Blauwdruk voor de lange termijn

Europa blijft altijd onvoltooid

Op de korte termijn kan voor Europa nog wel een werkbare formule worden gevonden. Zo baanbrekend was de grondwet ook weer niet. Maar op de langere termijn? Een provocatieve blauwdruk voor een verdeeld continent.

De kersverse Franse premier Dominique de Villepin noemt in zijn jongste boek L’Homme Européen (dat hij samen met de Spaanse socialist Jorge Semprún schreef) de Europese grondwet een «uitgestoken hand voor de zorgen, de twijfels, de verwachtingen en de dromen van de Europese burgers». De Franse en Nederlandse burgers hebben die hand in meerderheid afgeslagen. De grondwet ligt in coma. De Europese Raad, die op 16 en 17 juni in Brussel bijeenkomt, staat voor de pijnlijke keuze of de beademing moet worden stopgezet. Misschien wordt de Europese conventie, die het grondwettelijk project heeft voorbereid, weer bijeengeroepen. Op de korte termijn kan nog wel een werkbare formule gevonden worden. De bestaande Europese verdragen blijven uitgangspunt, waar mogelijk aangevuld met praktische regelingen die toch al in de maak waren op bijvoorbeeld justitieel en militair gebied of in de strijd tegen het terrorisme. Zo baanbrekend was de Europese grondwet ook weer niet. Maar de echte dilemma’s doen zich voor op de wat langere termijn.

De grondwet stelt dat de «volkeren van Europa» vastbesloten zijn om «steeds hechter verenigd vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming». Maar hoe Europees is die lotsbestemming eigenlijk? Is het eeuwenoude pan-Europese ideaal nog wel van deze tijd?

Voor de toekomst van de Europese Unie, en van de Nederlandse positie daarin, zijn drie lange-termijntendensen in het Europese krachtenveld van fundamenteel belang.

In de eerste plaats is de politieke eenwording van Europa altijd een hersenschim gebleken, enkele kortstondige gewelddadige pogingen daargelaten. De naoorlogse Europese integratie is primair een economisch en monetair proces, met de nodige samenwerking op flankerende beleidsterreinen. Die samenwerking vindt plaats in wisselende gezelschappen, in verschillende internationale organisaties en met meerdere snelheden: van Benelux tot Raad van Europa en van Schengen tot West-Europese Unie. Veel van deze organisaties zijn in de loop der jaren min of meer opgeslokt door de EU, maar ook daarbinnen bestaan nog steeds heel verschillende regimes op allerlei terreinen. Pas nog hebben zes landen een apart verdrag getekend om nauwer samen te werken op het gebied van terrorismebestrijding. Weer een andere club heeft onlangs besloten een Europese gendarmerie op te richten. En de grote drie (Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) steken ook regelmatig de koppen bij elkaar.

Als gemeenschappelijke markt met 450 miljoen consumenten vormt Europa een realiteit van de eerste orde. Als handelsblok en monetaire autoriteit behoort de Unie tot de grote spelers op het wereldtoneel. Het mededingingsregime van de Europese Commissie wordt gevreesd op de beurzen van Tokio en New York. De geschiedenis heeft geleerd dat de EU op deze terreinen over opmerkelijke veerkracht blijkt te beschikken. Met China en India kunnen we best concurreren. Ook zonder constitutionele poespas.

Maar het politieke beeld is verbrokkeld. En dat ligt niet alleen aan de uitbreiding. De scheidslijnen lopen dwars door de oude verbanden. Het is ijdele hoop om binnen een gezelschap van 25 terug te kunnen vallen op een vertrouwde kerngroep rond Frankrijk en Duitsland. Chirac en Schröder zijn de lamme en de blinde van de Europese Unie; de Benelux ligt aan duigen. De club van «zes» staat momenteel voor de ruziënde nettobetalers aan de EU-begroting – Frankrijk, Duitsland, Engeland, Nederland, Zweden, Oostenrijk – en niet meer voor de idealistische oprichters van de EG.

En dat alles zonder Turkije.

In de tweede plaats doet ook de transatlantische dimensie afbreuk aan de pan-Europese roerselen. Over die dimensie is een beetje minnetjes gedaan tijdens het constitutionele de bat. Alsof de veelgeroemde Europese zone van vrede en veiligheid overwegend op eigen Europese kracht tot stand is gebracht.

De Amerikanen hebben in 1945 een eind aan de oorlog in Europa gemaakt, samen met de Russen en enkele Europese geallieerden. Ze hebben ook een cruciale rol gespeeld bij de op zet van de Europese gemeenschappen. De militaire en economische macht van de Verenigde Staten heeft in de jaren tachtig de Sovjet-Unie op de knieën gedwongen (terwijl sommige EG-landen geen Amerikaanse raketten op hun grondgebied wilden plaatsen) en zodoende de uitbreiding van de EU mogelijk gemaakt. Bush senior heeft de doorslag gegeven bij de Duitse eenwording (terwijl Mitterrand, Thatcher en Lubbers tegenstribbelden). De Amerikanen hebben uiteindelijk rust gebracht op de Balkan.

Zonder Amerika wordt het weer een bende in Europa. De wereld is beter af met een sterk Amerika en een politiek zwak Europa dan met een EU die eigenlijk nergens anders op uit is dan de VS voor de voeten te lopen, zoals de gaullist De Villepin voor ogen staat. De creatieve Franse premier – volmaakte tegenpool van zijn Hollandse collega – stelt dat Europa «een vrouw» was voordat het een geografische uitdrukking werd. Maar hij weigert zich daarbij een geschikte man voor te stellen.

Door de hegemoniale positie van de VS en de erosie van de Navo kunnen de EU-landen niet langer volstaan met vage bondgenootschappelijke trouw (of neutraliteit), maar worden ze gedwongen hun individuele koers ten opzichte van Washington te bepalen. Daarbij treden onverminderd grote verschillen aan de dag ondanks het «gemeenschappelijke» buitenlandse en veiligheidsbeleid. Londen, Parijs, Berlijn, Talinn, Warschau en Den Haag hebben elk hun eigen special relationship met de VS. De ernstige Europese verdeeldheid inzake Irak in 2003, net toen de Europese conventie zich koesterde in het constitu tionele zonnetje, was geen toeval. Opvallend is hoe diep de nationale reflexen nog steeds gaan na tientallen jaren economische integratie en Europese politieke samenwerking.

Zowel de Navo als de EU is dus onderhevig aan centrifugale tendensen. Van een soort tweepijlerconstructie is geen sprake meer. Binnen het Euro-Atlantisch gebied ontstaan buiten de geijkte kaders om nieuwe vormen van politieke en militaire samenwerking. Minister Bot suggereerde onlangs het informele beraad van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken ook open te stellen voor Condoleezza Rice. Op papier is best een Atlantische Unie denkbaar met gemeenschappelijke re gels voor handel en militaire veiligheid. Een groep gelijkgestemde landen – Canada, Engeland, Noorwegen, Denemarken, Nederland, Portugal, Italië misschien en Israël, onder leiding van de VS – is goed voor zo’n 470 miljoen rijke consumenten en in politiek op zicht waarschijnlijk «hechter verenigd» dan een topzware Europese Unie met 27 of 30 landen, waaronder Turkije en Oekraïne. Zo’n Atlantische club is ook veiliger, democratischer, welvarender en technologisch geavanceerder. Wie zijn er nu precies provincialistisch en naar binnen ge richt, zoals de pleitbezorgers van de Europese grondwet hun tegenstrevers steeds verwijten?

In een globaliserend bestel met een permanente revolutie in productie-, handels- en communicatietechnieken is volop ruimte voor alter natieve vormen van internationaal be stuur. Wanneer een beleggingsgroep in San Francisco autobuslijnen in Friesland kan op heffen en de Schiphol-directie de luchthaven van Singapore wil runnen, lijkt ook het uur ge slagen voor stoffige pan-Europese projecten.

Een derde lange-termijntendens – verreweg de langste – is Nederland zelf. Wat staat ons nu te doen te midden van die schuivende Europese en Atlantische panelen? Voor een deel is dat wel duidelijk. Als juridisch kader voor samenwerking is de betekenis van de Europese Unie nog steeds evident. De Europese economie is naadloos verweven met de Nederlandse. De euro hebben we misschien niet in onze harten gesloten, maar is wel alom geaccepteerd. De uitbreiding van de Unie heeft zowel de stabiliteit van het oude continent verbeterd en het gewicht van de Unie in de wereld vergroot, als voor Nederland nieuwe afzetmarkten ge schapen. Bovendien beschermen Europese re gels de Waddenzee en de Nederlandse taal misschien beter dan sommige Haagse instanties doen. Het zou in elk geval een treurig misverstand zijn om met de uitslag van het referendum ook de verworvenheden van de Europese integratie (en daartoe behoren ook de communautaire instellingen) overboord te kieperen.

Maar na vijftig jaar integratie is het federale gezag in Brussel en Straatsburg nog altijd bedroevend zwak. De politieke invloed van de EU wordt vaak overschat. Het grootste deel van de Haagse wetgeving en besluitvorming is nog steeds behoorlijk nationaal. Gevoelens van Europese loyaliteit zijn ver te zoeken buiten de kleine kring van ambtenaren, diplomaten, en deskundigen die zich beroepshalve met Europa bezighouden. De Unie tooit zich graag met de veren van een democratische rechtsstaat (Europees burgerschap, grondwet, parlement et cetera) maar beschikt niet over de botten en de ruggengraat van zo’n systeem. Veel Nederlandse burgers hebben de grondwet niet weggestemd wegens de verdiensten van Europa, maar wegens zijn staatkundige pretenties. Zo trekt de EU zich aan de eigen haren het moeras in.

In het Europa-debat van de afgelopen weken is gepleit voor een duidelijker scheiding van Nederlandse en Europese bevoegdheden. Ook moet beter in kaart worden gebracht wat onze nationale belangen zijn. Geen gemakkelijke opgave. Want wat zijn in een bijkans grenzen loze wereld eigenlijk nog typisch Nederlandse belangen? Die van het internationale bedrijfs leven dat op ons grondgebied de winsten op strijkt voor aandeelhouders in Azië en Amerika? Die van de Nederlandse universiteiten die steeds meer buitenlandse studenten willen aantrekken en het Engels als voertaal invoeren? Of die van tienduizenden asielzoekers zonder Nederlands paspoort die in Nederland willen wonen en de taal juist wél willen spreken?

De Haagse diplomaten en ambtenaren die onder de kaasstolp van de Europese conventie de grondwet hebben uitgebroed, voelen zich sterker verwant met hun Duitse, Franse en Italiaanse collega’s dan met de nee-stemmers in Urk en andere delen van het land. De uitslag van het referendum heeft hen er hopelijk van doordrongen dat zij voorlopig de Nederlandse staat nog niet mogen inruilen voor een Europese. Want die staat is nog lang niet af.

Er ligt dus al een blauwdruk voor de toekomstige Europese Unie. Een bont gezelschap, met wisselende kopgroepen, met een kwakkelende economie en zonder veel politieke leiding, tenzij men de VS als zodanig beschouwt. Maar ook met sterke staten als Frankrijk en Nederland.

Het is eigen aan Europa om onvoltooid te blijven, schrijft De Villepin: Europa is «eeuwig onbevredigd», het is een «droom op reis».