EUROPA

Ik zat vorige week op de Balkan. In Servië en in Bulgarije was ik. Eén land dat lid wil worden van de EU en één land dat dat al is.
Ik was er om locaties te zoeken voor een low-budget-speelfilm die ik deze zomer onder meer in die landen ga draaien.

Ik sprak er veel met lokale medewerkers, wanneer onderweg van locatie naar locatie. Maar ook ’s avonds tijdens het eten of tot laat, want zo gaat dat daar, in de kroeg.
Servië stond voor nieuwe verkiezingen. ‘We hebben geen normale mensen om op te stemmen; het zijn nationalisten of ze heulen met dat sentiment.’
‘Of het zijn communisten of fascisten’, was het gemiddelde oordeel. Niet alleen in de culturele sector maar ook bij taxichauffeurs kon je dit horen.
Toch stemmen er nog genoeg op al deze clubs. Al was het maar dat er weinig gematigde alternatieven voorhanden zijn. Zware tijden lokken blijkbaar sloganisme en simplistische oplossingen uit. Want geld is er niet genoeg voor de meeste Serviërs en de onderbuik is het lichaamsdeel van keuze.
In Bulgarije niet zo gek veel andere geluiden. Nationalisme speelt er iets minder. Sommige van mijn lokale medewerkers verwijten de gemiddelde Bulgaar en de politici vooral dat ze juist niet genoeg om het land geven maar alleen om zichzelf en de eigen portemonnee. ‘We hadden een soort doorgedraaide Berlusconi en nu hebben we een club Honeckers aan de macht. Maar maffia is het in beide gevallen’, zei een hoogopgeleide Bulgaarse van een jaar of veertig. ‘Veel Bulgaren zijn modern en kijken naar Europa. Zie wat een achterlijk stel fascisten er nu bijvoorbeeld weer rond de Krim tegenover elkaar staan. We hebben niks met het tribale denken in Rusland en Oekraïne. Het zijn allemaal een stel halve nazi’s die daar bepalen wat er gebeurt.’

Maar ‘Europa’ staat er goed op bij ze. Vaak hoor je die geluiden bij moderne mensen buiten Noord-, West- en Zuid-Europa.
In Servië wordt zelfs het argument gebezigd dat ‘Euroblij’ Europa graag gebruikt: nooit meer nationalistische oorlogen. En zij weten wat dat is. Vanuit een Balkan-blik kan ik die opstelling goed begrijpen.
‘Ik ga niet stemmen, voor Europa’, zei ik tegen een Bulgaar. ‘De EU is een ondemocratisch instituut. Of althans, het zou veel democratischer moeten zijn. En daarom stem ik niet.’
Toen de verbazing aan de andere kant was weggetrokken – want ‘ik leek toch zo bevlogen en betrokken’ – volgde een lang pleidooi.
‘Met alle manco’s die de EU dan misschien heeft. Het is toch een vreedzaam tot stand gekomen rijk. Eén waar men bij wil. Vrijwillig.’
Ik legde uit dat het vanuit ons, of laten we zeggen vanuit mijn gezichtspunt, anders lag: ik ging vooral niet stemmen omdat ik de pro- en contrakampen qua Europa te plat en ideologisch aangestuurd vind. Te weinig feiten. Te weinig objectieve en nuchtere kijk op Europa en wat we daarmee willen. ‘Eurofielen’ enerzijds die op ‘Europese studies’ of op snoepreisjes met ‘gelijkgestemden’ de Europa-doctrine ingegoten krijgen. Europa omdat het moet. Waarom? Omdat het moet.
De andere kant: voornamelijk links-extreme houwdegens, of hele en halve volksnationalisten die tegen zijn tegen omdát ze tegen zijn. De voor- en tegenstanders hebben zo hun eigen jargon. Verheven zweeftaal aan de ene kant, samenzweringstheorieën aan de andere.

In de landen waar ik net vandaan kom zijn de leuke mensen pro Europa. Dat was in Oekraïne ook zo, meenden we te weten, en toen doken er aan die kant opeens een horde neonazi’s en nationalistische knokploegen op.
Die bestaan op de Balkan ook, maar de pro-Europeanen die ik in Servië en Bulgarije ontmoette waren oké. Blije cultuurtypes. Mensen met wie je wat gemeen hebt. Qua muzieksmaak, filmvoorkeur en open wereldbeeld. Het soort jonge mensen dat je in allerlei landen op filmfestivals aantreft. Die dapper tegen de conservatieve stroom in hun landen in varen. Of het nu Libanon, Litouwen of Cuba is. Hetzelfde type wereld-open jonge mensen dat in Turkije tegen het zoenverbod ageerde met een kiss-in. Hetzelfde soort dat in het begin vooraan stond bij de omwentelingen in Oekraïne of Egypte, maar daarna opzijgeduwd is door totalitairen. Dat soort jonge mensen waren het die vonden dat ik toch moest stemmen. Dat ik blij mocht zijn dat dat kon. En ‘zo erg als die bij hen konden onze partijen niet zijn…’
Ik beloofde erover na te denken. Ik las thuis een paar verkiezingsprogramma’s vluchtig op internet.
Op de eerste pagina van een van de partijen las ik hoe zij Europa zien: ‘Landen die democratisch besluiten om grensoverschrijdende onderwerpen gezamenlijk aan te pakken. Die belangrijke waarden delen en afspreken die samen hoog te houden.’

Ik trof op diezelfde site verder ook geen ideologische zweeftaal aan over Europa maar ook geen platte aanval op het idee van Europese samenwerking.
Misschien ga ik wel stemmen… Dan kan ik mijn Oost-Europese vrienden als ik daar ga filmen ook weer recht aankijken. Die in Servië hebben deze week een overwinning van de nationalisten voor de kiezen gekregen en de Bulgaren zitten nog steeds met oud-communisten opgescheept…