Media

Ethiek

Wat bezielde de lezers van De Telegraaf om zich kort na de vliegtuigramp in Libië zo massaal tegen hun lijfblad te keren? Wat was er, goed beschouwd, mis met het ‘kortstondig en hartverscheurend telefoongesprek’ met de negenjarige Ruben in het ziekenhuis in Tripoli, waarvan de krant op vrijdag 14 mei een kort verslag afdrukte? Een Libische arts, in gesprek met verslaggever Jolande van der Graaf, had de hoorn spontaan aan de jongen gegeven en wat volgde was een kort en tamelijk vlak interview - een vorm van journalistiek waarop de krant weliswaar al lang geen patent meer heeft, maar waarin hij nog altijd uitblinkt: human interest die groots menselijk drama tot leven wil brengen. Nauwelijks een week eerder had de krant stevig mogen uitpakken met onthullingen over Jack de Vries, mét foto’s.
De vrienden van De Telegraaf zijn, kortom, wel wat gewend. De redactie neemt het al sinds mensenheugenis minder nauw met de grens tussen publiek en privé - en precies daarom is het een raadsel waarom het gesprek met Ruben zo veel lezers zó boos maakte dat de hoofdredactie zich genoodzaakt zag de volgende dag in bedekte termen excuses aan te bieden aan de lezers, die uit het stuk de indruk hadden gekregen dat er sprake was van onzorgvuldig handelen.
Maar het kwaad was al geschied. Ruim zesduizend mensen meldden zich aan op twitteraccount @telegraafboycot, terwijl de krant publiekelijk met het stuk om de oren werd geslagen. PvdA-Kamerlid Dijkstra sprak van 'gewetenloze exploitatie’ van een weerloos jongetje, terwijl minister Rouvoet per twitter zijn hart luchtte over de 'schaamteloze Telegraaf’. Zelfs GeenStijl voegde zich bij het koor van critici: 'respectloze sensatiestalkjournalistiek’, aldus de website, zelf allerminst vies van alternatieve journalistieke praktijken.
Niet alleen De Telegraaf, ook de NOS moest zich publiekelijk voor haar Libië-verslaggeving verdedigen, omdat het Journaal enkele dagen eerder beelden van het - dan nog anonieme - jongetje uit het ziekenhuis had uitgezonden. Op de plek van de ramp zoomde de camera bovendien in op privé-bezittingen tussen de brokstukken, waaronder een opengeslagen dagboek. Volgens de Amsterdamse hoogleraar informatierecht Egbert Dommering was hier niet alleen sprake van aantasting van het portretrecht, maar ook van een 'ernstige privacy-schending’.
De woede over het vermeende gebrek aan journalistiek fatsoen werd de week erop verder aangewakkerd door de publicatie van Binnenhof, een glossy waarin de gangen van Haagse politici zijn nagegaan, naar het beproefde recept van de roddeljournalistiek, inclusief het legen van vuilniszakken. Het geheel suggereerde dat het om een vrolijke pastiche van celebrity journalism ging, maar de ondertoon was onmiskenbaar rancuneus.
De anti-journalistieke reflexen die deze reeks van incidenten in brede kringen heeft opgeroepen, hebben de serieuze beoefenaars zichtbaar zenuwachtig gemaakt. Radio- en tv-programma’s, media- en opiniepagina’s, maar ook vakbladen en publieke discussies zoomden in op de affaires als een dringende kwestie van professionele ethiek. Daarbij werd Binnenhof - door het te bestempelen als 'niet-journalistiek’ - als probleem snel kaltgestellt.
De beelden en het interview met 'het wondertje van Tripoli’ lieten zich minder makkelijk wegmasseren. Volgens critici werden daarmee professionele ethische grenzen 'gevoelsmatig’ overschreden - een weinig concrete beschuldiging, die bovendien de vraag oproept hoe die grenzen dan zouden moeten worden bewaakt, zeker in een tijd waarin de gevestigde media links en rechts worden ingehaald door sociale media en digitale sites. Waarom zou een krant niet mogen citeren uit het weblog dat Rubens ouders van hun 'droomreis’ naar Zuid-Afrika bijhielden?
Anders gezegd: in een tijd waarin de grenzen tussen privé en publiek vervluchtigen, lijken traditionele normen en waarden hun betekenis te verliezen. Daarbij komt de enorme druk vanuit het publiek om alles te tonen, snel en volledig: 'Nederland heeft recht op alle ins en outs over de ramp’, schreef het Reformatorisch Dagblad op diezelfde vrijdag 14 mei. Trouw kan zich misschien permitteren Rubens foto niet te publiceren, veel andere media niet, in de wetenschap dat het grootste deel van het publiek zo nodig zelf de beelden en informatie op het web opzoekt.
Zo bezien is het tumult over Ruben niet meer dan een oprisping in een onvermijdelijke ontwikkeling - een oprisping die bovendien niet ontbloot is van hypocrisie. Want wie beschermt de privacy van al die andere slachtoffers die dagelijks de media bevolken, soms letterlijk in doodsstrijd, zoals het Colombiaanse meisje dat verdronk in een modderstroom, en al die andere betrokkenen bij aanslagen, natuurrampen, oorlogen en ongelukken? Hebben niet-Nederlandse slachtoffers soms geen recht op privacy?
En er wringt nog iets: dezelfde politici die zich nu beklagen over de journalistiek hebben privacy al jaren geleden gedegradeerd tot het ondergeschoven kindje van de rechtsstaat. Hoe goedkoop kun je het krijgen.
Al met al genoeg reden voor een fundamentele discussie.