Leed als onproductief uitgangspunt

Ethisch geklets van de Dierenbescherming

De Dierenbescherming gaf koningin Beatrix als haar beschermvrouwe de bons. Reden: op de kroondomeinen wordt gejaagd. Deze beslissing past in het agressieve publiciteitsbeleid dat deze vereniging al een aantal jaren voert.

De Dierenbescherming voerde recentelijk een publiciteitscampagne naar aanleiding van de maatregelen die zijn getroffen binnen het kader van de bestrijding van de mond- en klauwzeer. Onder de slogan «Wie is er nu ziek?» riep de Dierenbescherming op tot biologische veehouderij. Waarmee de betreffende boeren, die toch al zwaar gepakt worden, nog eens een extra onverdiende schop werd gegeven. In de loop der jaren hebben wij immers koeien gekweekt die zo veel melk produceren dat als we de kalveren bij de moeder in de wei zouden laten staan, ze aan een maagbloeding doodgaan. Het jonge kalf heeft nog geen verzadigingsmechanisme, het drinkt door tot de melk op is, maar de maagjes kunnen de enorme hoeveelheid niet verwerken en knappen eenvoudig. Het volledig biologisch houden van koeien voor melkproductie is dus een onmogelijke zaak. De Dierenbescherming weet dit natuurlijk ook, maar brengt dit in haar campagne niet naar buiten. Daar waar de emoties hoog oplopen, is morele beoordeling problematisch. Dat wordt makkelijker bij een onderwerp waarbij de emoties inmiddels wat zijn geluwd.

Een aantal jaren geleden had een farmaceutisch bedrijf de stier Herman ontwikkeld. Herman was een genetisch verrijkte stier, hij had een gen extra waardoor hij koeien kon verwekken waarvan de melk een geneesmiddel (humaan-lactoferine) zou bevatten. De Dierenbescherming startte een publiciteitscampagne tegen Herman. Fair was dat niet. Het bedrijf had geheel volgens de regels eerst toestemming gevraagd aan het ministerie van Landbouw en Visserij. Die had een zware commissie benoemd om te beoordelen of het toevoegen van een extra gen ethisch verantwoord was en tevens of verwacht mocht worden dat toevoeging van het gen tot leed zou leiden bij de dieren.

In een uitvoerig rapport kwam de commissie tot de conclusie dat geen van beide verwacht mocht worden.

De Dierenbescherming was hiervan op de hoogte, want een door haar benoemde bijzonder «dierenbeschermingshoogleraar» maakte deel uit van deze commissie. Het oordeel van de commissie is later bevestigd in een onderzoek van het ministerie zelf. Herman heeft vijftig dochters verwekt, waarvan vijfentwintig het extra gen hadden. Bij de vijfentwintig transgene koeien konden geen fysiologische afwijkingen gevonden worden, anders dan een grotere productie van lactoferine waarvoor het extra gen bedoeld was. Evenmin kon leed worden vastgesteld. Inspelend op angsten bij het publiek kon de Dierenbescherming zich evenwel goed profileren met de actie tegen Herman.

Terugblikkend kan gesteld worden dat deze actie uitsluitend ten voordele van de Dieren bescherming was en ten nadele van alle andere betrokkenen: het Nederlandse publiek, waarbij de angst voor genetische modulatie ten onrechte werd gekweekt of aangewakkerd; het farmaceutische bedrijf dat zijn researchactiviteiten naar België verplaatste; de Nederlandse melkveehouders die als medicijnproducenten de zo noodzakelijke, nieuwe economische basis voor hun bedrijfstak hadden kunnen krijgen (daarvan genieten nu veehouders in Finland); en ten slotte de patiëntengroep voor wie het medicijn was bedoeld. De genoemde actie was dus allerminst ethisch verantwoord.

Je vraagt je af hoe die organisatie daarmee, in de eerste plaats tegenover zichzelf, wegkomt. Het antwoord is simpel. Wie wil zich nu niet als beschermengel opwerpen? Vooral als het niets kost, want er is vrijwel niemand in Nederland die voor het kwellen van dieren is. Jezelf opwerpen als dierenbeschermer is gratuit, je bent meteen de ridder op het witte paard en je hoeft er niet eens een draak voor te doden. Dieren beschermers zelf weten dat ook wel, en daarom voelen zij behoefte tot het benadrukken van hun functie. Zo stellen zij zichzelf vaak op een lijn met mensen die zich in de achttiende eeuw inzetten voor afschaffing van de slavernij, presenteren zij zich als personen bij wie de morele evolutie — whatever that may be — verder geschreden is dan bij anderen, en etaleert de Dierenbescherming zich als het geweten van de Nederlandse samenleving. Na zulke onbeschaamde zelfverheffing kun je je op het morele vlak wel het een en ander veroorloven.

De «Nederlandse vereniging tot bescherming van dieren» is een bedrijf met zeventig betaalde medewerkers en een jaarlijkse begroting van ongeveer tien miljoen gulden. Zij moet dus voldoende geld binnenhalen wil de winkel blijven draaien. Die inkomsten komen uit: de Nederlandse Postcodeloterij, lidmaatschappen, donaties en legaten van particulieren en sponsoring door bedrijven. Het zal duidelijk zijn dat deze personen en instellingen alleen maar geld fourneren als het idee van leed bij dieren in stand wordt gehouden en dierenliefhebbers daarbij niet worden afgeschrikt.

Dierenliefhebbers houden huisdieren niet ter wille van het dier maar van zichzelf, wat ertoe leidt dat deze dieren vaak in diervijandige omstandigheden worden gehouden. Zo lopen honden in huizen met trappen een groot risico om rugklachten te ontwikkelen. Als de Dierenbescherming nu het beste voorhad met onze vriendelijke viervoeters dan zou je zo'n Herman-achtige campagne moeten verwachten waarin wordt opgeroepen om het houden van honden in bovenhuizen te verbieden. Dat is niet gebeurd. Evenmin is de Dierenbescherming duidelijk van leer getrokken tegen het opsluiten van dieren in aquaria, terraria, volières of tegen het houden van katten, al dan niet gesteriliseerd, in kleine appartementen.

Onder de paraplu van ethisch geklets worden dierhouders beschermd van wie verwacht wordt dat ze een bijdrage in de kas zullen storten, en worden zij aangevallen van wie dat niet wordt verwacht — omdat het houden van dieren hun broodwinning is. Uit dit gedrag van de Dierenbescherming blijkt dat zij slechts haar eigenbelang nastreeft en niet het algemeen belang der dieren. Ik heb niets tegen het houden van huisdieren, maar erger me aan het meten met twee maten.

Daar dierenleed de enige bestaansgrond van de Dierenbescherming is en zij zich, onder meer door het benoemen van bijzonder hoog leraren, binnen de universitaire wereld een vaste plek heeft verworven, moet er ook onderzoek naar dierenleed worden verricht. Dierenleed laat zich echter niet met behulp van onderzoek bestuderen. Leed is een mentale toestand, een privé-ervaring die niet waarneembaar is. Daarom valt al het onderzoek noodgedwongen terug op het analogiedenken. Bekend is dat al dat analogiedenken incorrect is en snel tot onjuiste conclusies leidt. Veel belangrijker is dat in het analogiedenken de hamvraag, namelijk of een dier überhaupt leed kan ervaren, wordt overgeslagen en simpel wordt aangenomen.

Uitgaande van het algemeen geaccepteerde idee dat bewustzijn en leedervaring adaptieve aanpassingen zijn, kun je je afvragen welke neurale structuren en cognitieve functies aanwezig moeten zijn, wil het bewustzijn of de leedervaring positieve functies kunnen vervullen. Aangetoond is dat ons bewustzijn, zowel wat betreft perceptie als de ervaring van de vrije wil, ach terloopt bij het handelen of reageren op de perceptie. Dat het bewustzijn voor ons dagelijks functioneren geen of nauwelijks een functie vervult en dat, met uitzondering van lange termijnplanning, al het humane gedrag onbewust kan verlopen.

Bovendien is het bewuste werkgeheugen, in vergelijking tot de onbewust werkende cognitieve neurale modulen, zeer traag en kan het maar weinig informatie bevatten. Verder heeft bewustzijn negatieve consequenties — zo zijn neurosen ondenkbaar zonder bewustzijn. Dit alles suggereert dat het bewustzijn een recent evolutionaire ontwikkeling is.

Ook is duidelijk geworden dat pijngedrag vrij vroeg in de evolutie is ontstaan. Zo wordt het al gedeeltelijk op de wervelkolom gereguleerd (dwarslaesiepatiënten voelen in grote delen van hun lichaam geen pijn, maar vertonen wel correct pijngedrag op de niet-gevoelde pijnprikkel), terwijl pijnbeleving pas veel later is ontstaan, omdat het de functionele aanwezigheid van onze nieuwste hersendelen — de «prefrontale cortex» — vereist.

Bewezen is dat er twee vormen van pijn moeten worden onderscheiden: pijn als prikkel en pijn als emotionele ervaring. Alleen de laatste vorm wordt als leed ervaren, deze vereist eveneens de functionele aanwezigheid van de prefrontale schors en van de mogelijkheid tot reflectie. Het is de emotionele ervaring die, samen met reflectie, de emotionele activering langer doet duren dan de emotie inducerende stimuli en zo tot onaangepast gedrag leidt. Zo'n verlenging van de emotionele activering zie je, met uitzondering van de mensapen, niet bij dieren. De pleegouders van het koekoeksjong schieten niet in een depressie als hun eigen kinderen een voor een door het onechte kind uit het nest worden gewerkt, ze gaan gewoon door met het voeden van het kleine kreng. Evenmin haat de leeuwin de nieuwe alfaleeuw die haar jongen doodbijt; na een aantal dagen wordt ze bronstig en paart met de moordenaar.

Deze feiten leiden tot de conclusie dat, met uitzondering van de mensapen, aangenomen moet worden dat dieren geen bewustzijn hebben dat ze in staat stelt om leed te ervaren. De primatoloog Frans de Waal beschrijft dat hij wel misleidend gedrag kon waarnemen bij chimpansees — wat gezien wordt als bewijs voor bewustzijn — maar niet bij makaken, hoe graag hij het ook wilde. Ook dit zet de mensapen apart van de rest der dieren. Het uitgangspunt van dierenleed, bij andere dieren dan mensapen, is dus op z'n zachtst gezegd twijfelachtig.

De Dierenbescherming en vergelijkbare groepen gaan de discussie nimmer aan. Wetenschappers die een standpunt verkondigen dat de Dierenbescherming onwelgevallig is, worden door haar verdacht gemaakt door het toedichten van dubieuze motieven. Voorts is het niet ongebruikelijk dat groepen dierenbeschermers publiekelijk scanderen dat op dit of dat adres een dierenkweller woont. Zo worden opponenten die het opgeblazen gevoel van eigenwaarde ter discussie stellen met agressie tegemoet getreden.

Ten slotte brengt de Dierenbescherming veel humaan verdriet teweeg. Niet alleen worden boeren en andere fokkers in de hoek van de criminaliteit geduwd, maar wordt er ook een situatie gecreëerd die uiterst verdachte individuen, groepen of organisaties — zoals Peta en het Dierenbevrijdingsfront — de gelegenheid geven voor misdadige acties waarvan de Dierenbescherming zich niet duidelijk wenst te distantiëren. Vrachtwagens met vee worden beklad, chauffeurs gemolesteerd, pelsdieren — die in de natuur geen reële overlevingskans meer hebben — worden «vrijgelaten» en slagerijen in brand gestoken.

Binnen dierenwelzijnsonderzoek wordt de vraag of dierenleed wel bestaat krampachtig naar de achtergrond geschoven of met behulp van drogredeneringen «bewezen». Een professionele varkenshouder ziet een varken in de eerste plaats als vleesproducent, die kan dus niets met het gelamenteer over leed.

Over de vraag of voor de consumptie gekweekte dieren fysiologische stressresponsen kunnen vertonen, is echter geen discussie (fysiologische emotionele responsen zijn eerder in de evolutie ontstaan dan emotionele gevoelens en kunnen dus zonder begeleidend gevoel optreden). Fysiologische stress vermindert de vleesproductie en vermeerdert de kans op een voortijdige dood; veel varkens sterven bijvoorbeeld vóór de slacht aan een hartaanval.

Hier ligt een gemeenschappelijk belang. Als dierenwelzijnsonderzoekers zich gaan richten op de vraag hoe wij de kweek- en foksituaties zo zouden kunnen inrichten dat er zo min mogelijk sprake is van fysiologische stress en er toch markgericht geproduceerd kan worden, zouden pels-, vlees- en melkproducenten wel willen luisteren. Het uitgangspunt van leed zorgt er echter voor dat nu beide werelden regelmatig op voet van oorlog met elkaar verkeren. Daarmee wil ik niet beweren dat alle antwoorden eenvoudig zijn. Er liggen nog heel wat problemen en vragen op een oplossing te wachten, maar het uitgangspunt van leed blokkeert zowel een nuchtere wetenschappelijke benadering als praktische oplossingen.