, je moet iets gewoon tien of twintig jaar doen. Alleen als je doorzet, word je ooit een vakman.
Wat ik heb bereikt met mijn jaarringonderzoek, heb ik aan die trouw te danken. Uiteindelijk heeft dat geleid tot een proefschrift waarop ik cum laude ben gepromoveerd, en waarvoor ik vorig jaar de W.A. van Es-prijs voor Archeologie heb gekregen. Na die promotie voorspelde iemand me dat ik heel depressief zou worden, in een gat zou vallen. Toen dacht ik: Wat een luxeprobleem! Wat dacht ik nog meer niet te kunnen, behalve promoveren? O ja, proza schrijven - nou, dan schrijf ik nu proza. Dat werd Picknick op de wenteltrap.’
'PROZA SCHRIJVEN geeft me een heel ander gevoel dan dichten, omdat je aan één geheel werkt. Het sleutelen aan de opbouw van zo'n roman benader ik met al mijn liefde voor grafieken en structuren. Voor Picknick heb ik al mijn themaatjes genummerd, ze moesten allemaal elf keer voorkomen - elf is het gekkengetal - en elkaar op een bepaalde manier afwisselen, sommige mochten alleen maar in het begin voorkomen, andere vooral aan het eind. Als lezer zie je dat allemaal niet, maar het hielp mij omdat het de illusie van macht en controle gaf.
Misschien is dat wel mijn persoonlijke benadering van zowel het schrijven als de wetenschap: verzet tegen een diep besef van machteloosheid. Het feit dat ik kalenders zit te maken van duizenden jaren lang, daar zit ook een controleaspect in, iets van het willen overwinnen van de dood.
De wetenschap zit vaak het schrijven in de weg. Ik ben verantwoordelijk voor dat laboratorium en het onderzoek. Ook thuis voel ik me nog verplicht dit artikeltje af te maken of verder te gaan met dat onderzoek, omdat daar mensen op zitten te wachten. In die zin voel ik me wel eens gegijzeld. En hoe groot de kick ook is om kalenders te bouwen die duizenden jaren bestrijken, wetenschap is toch dwingend. Het is de taak van een wetenschapper er achter te komen hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Daar zijn vaste procedures voor. Maar af en toe wil ik gewoon zélf zeggen hoe het is. Wil ik ook onzin kunnen verkopen, alleen door het in taal logisch te laten zijn. In proza en poëzie kun je je speelsheid kwijt en ben jij het die de wetjes bepaalt. In plaats van een rationele verklaring te zoeken voor de groei van bomen, wil ik ook wel eens kunnen zeggen: deze boom is hartstikke mooi!’
'HET PRETTIGE van het hebben van twee beroepen is dat het me in evenwicht houdt. Op het moment dat ik wetenschap benauwend vind en moe ben van al dat geploeter met die ringen, denk ik: ik ben toch schrijfster! En als ik vind dat de literatuur een hoop incestueus gezever is, denk ik: eigenlijk ben ik wetenschapper!
Toch voel ik me in de literaire wereld meer thuis dan in de wetenschap. Tussen dichters, niet zozeer tussen de schrijvers. Dichters zijn over het algemeen bescheiden, betrokken, helder denkende en formulerende mensen. Een dichter die proza gaat schrijven, levert altijd iets interessanters op dan een schrijver die gaat dichten. En het interessantst zijn de mensen die bijna uitsluitend dichten.
Als ik op dit moment moest kiezen, los van de financiële consequenties, zou het voor schrijven zijn. Omdat ik dat thuis kan doen, bij Melle. Toch zou ik het ook heel jammer vinden als ik de wetenschap achter me moest laten. Het is namelijk zo leuk om ergens goed in te zijn. Als uit die zee van getalletjes opeens een vorm opdoemt, is dat net zo opwindend als wanneer er iets moois ontstaat uit lettertjes en woordjes.’