Eurodictatuur

Had de wereld maar naar Jan Kees de Jager geluisterd. ‘Ik zag de ellende al lang aankomen, maar Portugal weigerde ondanks alle aansporingen de noodzakelijke bezuinigingen door te voeren’, schepte de CDA-minister van Financiën afgelopen maandag op tegenover de Volkskrant. Pardon?

Portugal heeft het afgelopen jaar onder druk van de financiële markten het ene na het andere snoeipakket afgekondigd. Met als gevolg dat het land, net als eerder Griekenland en Groot-Brittannië, zijn economie kapot heeft bezuinigd. Als dank wordt de jonge Portugese democratie nu aan de kant geschoven. In ruil voor een lening van tachtig miljard euro moet het land op ongekende schaal overheidsbezit privatiseren en sociale verworvenheden uitkleden. Een EU-diplomaat sloeg de spijker op z'n kop: ‘De Portugezen kunnen weliswaar een nieuwe regering kiezen, maar in feite hebben ze geen keuze.’

Dat zou iedere Europeaan koude rillingen moeten bezorgen. Want laten we eerlijk zijn: vandaag is Portugal de pineut, morgen kan het België zijn. Als de vaderlandse huizenmarkt instort, is zelfs Nederland niet veilig. Daarover maakt De Jager zich klaarblijkelijk niet druk. De kop boven zijn interview zegt genoeg: ‘Ik haal liever geld weg uit Europa’. Die stoere woorden zijn ongetwijfeld bedoeld om de Grote Blonde Gedoger te behagen. Ze zijn niettemin typerend voor het kamp van eurosceptici. Zij behandelen het lidmaatschap van de Europese Unie als een Ikea Family-pas: handig voor de kortingen, o wee als het wat kost.

Daartegenover staan de liefhebbers van de Europese gedachte. Europa is voor hen meer dan inkomsten minus uitgaven; het heeft het continent vrede, stabiliteit en welvaart gebracht. Opmerkelijk genoeg steunen ook zij de huidige aanpak van de eurocrisis. De grotere invloed van de Unie op nationale begrotingen; het concurrentiepact waarmee landen zichzelf verplichten neoliberale hervormingen door te voeren; de economische coups in schuldenlanden - het is allemaal prima. De kritiek is hoogstens dat het niet ver genoeg gaat. Want de pro-Europeanen zien de Unie niet als een Ikea-pas, maar als een inboedelverzekering. Het móet. Europa of de barbarij.

Beide kampen vertonen autoritaire trekjes. ‘De politieke elites (…) zetten zonder blikken of blozen hun eliteproject door en ontnemen de Europese burger zijn stem’, betoogde filosoof Jürgen Habermas vorige week op een bijeenkomst in Berlijn. De aanpak van de eurocrisis heeft volgens hem niets te maken met democratie. De parlementaire legitimatie, meestal achteraf, is een farce.

Habermas heeft gelijk. De van het referendum over de Europese grondwet bekende discussie tussen voor- en tegenstanders van ‘meer Brussel’ verdoezelt de politieke inhoud. In werkelijkheid gaat het al lang niet meer om vóór of tegen, maar om wélk Europa. Willen de Europeanen daarover meebeslissen, dan is het zaak de uitgeholde nationale en Europese democratie met nieuw leven te vullen. Het pleidooi van Habermas voor een Europese sociale beweging is een goede aanzet. Die moet de politieke elites, of ze nu pro-Europees zijn of eurosceptisch, een toontje lager doen zingen. Misschien leert Jan Kees de Jager dan eindelijk zijn mond te houden.