Ger Groot

Etherellende

Het moet nog onder het bewind van cultuurminister D’Ancona geweest zijn dat Nederland de middengolffrequentie van Radio 1 op AM opgaf. Veel commotie ontstond er niet over, want vrijwel het hele land werd goed bediend door de alternatieve FM-frequentie. Vooralsnog veranderde er niets in de ether.

Een paar jaar later was het zo ver en viel op 1008 kHz alleen nog maar ruis te horen. Buiten de landsgrenzen was het plotseling afgelopen met de radio-nieuwsvoorziening. Want terwijl de Hilversumse FM-zenders er ter hoogte van Wuustwezel al de brui aan geven, is de middengolf met een beetje goede wil tot in Noord-Spanje te ontvangen. Luisteraars vonden vooralsnog een uitweg op de frequentie 747, die het Radio 1-Journaal grotendeels overnam. Dat was te vroeg gejuicht. Op een kwade dag bleek iemand de vroege ochtend bestemd te hebben voor een allochtonen-jongerenprogramma met bij behorende rap.

Rap. Om zeven uur ’s ochtends. Na vier maanden verdween het programma even steels als het gekomen was en kwam het radiojournaal nog even terug. Maar sinds 1 september is dat alsnog vervangen door het soort ontbijtradiogebabbel waarvan zelfs Talpa is teruggekomen, deze keer gericht op de oudere luisteraar.

Natuurlijk, ter vervanging zijn er het internet en de onvolprezen Wereldomroep. Maar alleen de worka holic heeft een computer in zijn slaap-, bad- én eetkamer staan, en Nederlanders die vaak op nog geen honderd kilometer van de grens wonen behandel je niet als expats. Erger is dat dit AM- probleem alleen maar een symptoom is van een autisme dat de hele Nederlandse omroep is gaan teisteren. Ronduit verontrustend is dat dat ziek tebeeld zich gaat vertonen in het idee de klassieke muziekzender Radio 4 te vervangen door een station voor (opnieuw) de «urban»-jongerengroep.

Geschrokken van de reacties is de Hilversumse Raad van Bestuur intussen weer wat teruggekrabbeld, zonder zich kennelijk af te vragen hoe het met zijn inschatting zo verschrikkelijk fout heeft kunnen gaan. Onverwacht kon de kritiek toch niet gekomen zijn. Een land dat, na het verdwijnen van het – nogal hybridische – Classic FM, helemaal geen klassieke zender meer in de ether heeft, zou zelfs de VS in barbarisme overtreffen. En met schotel antenne of internet, die de verweesde luisteraar als fopspeen werden voorgehouden, begin je nu eenmaal weinig in de auto, waarin op elk moment van de dag een aanzienlijk deel van de Nederlanders zich ophoudt.

Toch was het aan het bestaan van die nieuwste technologie te danken dat de Raad zijn gedachten überhaupt durfde te uiten. Een eenvoudige en volledige afschaffing van de klassieke zender zou waarschijnlijk zelfs hem te veel zijn geweest. Daarmee tekent zich een historische wet af. Naarmate de technologie meer vrijheid belooft, blijkt ze die in de praktijk steeds meer te beperken. Politiek geworden techniek eindigt als een handel in illusies.

Er is geen beter voorbeeld van dat laatste dan de omroeppolitiek tout court. Het bestel dat zich in de nieuwe regeringsplannen aftekent, wordt verkocht met de belofte van een soort Nederlandse BBC, door mensen waarvan je je afvraagt of ze ooit naar die zender kijken. Als staatsomroep heeft het Engelse voorbeeld minstens sinds Thatcher zijn glans danig verloren. Wie zo’n bestel verdedigt, zou daarom beter eens kunnen kijken naar de lotgevallen daarvan in andere landen – en huiveren bij het voorbeeld van Frankrijk, Spanje of Italië.

De charme van de Nederlandse omroep was altijd dat de consumenten daarin zelf een stem konden uitbrengen. Hoe onvolmaakt ook, de burger had een keuze die geen omroepverkiezing was, maar daarbij wel dicht in de buurt kwam. Hij kon zijn zegeningen tellen, zolang het bestel nog niet was hervormd. Dat hij die keuze na die hervormingen niet meer zal hebben, correspondeert met de trieste wet van de politieke technologie. Ronduit een gotspe is het echter dat deze wet is ingediend door een kabinet dat niet ophoudt te hameren op de vrijheid van de burger. Die laatste mag kiezen waar hij het niet wil (energievoorziening), maar wordt elke stem ontnomen waar het hem wel interesseert.

De gang van zaken rond deze omroepwet illustreert dat op de best mogelijke wijze. In elkaar getimmerd in de achterkamers van de politiek wordt hij ingediend door een staats secretaris wier partij nota bene het referendum tot haar kroon juwelen rekent. Als schoolvoorbeeld van oude politiek maakt hij een einde aan een om roep bestel dat in al zijn vreemdheid burger-vriende lijker was dan welk ander systeem ook, met als toppunt de illusie die het volk nu wordt voor gehouden.

Zou de etherconsument ooit nog iets worden gevraagd omtrent hetgeen hij ontvangen, zien en horen wil? Wat vindt hij van de veranderingen van dit bestel, dat steeds meer voor hem meent te moeten kiezen en zo het slechtste aller werelden dreigt te beloven? Hoeveel scepsis de idee van een referendum ook verdient, er is daarvoor nauwelijks een beter onderwerp denkbaar dan deze beknotting van de burgerlijke kijk- en luistervrijheid. Eén keer zou het kabinet het fatsoen moeten hebben de Nederlanders over zijn bedillerigheid te raad plegen.