Étude Napoléoniènnes nr 32

Een paar jaar geleden ging ik eens in de zoveel weken op maandagochtend naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Zoeken naar kleine stukjes voor De Groene Amsterdammer, die toen iedere week in de marge van de pagina’s van Dichters & Denkers verschenen. Prachtig werk, al zei ik altijd dat het wel erg veel moeite was: ‘Ik zoek me kapot en zit soms een hele dag in de KB voor drie van die lullige stukjes.’

Dit was een leugen. In de KB staan vlakbij de uitleenafdeling honderden tijdschriften uitgestald. Je hoeft er maar eentje open te slaan en het eerste het beste artikel is al meteen goed voor een stukje van 120 woorden. Hoe pinguïns hun partnerruil organiseren. Volgende tijdschrift, ja hoor: Assyrische jongeren uit 4000 voor Christus mochten niet dansen. Half uurtje bladeren: zes stukjes. Ik bleef vaak nog een paar uur in die prachtige bladen zitten lezen, bladen waar verder nooit een kip naar komt kijken en die dus over de hele wereld alleen gelezen worden door wetenschappers die zelf stukken moeten schrijven omdat ze hun onderzoekspositie binnen hun faculteit veilig willen stellen. En door nerds als ik die rare stukjes voor een blad schrijven omdat hun chef het liefst alles wil weten over wat overal gebeurt. Het gaat om tijdschriften met oplages van hooguit vijfhonderd. Maar toch mooi uitgegeven. Hoe het kan weet ik niet, maar het kan. Met namen als: Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, Renaissance Quarterly, Vingtième Siècle Revue d’Histoire, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde, Hesperia: The Journal of the American School of Classical Studies of Athens, Shakespeare Quarterly. En dan heb ik het nog niet eens over de digitale tijdschriften die tegenwoordig bij duizenden verschijnen.

In bibliotheken heerst altijd een verwoestend erotische sfeer omdat het niet de bedoeling is dat je met elkaar praat. Blikken kruisen elkaar, hoofden draaien snel weg, ieder geluid lijkt direct een inbreuk op privacy en is daardoor aanleiding tot dromerig gepeins. Was dat het geruis van een jurk? Of liet die leuke vrouw daar haar mooie oorbellen even heen en weer wiegen zodat er een lichte verplaatsing van lucht plaatsvond? Je weet nooit wat er kan gebeuren, juist minieme gebeurtenissen kunnen grote gevolgen hebben. Vooral in de fantasie. Het is niet de bedoeling dat je aan elkaar vraagt wat je aan het doen bent. Bij mij zou dat al meteen misverstanden kunnen wekken. Ik zoek stukjes voor een krant. Dus daarom lees je die wetenschappelijke bladen? Nou, ik lees ze niet echt, ik zoek er dingen in. Vinden de lezers dat dan allemaal zinvol? Ja, dat weet ik niet, het is de bedoeling dat ze het leuk vinden. Ja ja, leuk. Leuk ja. Goedemiddag. Ja, goedemiddag.

Ik wil altijd weten wat mijn collega-bezoekers precies in de bibliotheek uitspoken, misschien lijk ik wat dit betreft op Sander Pleij, die ook altijd alles wil weten. Je zit bij elkaar aan lange tafels en leest of bladert in stapels boeken en tijdschriften. Vragen kan dus niet, maar kijken kun je altijd. Dus liep ik vaak even van mijn plaats, zogenaamd op weg naar een nieuw tijdschrift, en keek dan snel over de schouders van bezoekers. Wat lazen ze? Vaak moest ik de neiging onderdrukken het opengeslagen boek van mijn buurman of buurvrouw even dicht te klappen en op de kaft naar de titel te kijken. Dit is absoluut ten strengste verboden, het is te vergelijken met het taboe op de vraag aan wc-bezoekers wat ze daar precies gaan doen.

De hoogste status hebben bibliotheekbezoekers die mappen voor zich hebben liggen of reusachtige naslagwerken. Vaak zijn die het gemakkelijkst. Naslagwerken kun je moeilijk de hele tijd open laten liggen, dus zijn de titels op de kaft gemakkelijk te ontcijferen. Of ze staan op de zijkant. Jaarcijfers Protestantchristelijke Schippersvereniging De Boeg 1927-1930_,_ lees je dan. Zoiets had je wel gedacht als je naar de lezer keek. Of: Vraagbaak Morellenbeweging Dordrecht. Verdorie, wat zou dat zijn en hoe zou dat meisje heten dat er zo hartstochtelijk uit zit over te schrijven?

Ik ben een keer terechtgewezen. Welk tijdschrift ik las weet ik niet meer, misschien Étude Napoléoniènnes nr 32 waarin een stuk stond over de organisatie van de inkoop van pluimvee in de huishouding van Napoleon in de periode 1795-1801. Tegenover me kwam een oudere vriendelijke vrouw zitten. Ze had geen boek of tijdschrift bij zich, maar keek geruststellend knikkend om zich heen. Leest u maar rustig door, leek ze te willen zeggen, misschien wachtte ze op een aangevraagd boek. Ik bladerde heen en weer, las hier en daar een stukje, keek in de inhoudsopgave en schreef een titel over. Daarna ging ik een nieuw tijdschrift halen, dat is het mooie ervan, tijdschriften staan zomaar voor het grijpen in de kast. Weer bladeren, loeren en kijken, titels noteren, paar zinnen alvast uitproberen. De vrouw bleef me bekijken, maar zei niets. Zo ging er een tijdje voorbij. Even later was ze verdwenen. Ze kwam terug met een personeelslid van de bibliotheek. Of ik svp de gelezen tijdschriften weer terug in de kast wilde zetten, deze mevrouw wilde graag precies dit tijdschrift lezen en ik zette het maar niet terug. Dat was niet de bedoeling. Haastig schoof ik de Étude Napoléoniènnes in haar richting. Eind goed, al goed.