Eurocentristisch

Ik zag ertegen op. Niet omdat het een lezing betrof, want in dit genre voordracht ben ik inmiddels ervaren. Is er eigenlijk een gemeente in Nederland die ik in de loop jaren nièt heb toegemompeld? Nee, ik klaag noch zeur, want ik vind het leuk, soms krijg je er trouwens een centje voor en in elk geval heb ik er inmiddels een kelder vol kostelijke Albert-Heijnwijnen aan overgehouden.

Toch zag ik ertegen op. Al weet ik veelal wat voor een vlees ik in de kuip heb. Het liefst spreek ik voor middelbare bibliothecaresses, die altijd aardig en geïnteresseerd zijn. Het ergst zijn studenten. Die beginnen een half uur te laat, ouwehoeren door je teksten heen en stoppen je na afloop in het plaatselijke zelfmoordenaarshotel. Het allerergst zijn trouwens de kameraden van links. Die vinden zelfs die fles Albert-Heijnwijn overbodige luxe en laten je het glas bier aan de bar zelf betalen, twee krukken verder luidkeels schamperend over de kwaliteit van het gebodene.
Het is natuurlijk altijd zaak om het juiste thema bij het juiste publiek te verzinnen. Zo heb ik eens een zaal vol Buitenveldertse joden toegesproken over het onderwerp ‘Franz Kafka en de Praagse Lente’, een lezing die beleefd werd uitgezeten en na de koffiepauze tot zegge en schrijve één vraag heeft geleid: 'Meneer, was die Kafka eigenlijk een zionist?’
Waarom zag ik er dit keer tegen op? Omdat het een optreden op het zogenaamde MEP-festival betrof, een multicultureel gebeuren vol proza en poezië, zang en dans. En hoe vurig ik ook de multiculturele samenleving pleeg te verdedigen, mijn proza is - dat weet ik maar al te goed - uitgesproken Eurocentristisch. Dat is nu eenmaal de belangstellingssfeer waarin ik opereer, ik kan er niets aan doen, zoals het de zaal - overdacht ik - straks niet te verwijten zal zijn als zij zich niets aan mijn grappen en grollen, sofismen en grachtengordelfilosofieën gelegen laat liggen.
Het publiek is onmiskenbaar multicultureel, met een oververtegenwoordiging van Surinamers en wij, bleekscheten, zijn verre in de minderheid. Ook op het toneel, trouwens. Mijn lotgenoot voor de pauze is Adriaan Morriën, naar wiens verzen oplettend wordt geluisterd, maar de ware stormen van enthousiasme zijn niettemin voor de mevrouw met Papiamentse poëzie en de band die contemporaine Chinese volksmuziek ten gehore brengt. Het is inderdaad schitterend, daar kan ik, straks na de pauze, onmogelijk tegen op.
Een half uur later lees ik het eerste van mijn drie stukjes voor. Inderdaad, alle drie behoorlijk Eurocentristisch. Reikt mijn multiculturele blik inderdaad niet verder dan de Dappermarkt? Niettemin, wat kan een mens zich vergissen! Nog nooit heb ik zo'n aardig, attent, hartelijk en deelnemend publiek meegemaakt. Het is haast verslavend. Ik kijk op mijn horloge. Zal ik nog een vierde stukje…? Nee, dat zou ik wel willen, maar mijn kwartier is om en het is nu tijd voor de Rushile Gumboot Dancers.
Op wolkjes wandel ik even later over het Leidseplein. Wat een heerlijke avond! Wat is die Janmaat toch een kortzichtige, bangelijke boerenkaffer. In het vervolg treed ik alleen nog op voor middelbare bibliothecaresses, Surinamers en Antillianen - laat die stomme studenten en die linkse maatschappijverbeteraars in de toekomst maar een ander zoeken.