Etalage

Ik leen andermans muren in andermans stad om het aanhoudende wachtkamergevoel te doorbreken, een illusie van beweging te creëren, zelfs om weer eens terug te kunnen verlangen naar mijn eigen muren, mijn eigen stad. Het leken me aanvankelijk wat groteske verlangens om in één krappe week te proppen, maar dat valt mee. Het huis is me vreemd en ik krijg er als vanzelf een leven bij, dat vooral vormgegeven wordt door praktische geboden. Een vuilnisophaalschema dat aan het prikbord is gehangen en waar uitroeptekens bij zijn gezet, met rode viltstift. De instelling van de oven. De snelste route naar de supermarkt.

Er is een achterbuurman die iedere ochtend opnieuw pal voor het grote raam gaat staan om zijn witte overhemd dicht te knopen, alsof hij ten overstaande van alle buren wil demonstreren hoe men op fatsoenlijke wijze een werkdag begint. Op het dakterras met uitzicht op een kerk en wat groezelige binnenplaatsen, strijken duiven neer, steeds dezelfde duiven lijkt het wel, die me aankijken alsof ze iets verwachten. ’s Nachts luister ik naar het geluid van een kerkklok die ieder uur markeert en dat al anderhalve eeuw volhoudt.

Ik zie mezelf, wandelend door straten waar ik niemand ken, op weg naar een boekhandel waar ik nooit eerder geweest ben, weerspiegeld in ontzielde etalageruiten. Een wat verdwaald ogende vrouw met zo’n verantwoord linnen tasje over de schouder en verstandige schoenen. Niet iemand waar je direct iets tegen kunt hebben, niet iemand met wie je je moeiteloos identificeert. Ik herken me niet in het geschetste beeld, denk ik steeds vaker. Nog steeds niet. Of steeds minder. Er zit, onaangetast door vorm en tijd, zoveel meer hunkering in mensen dan zichtbaar is, zoveel meer geheimenissen dan je in kunt schatten, grimmigheid die je niet peilen kunt. Als ze niet bezig zijn zichzelf te ontlopen, dan zijn ze wel bezig zich met zichzelf te verzoenen. Maar gewoon eens in zichzelf passen, zoals een dier in zichzelf past, zoals een dier zichzelf van kop tot staart opvult, dat zit er voor mensen niet in. Had ik maar lippenstift opgedaan.

In een van de etalages ligt tussen twee etalagepoppen in zijden broekpakken een bruine hond te slapen. Een mager beest. Achter het glas is een briefje geplakt. ‘Dit is Geertje. Hij heeft lang door Roemenië gezworven en is diep getraumatiseerd. Hij schrikt snel van harde geluiden (is een wegloper). Wij gunnen Geertje rust. Niet tegen het glas tikken s.v.p.!’ Ik kijk naar de slapende hond. Naar zijn zacht op en neer bewegende buik, de dikke nagels van zijn voorpoten, de mottige plek bij zijn halsband. Natuurlijk voel ik, kortstondig, een opdringerige behoefte om tegen het glas te tikken. Of zelfs te slaan, snoeihard en volkomen onverwacht, met de vlakke hand. Niet omdat ik Geertje geen rust gun, maar omdat ik ineens iets heb tegen mijn eigen kalmte en gezagsgetrouwheid, tegen praktische geboden en verstandige schoenen, tegen de vrouw die ik weerspiegeld zie boven de kop van de hond. Een bleke schim in een grijze jas. We zijn dicht bij elkaar, de hond en ik. Ingelijst door hetzelfde kozijn. Twee weglopers die al lang niet meer weten waarvoor precies en tot wanneer.

Ik schat de lengte die ik heb. Eén zeventig.
Zet streepjes af op het plafond. Ik lig in bed.
Da Vinci zocht verhouding sec. Ik teken,
zonder lood, mijzelf, van barst tot spinneweb.

In deze droom word ik te groot. Met uitgestrekte
leden, zo onruimtelijk, gezien vanuit de nek,
besta ik niet. Ik schets, maar dan in taal,
zoals ik tot de wereld sta. De ik van een verhaal.

Benno Barnard
In: 1983