Kinderboeken: David McKee & Frank Tashlin, De generaal

Ethiek boven esthetiek

David McKee

De generaal

Vertaald door L.M. Niskos

Lemniscaat, 32 blz., € 12,95

Frank Tashlin

De beer die geen beer was

Vertaald door Hafid Bouazza

Van Goor, 64 blz., € 12,50

De Britse schrijver en illustrator David McKee, wereldberoemd vanwege zijn boeken over de kleurige lapjesolifant Elmer, heeft het gewaagd een opmerkelijk, maatschappijkritisch prentenboek voor jong en oud te maken: The Conquerors, vertaald als De generaal.

«Er was eens een groot land dat geregeerd werd door een generaal. De mensen in dat land vonden dat hun manier van leven de beste was. Ze hadden een groot en sterk leger — en ze hadden het kanon. Zo af en toe viel de generaal met zijn leger een land in de buurt aan. ‹’t Is voor hun eigen bestwil,› zei hij. ‹Dan kunnen ze net zo worden als wij.›»

Zijn plan werkt goed. Uiteindelijk is er één klein landje over dat nog niet veroverd is. De generaal valt met zijn leger het landje binnen, maar tot zijn stomme verbazing verzet de bevolking zich niet. De bezetters en de autochtonen raken zelfs met elkaar bevriend! En wanneer de militairen naar hun thuisland terugkeren, introduceren ze daar tradities en gewoonten van het veroverde landje. «Ach, dacht de generaal, elke oorlog heeft nou eenmaal nare gevolgen.»

De generaal is ontegenzeggelijk een luchthartige parodie op het moderne imperialisme, met een tot nadenken stemmende moraal voor de jonge lezer: want wie heeft wie eigenlijk overwonnen? Wat een nederlaag lijkt, blijkt een triomfantelijke overwinning. The Conquerors, met de dubbele betekenis van veroveraars én overwinnaars, is dan ook een veel krachtiger titel dan De generaal.

Behalve de titel en het eenvoudig vertelde verhaal zijn het McKee’s met pennenstreken en kleurpotloden vervaardigde, karikaturale tekeningen — die verraden dat hij zijn carrière ooit begon als cartoonist — waardoor het boek opvalt. De parerende troepen, gestoken in roodblauwe uniformen (hoe Anglicaans), maken De generaal visueel aantrekkelijk en de karakteristieke details in de tekeningen zorgen voor humor en afwisseling.

Volwassenen vragen zich ongetwijfeld af of De generaal niet enigszins riekt naar indoctrinatie en wel geschikt is voor kleuters. Vooral de tekening waarop te zien is hoe het leger met grimmige blik een rondtrekkende beweging maakt over de aardbol, (effectief gevisualiseerd door een halfronde lijn), een spoor van lijken achterlatend, roept wellicht twijfel op.

Over de beoogde doelgroep zegt McKee zelf het volgende: «Het prentenboek is het enige boek dat kinderen én volwassenen samenbrengt. Als ik schrijf, weet ik dat ik ook een volwassen publiek heb tot wie ik mij kan richten. Eigenlijk schrijf ik voor de volwassene die het kind eens zal zijn en probeer ik jong en oud tot nadenken te bewegen. De generaal echter heb ik vooral voor mezelf geschreven. Ik had iets te zeggen.»

De verschijning van De generaal, «een direct gevolg van de oorlog in Irak», aldus McKee, past in deze tijden van wereldwijde onrust. (Dier)verhalen met een voorzichtige moraal, als van Max Velthuijs, Arnold Lobel en David McKee zelf — die in Engeland de «master of the modern fable» wordt genoemd — zijn altijd wel uitgegeven. Maar kinderboeken met maatschappelijk gevoelige onderwerpen zijn, met uitzondering van enkele uitgaven in de jaren zeventig, vrij zeldzaam in Nederland. Keert het tij, nadat jarenlang de esthetische functie van het kinderboek bejubeld is?

Opmerkelijk is wel dat binnenkort nog een (kinder)boek verschijnt waarvan de ethische functie het wint van de esthetische: The Bear That Wasn’t (1946), vertaald door Hafid Bouazza als De beer die geen beer was.

De Amerikaanse tekenfilmregisseur Frank Tashlin (1913-1972) is de schrijver van deze maatschappijkritische, satirische fabel, waarvan in 1967 een tekenfilm werd gemaakt en die Bouazza in 2000 gebruikte als inspiratiebron voor zijn boekenweekessay Een beer in bontjas (herziene versie verschijnt binnenkort) en in het tv-programma Zomergasten noemde als één van zijn favoriete tv-momenten.

De beer die geen beer was, dat zijn kracht vooral ontleent aan de hilarische tekeningen, verhaalt over een beer die nietsvermoedend uit zijn winterslaap ontwaakt en ontdekt dat boven zijn hol een groots industrieel complex is gebouwd. Verdwaasd banjert de beer door de voor hem onbekende wereld. Als de ploegbaas hem beveelt aan het werk te gaan, leert hij snel dat productiviteit voor alles gaat. Vervolgens ontbrandt een heftige discussie tussen de beer en de ploegbaas, diens chef, de derde, tweede, eerste onderdirecteur en «opper» directeur over zijn vermeende identiteit.

«Ik werk hier niet. Ik ben een beer.» Waarop zijn «zogenaamde» superieuren antwoorden: «Jij ben geen beer. Jij bent een zielige man die een scheerbeurt nodig heeft en een bontjas draagt.» Tashlins vraag is duidelijk: bepaalt de omgeving je identiteit of bepaal je die zelf? De afloop van het berenavontuur geeft zowel Tashlins antwoord prijs als de moraal van de fabel — een fabel die meer dan alleen het vraagstuk van (culturele) identiteit ter discussie stelt. De karikaturale tekeningen van de ploegbaas, chef, derde, tweede en eerste onderdirecteur en «opper»directeur, wier fysieke omvang, hoeveelheid onderkinnen, telefoons en secretaresses toenemen naarmate hun status stijgt, is een directe aanklacht tegen hiërarchie en bureaucratie.

De beer die geen beer was, in Amerika nog altijd populair, is een tijdloze fabel die in ons land aansluit bij het actuele debat over inburgering en culturele identiteit, en die indertijd in The New York Herald Tribune werd omschreven als «een fabel voor volwassenen, die voor kinderen ook erg leuk is».