Etiquette

Wat in Cas Wouters’ cultuursociologische studie Informalisering (uitg. Bert Bakker) plotseling opvalt is het grote aantal vrouwen dat in de afgelopen eeuw etiquetteboeken heeft geschreven. Wouters gaat na hoe sinds het einde van de negentiende eeuw de mores in Duitsland, Engeland, Nederland en de VS steeds informeler geworden zijn. Net als Norbert Elias in zijn magnum opus Het civilisatieproces, dat voor hem als voorbeeld en afzetpunt dient, maakt hij daarbij gebruik van een groot aantal ‘manierenboeken’. Ruim honderdvijftig noemt hij er in zijn bibliografie. Ruim tweederde daarvan is volgens een snelle steekproef van vrouwelijke hand.
Dat lijkt voor de hand te liggen. Vrouwen zijn socialer, invoelender en meer op anderen gericht, zo wil het cliché. Zij hebben meer oog voor de wijze waarop anderen behandeld willen worden en zijn dus ook de aangewezen autoriteiten om de omgangsregels te bewaken. Zijn de wetten en voorschriften ervan niet een geïnstitutionaliseerde vertaling van het oude evangeliegebod dat wij met de naaste moeten omgaan zoals wij zouden willen dat deze met ons om zou gaan? In de praktijk van de etiquetteboeken blijkt dat nogal tegen te vallen. Omgangsregels maakten niet alleen duidelijk hoe we met anderen dienden te verkeren. Minstens zo belangrijk was het te weten met wie men vooral niet diende te verkeren. Er waren hele klassen, standen en beroepsgroepen met wie de burger zich niet wenste te encanailleren. Een subtiel stelsel van mijdingsregels en uitsluitingsmechanismen zorgde ervoor dat die afstand ijselijk in stand bleef.
Empathisch of tactvol ging het er daarbij meestal niet aan toe. De kunst van het vermijden en buitensluiten luidde onomwonden een hoofdstuktitel van het boek Goede manieren uit 1928. De ‘meer verfijnden in aesthetisch aanvoelen’ werd aangeraden zelfs de minste contaminatie met vreemden en vooral minderen te vermijden, omdat er ‘méér nog dan het hygiënisch besmettingsgevaar, telkens het gevaar bestaat van een contact met het geestelijk-slechte en weerzinwekkende’, zo citeert Wouters deze ongetwijfeld goed gesitueerde mevr. Van Zutphen-van Dedem. En als het gevaar dan toch een keer toesloeg in de vorm van een ál te vrijmoedige volksvrouw of een opdringerig lid van de burgerij uit nét een klasse lager van de vele waarin – zoals de schoolmeester van Woutertje Pieterse al wist – die burgerij zelf weer was gecompartimentaliseerd? ‘Dan heeft de mensch, die een afkeer heeft van scherpe woorden en ruzie, het recht zich te verdedigen met “bevriezen”’, schrijft zij.
Geen medelijden dus met degene die zijn plaats niet weet: dat is de harde boodschap die etiquetteboeken tot tamelijk ver in de twintigste eeuw uitdragen. ‘Manieren’ waren er niet alleen om het sociale verkeer soepel te laten verlopen, maar minstens zozeer om de orde daarvan te bewaren. IJzigheid was daarbij de natuurlijke bondgenoot van de sociabiliteit. Vooral Engelse etiquetteboeken benadrukten graag dat een toevallige ontmoeting tussen sociaal ongelijken de hoogstgeplaatste er niet toe verplichtte te erkennen dat dit contact ooit had plaatsgehad.
Vooral vrouwen waren de poortwachters van dit maatschappelijk grensverkeer. Zij hielden een scherp oog op de scheidslijnen die de goede kringen immuniseerden tegen de mindere en de slechtere. Zij ook hielden scherp elkaar in het oog, om te zien of zij wel onberispelijk bleven. Daarin konden ze meedogenloos zijn, veel meer dan de mannen die – zoals vooral in de koloniale gebieden bleek – zich wat ontspannener over de grenzen van de klas en stand heen bewogen. In de omgang met bedienden en inlanders waren vooral de ‘mevrouwen’ berucht. Geen wonder dus dat zij ook de regels van dit ingewikkelde verkeer van in- en uitsluiting optekenden en tot handhaving daarvan maanden. Niet vanwege een ingeboren menslievendheid die in omgangsvormen graag de uitwerking ziet van een universele humaniteit. Maar omdat hun machtsuitoefening bestond in het ontkennen van die universaliteit en het kieskeurig distribueren van de humaniteit die daarbij nog overschoot. Met het bewaken van deze ‘private’ regels vormden zij ook publiek een geduchte coterie.
Is het nu anders? Etiquetteboeken worden sinds de jaren tachtig weer lustig geschreven, zo stelt Wouters vast. Maar hun inslag is anders. Standsverschillen werden in de loop van de twintigste eeuw steeds kleiner en uitsluitingsmechanismen werden in de eerste plaats als schandelijk gezien. Zijn ze daarmee verdwenen? Vermoedelijk zijn ze eerder ondergronds gegaan en vermommen ze zich met het mombakkes van de welwillende humaniteit of multiculturaliteit. Wie daarvan nu de poortwachters zijn is veel moeilijker te onderscheiden, maar de vraag daarnaar is er niet minder intrigerend om.