Ger Groot

Eten

«Ik ben gefascineerd door het kwaad», zei de criticus Arnold Heumakers enkele jaren geleden in HP/De Tijd. Dat klonk mooi genoeg om als streamer bij het interview te worden afgedrukt. René Zwaap heeft zich daar een paar weken later in De Groene vrolijk over gemaakt. Wat je op de foto van Heumakers ziet is niet iemand die door het kwaad bezeten wordt, aldus Zwaap. Daar had moeten staan: «Ik houd van lekker eten.»

Daar zat iets in. Heumakers houdt van lekker eten. Maar volgens Thomas Rosenboom kan dat eigenlijk niet. «Een echtpaar bereikt ’s avonds als het al donker is een dorpje in Frankrijk», schrijft hij aan het slot van Aanvallend spel: Vier lezingen over schrijven (Querido). «De een denkt: fijn, lekker eten. De ander denkt: als we nog maar een hotel vinden. Die laatste, dat is de lezer van de twee.»

Ooit, diep in de nacht en in een land véél verder dan Frankrijk, heb ik Heumakers onder die laatste vraag zeer gelijkmoedig zien blijven. Iets fatsoenlijks te eten en liefst ook te drinken krijgen was veel urgenter. Toch is Heumakers sinds jaar en dag een van de beste Nederlandse literaire critici: misschien wel de lezer bij uitstek.

Rosenboom schrijft die regels aan het slot van een voordrachtenreeks die hij vorig najaar als gastschrijver aan de Universiteit van Groningen hield. Ruim tien jaar geleden was diezelfde Heumakers hem daarin voorgegaan. Dat leverde toen het boekje Onleefbare waarheden op, waarin Heumakers de literatuur kenmerkte als een vrijplaats voor al het onoorbare, dat alleen als fictie gedaan, gezegd en misschien zelfs gedacht mag worden.

Heumakers sprak als lezer; Rosenboom spreekt als schrijver over zijn ambacht: hoe je je documenteert, hoe je interessante personages schept, hoe je je intrige de goede voorwaartse stuwing geeft die de lezer vasthoudt. En dan gaat het plotseling over die lezer en over het eeuwige leven dat Rosenboom de roman belooft. Want «zolang er problemen zijn, zullen er romans geschreven worden, en zolang er zorgelijke mensen zijn, zullen ze gelezen worden». Rosenboom heeft veel vertrouwen in de tobberige natuur van de mens.

Wantrouwt hij daarom het eetgenot? Literatuur en de smakelijke maaltijd liggen elkaar inderdaad niet erg goed. In de Bommel-verhalen komt de feestdis pas wanneer het verhaal is afgelopen. Voor een werkelijke lofzang op het eten moeten we al snel terug naar Rabelais, toen de roman nog maar nauwelijks bestond. Waar die verscheen, verdween de eetlust. Schaarse uitzonderingen als Laura Esquivels roman Rode rozen en tortilla’s (met recepten die onuitvoerbaar en gerechten die onverteerbaar blijken) bevestigen de regel dat literatuur iets anoxisch heeft — Vázquez Montalbáns gastronomische detective Pepe Carvalho niet te na gesproken.

Met drinken ligt dat anders. «Alcohol is waarschijnlijk de factor die het meest heeft bijgedragen tot de vernieuwing van de literatuur na Baudelaire», schrijft Alexandre Lacroix in zijn essay In drank ten onder (Uitg. Voltaire). Er wordt met overgave over en met alcohol geschreven, en ook lezen doe je het aangenaamst met een glas in de hand.

Zo niet met eten, al zijn er eenzamen die daartoe pogingen doen. Remco Campert heeft er de term «eetlezen» voor uitgevonden en dat klinkt onappetijtelijk genoeg. Je kunt nooit dóórlezen terwijl je een hap neemt, de saus besmeurt de bladzijden, de gelezen pagina’s schieten weg van onder de bordrand. Nog rampzaliger dan eetlezen is eetschrijven. Ik heb in een restaurant ooit op een servet een gedicht moeten vertalen; aan het resultaat daarvan word ik niet graag herinnerd.

En toch heeft Rosenboom ongelijk. Wie graag eet, is geen tobber, maar die hoef je ook niet te zijn om romans te lezen die — inderdaad — altijd over problemen gaan. Ik ken mensen die, diep in de put, bij voorkeur een vroege film van Bergman gaan zien en schaterend weer naar buiten komen. Met onze romanhelden leven wij mee — zolang het lezen duurt en juist omdat hun problemen de onze niet zijn. Opgelucht stellen we vast dat hun leed ons bespaard is gebleven. Madame Bovary — Rosenbooms favoriete voorbeeld — lijdt en sterft; het zwart vloeit uit haar mond. Wij slaan het boek dicht en gaan aan tafel.