Politiek van afgrendeling en mythes rond migratie

Europa, doe open de poort!

Met het nieuwe vluchtelingenplan van Frans Timmermans kiest Europa voor een politiek van afgrendeling. Dat is slecht voor Europa zelf én voor de vluchtelingen, wier lot meer dan ooit in handen van mensensmokkelaars ligt.

Op 6 mei, een dag nadat de mensensmokkel op de Middellandse Zee opnieuw enige tientallen levens had geëist, plaatste The New York Times een opiniestuk met de kop ‘Open up, Europe! Let migrants in’. Het was geschreven door de Brit Philippe Legrain, geen wereldvreemde zonderling, maar een oud-adviseur van de Europese Commissie, politiek eerder rechts dan links, wiens werk wordt aanbevolen door onverdachte kwaliteitskranten als The Financial Times en The Guardian. Consequent redenerend en leunend op historische voorbeelden betoogt Legrain dat Europa er wijs aan doet zijn grenzen voor migranten te openen. Met een niet goed te vertalen beeldspraak schreef hij al eerder hoe ondoordacht de Europese antimigratiepolitiek is: ‘Hard-hearted response to Mediterranean deaths is soft-headed.’

Legrain verwoordt een breed gedeelde opvatting onder migratiedeskundigen. Overal op de wereld zijn mensen op zoek naar een beter leven, of door acute nood als een oorlog gedwongen het vege lijf te redden. Die vlucht voor uitzichtloosheid en geweld heeft mondiaal een migratiedynamiek teweeggebracht die zich met een cordon rond het continent niet laat stoppen, tenzij Europa kiest voor een onverbreekbaar militair slot op de poort. Europa kan beter in die dynamiek opgaan dan geforceerd kiezen voor het isolement, luidt de overheersende mening in de migratiewetenschap.

De kritiek geldt ook het migratieplan dat de Europese Commissie half mei bij monde van Frans Timmermans presenteerde. Het is winst dat het plan voorziet in een noodregeling voor de opvang van twintigduizend mensen die de conflicthaarden in het Midden-Oosten zijn ontvlucht, hoewel dat aantal op een totaal van meer dan drie miljoen vluchtelingen in de buurlanden van Syrië en Irak een druppel op de gloeiende plaat is. Daarbij komt dat het hoofdbezwaar dat migratiedeskundigen hebben tegen het Europese beleid overeind blijft. Timmermans’ plan voorziet in een verdere ophoging van de barrières aan de Europese grenzen, met strengere grenscontroles, meer bewaking en intensievere militaire patrouilles. Het gevolg zal zijn, verwachten de experts, dat meer vluchtelingen de illegale, gevaarlijke routes over zee zullen zoeken. Bovendien houdt Europa zo vast aan een beleid waarmee het zich afgrendelt van de mondiale migratiedynamiek.

Bij een keuze voor een ruimere opening van de grenzen hoeft voor een invasie van vluchtelingen niet te worden gevreesd. Het patroon in de migratiegeschiedenis is dat verreweg de meesten een goed heenkomen in een buurland zoeken. Ook nu weer, met de crisis in Syrië, heeft de overgrote meerderheid van de drie miljoen vluchtelingen haar toevlucht direct over de grens gezocht, in Libanon, Turkije of Jordanië. Volgens de laatste opgave van de VN-vluchtelingenorganisatie unhcr bevinden zich in die drie landen nu 2,5 miljoen vluchtelingen, naast ruim 220.000 in Irak en 138.000 in Egypte. Vooral het kleine en dichtbevolkte Libanon torst een zware last, met één vluchteling op elke vier Libanezen.

‘We hebben allesbehalve te maken met een oncontroleerbare massabeweging van arme en wanhopige mensen uit Afrika en het Midden-Oosten naar Europa’, relativeert hoogleraar migratiestudies Hein de Haas de paniekverhalen over de invasie die vanuit de Middellandse Zee dreigt. ‘Waar we wel mee te maken hebben is een humanitaire tragedie die zich afspeelt in de Europese periferie, waar een relatief klein deel van de vluchtelingen op zoek is naar bescherming.’

Tegen de angst voor een invasie kan ook worden ingebracht dat migratie in zichzelf een circulaire beweging is, waarin mensen komen maar ook weer gaan. In de publieke opinie staat de schijnwerper op de voordeur, niet op de achterdeur waardoor mensen weer vertrekken. Het is daardoor een goed bewaard geheim dat in geen enkel ander land in de Europese Unie de bijdrage van migratie aan de bevolkingsgroei zo laag is als in Nederland. In de eerste tien jaar van deze eeuw kwam 22 procent van de bevolkingsgroei hier voor rekening van migratie, tegen 81 in de EU als geheel. Van 2003 tot en met 2007 was het Nederlandse migratiesaldo zelfs negatief. Er vertrokken meer mensen dan er arriveerden. Van ‘massa-immigratie’ uit islamitische landen is al helemaal geen sprake. Het aantal moslims is stabiel en lijkt zelfs te dalen, mede doordat in sommige jaren meer moslims Nederland achter zich lieten dan er kwamen, voor het laatst nog in 2012.

De Europese afgrendelingspolitiek kan volgens migratiedeskundigen averechts uitpakken. In de eerste plaats doorbreekt zo’n politiek de circulaire beweging die de migratie eigen is. Vluchtelingen die eerst doodsangsten hebben moeten uitstaan en zich diep in de schulden hebben gestoken om ergens die maas in het net te vinden, zullen als hun dat is gelukt tot elke prijs willen blijven waar ze zijn, alleen al om te voorkomen dat ze de barrière een tweede keer niet weten te nemen. De migratiegeschiedenis kent tal van precedenten van dit fenomeen, ook in Nederland. ‘Gooi de deur dus niet te hard in het slot’, zegt migratiejuriste Tineke Strik. ‘Anders bedenken mensen die de hordes hebben genomen zich wel twee keer voor ze weer teruggaan.’

De politiek van afgrendeling neemt bovendien de bron van de vluchtelingenstroom, oorlog en armoede, niet weg. Integendeel, ze voedt haar juist. Een continentaal cordon schuift de last van migratie af op de crisisgebieden zelf, waardoor deze verder in de misère zakken, met meer vluchtelingen, dus meer emplooi voor mensensmokkelaars als gevolg. Onder de kop ‘Europese politici zijn de tragische acteurs in het migratiedrama dat ze zelf veroorzaken’ schrijft Hein de Haas, hoogleraar in Maastricht, dat politici dankbaar de mogelijkheid aangrijpen mensensmokkelaars als zondebokken aan te wijzen, om hun eigen verantwoordelijkheid voor de menselijke tragedies op de Middellandse Zee aan het oog te onttrekken.

Han Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zegt: ‘Je wordt er gewoon cynisch van. Vijfentwintig jaar geleden vierden we dat Oost-Europa zijn IJzeren Gordijn had opengetrokken. Nu laat Europa het om zichzelf neer. En wat bereikt het daar nu eigenlijk mee? De problemen zélf zijn nog niet opgelost door ze naar de rand van Europa te verplaatsen.’

‘Libanon neemt tien keer meer vluchtelingen uit Syrië op dan de EU, hoewel het vierhonderd keer kleiner is’

De cruciale stap die de Europese politiek moet zetten is erkennen dat een volledige beheersing van de migratiebewegingen, laat staan een stop, een illusie is. Vasthouden aan die illusie schept valse verwachtingen bij kiezers en blokkeert het denken van beleidsmakers over een migratie- en integratiebeleid dat wél rekening houdt met de onontkoombaarheid van vluchtelingenstromen. In Europa wordt de migratiepolitiek niettemin meer en meer bepaald door de gedachte dat de vluchtelingen wel zullen wegblijven als het beleid maar hard en ongenadig is.

Volgens Hein de Haas hebben zowel rechtse als linkse politici belang bij de boodschap dat zo’n beleid mogelijk is én noodzakelijk. Rechts, schrijft hij, probeert de volgende verkiezingen te winnen door immigranten te stigmatiseren als een culturele of terroristische dreiging, links door hen te betichten van het inpikken van de banen van de ‘eigen’ werknemers. ‘De dijken staan op breken’, waarschuwde pvda-minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in 2013 bij de opening van de grenzen met Roemenië en Bulgarije. Naar al gauw bleek was dat paniek om niets, gezien de bescheiden aantallen arbeiders die uit die landen naar Nederland trokken.

Binnen de gevestigde politieke orde van Nederland is vooral de vvd niet meer tot rede te brengen. De liberalen zijn zozeer geradicaliseerd in hun benadering van het vluchtelingenvraagstuk dat zij serieus hebben overwogen de regering te laten vallen over de verstrekking van elementaire levensbehoeften als een bed, een bad en een brood aan een betrekkelijk kleine, rechteloze groep asielzoekers. Met de opmerking dat Europa geen ‘veerdienst’ naar Afrika onderhoudt, schaarde vvd-politicus Fred Teeven zich aan de zijde van de Britse minister van Binnenlandse Zaken, Theresa May, die meent dat gecoördineerde Europese hulp aan drenkelingen een ‘aanzuigende werking’ uitoefent. Impliciet zit daarin de veronderstelling dat de doden op de Middellandse Zee andere vluchtelingen voldoende schrik aanjagen om hen van de overtocht te weerhouden.

‘“De dijken staan op breken”, riep Asscher. Nu, er is helemaal niks gebroken’, zegt migratiehistoricus Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg). ‘Toch heeft Asscher nooit sorry gezegd, of toegegeven dat hij het niet bij het rechte eind had. Ik schreef toen al: waar baseert hij zich op? Het was flauwekul, maar hij had het toch maar weer gezegd, in de kennelijke hoop dat de kiezer het signaal oppikt: kijk eens, hij neemt mijn zorgen serieus.’

Voor Lucassen is dit exemplarisch voor de selectieve weergave die politici soms van de werkelijkheid geven als het hun van pas komt. Op weinig andere beleidsterreinen gebeurt dat zo evident als dat van het vreemdelingenbeleid. Tineke Strik zegt: ‘Je moet niet onderschatten wat de rol van politici is bij de beïnvloeding van de publieke beeldvorming over immigratie. Welke feiten laat je zien? Dat Libanon tien keer meer vluchtelingen uit Syrië opneemt dan de EU, hoewel het vierhonderd keer kleiner is? Of zeg je: o, ze komen allemaal naar ons en we kunnen het niet aan! Daar zou ik ook bang van worden, als ik niet beter zou weten en vertrouwen op de politici die voor mij het beleid uitvoeren.’

Naast docent migratierecht aan de Radboud Universiteit en GroenLinks-senator is Strik lid van de parlementaire assemblée van de Raad van Europa. In die hoedanigheid schreef zij de rapporten Lives Lost in the Mediterranean: Who’s Responsible en The Left to Die Boat: Actions and Reactions. Zij vermoedt dat politici ook metaforen als overstromingen, brekende dijken en vloedgolven in de mond nemen om een restrictiever beleid dat zij zich al hadden voorgenomen te legitimeren.

‘Eerst de mensen bang maken, om dan te sussen: maar wees gerust, we hebben een oplossing en dan is uw angst voorbij’, vat Strik samen. ‘Het patroon is dat politici die zich nieuwe restrictieve maatregelen hebben voorgenomen gigaproblemen voorspellen om dat beleid te rechtvaardigen, een tsunami van vluchtelingen, een onhoudbare dreiging van buiten. “Help, we gaan naar 65.000 asielzoekers!” riep Teeven vorig jaar, en achteraf bleken het er 25.000 te zijn. Hij probeerde met zijn waarschuwing een paniekstemming onder de mensen te wekken, om vervolgens met oplossingen te komen, zijn oplossingen. Hier zie je de sluipende invloed die Wilders uitoefent, op de vvd maar ook op het cda en de pvda. Politici zijn bang om voor naïevelingen te worden uitgemaakt die de zorgen van de mensen niet serieus nemen.’

Het boek Winnaars en verliezers dat Leo Lucassen met zijn broer Jan, oud-onderzoeker aan het iisg, over de Nederlandse migratiegeschiedenis schreef, kreeg als motto een uitspraak van de New Yorkse senator Patrick Moynihan: ‘Iedereen heeft recht op zijn eigen meningen, maar niemand op zijn eigen feiten.’ Zij wilden met hun boek waarheid en verdichting over de migratie en integratie in Nederland scheiden. Het was ze opgevallen, schrijven zij, hoeveel mythes over immigratie in het politieke en maatschappelijke debat de status van onomstotelijke waarheid hebben verworven, met een zwartgallige visie op de betekenis en gevolgen van immigratie als gevolg. Ook Han Entzinger zegt dat er bij dit vraagstuk sprake is van een groeiende afstand tussen de feiten zelf en de perceptie van de feiten door de politiek en de samenleving. Dat maakt volgens hem het ontwikkelen van doeltreffend immigratie- en integratiebeleid er niet gemakkelijker op.

Een wending naar realisme in het beleid wordt ook in de weg gestaan door het fenomeen dat politici aannames als feiten presenteren. Zo’n aanname is dat elke faciliteit die Nederland voor immigranten in het leven roept een ‘aanzuigende werking’ heeft. De consequentie is dat politici denken de vluchtelingenstroom te kunnen afremmen door de overheid tegenover migranten in haar grimmigste en schrieperigste gedaante te steken. Volgens Entzinger is het argument van de aanzuigende werking een automatisme dat politici zonder nadenken in de strijd werpen. Zo was de vermeende aantrekkelijkheid van de bed-, bad- en broodregeling voor de vvd een van de redenen om een bijna-crisis over deze voorziening te maken. Entzinger: ‘Wie zou er in vredesnaam naar Nederland komen omdat je hier als uitgeprocedeerde asielzoeker in de Pauluskerk onder de douche mag?’

‘Politici zeggen: wij doen wat het volk wil. Maar is het niet hun taak om te zeggen dat de feiten anders zijn dan het volk denkt?’

‘De onderliggende gedachte van het beleid is dat de vluchtelingen wel zullen wegblijven als we de grenzen verder sluiten of een uitrookbeleid voeren’, zegt ook Strik. ‘Dat is wensdenken. Mensen worden door de nood in het Midden-Oosten op de vlucht gedwongen, niet door de faciliteiten hier aangetrokken. Ze zullen echt niet voor Nederland kiezen omdat hier een bed voor hen klaarstaat, als ze dat sowieso al weten. Als je niet anders kunt, dan ga je desnoods de zee op in die gevaarlijke, gammele bootjes. De landsgrenzen zijn zo ver mogelijk op slot gedaan, het luchtruim is dicht, dus de Middellandse Zee is eigenlijk nog de enige route waarlangs je Europa kunt bereiken, al is het met gevaar voor eigen leven.’

Tineke Strik typeert de Europese politiek van afgrendeling als cynisch: ‘Het heeft iets wrangs. We weten dat je bescherming nodig hebt, zegt Europa tegen de vluchtelingen, maar zie eerst maar eens hier te komen. Op papier ziet het beleid er niet slecht uit, integendeel. Als je de EU weet te bereiken, dan heb je recht op opvang, op een asielprocedure, op een advocaat. Maar tegelijkertijd heeft Europa het moeilijker dan ooit gemaakt om tot zijn grondgebied door te dringen.’

Timmermans’ noodregeling voor de opvang van twintigduizend vluchtelingen is volgens haar een kleine stap in de goede richting, zij het dat Europa wel zuinigjes en laat reageert op de crisissituatie. Al lange tijd vroeg de unhcr Europa dringend op z’n minst de zorg voor de meest kwetsbaren onder de Syrische vluchtelingen van de VN over te nemen. Het gaat om zieken, weeskinderen, minderheidsgroepen. Strik: ‘Neem die nu alsjeblieft op, vroeg de VN aan Europa, want die mensen hebben meer nodig dan wij hun hier kunnen bieden. Maar uit de Europese reactie bleek telkens weer een grote politieke onwil iets voor die mensen te betekenen. Ondertussen zitten de buurlanden van Syrië overvol en dreigen ze te bezwijken onder de last, vooral Libanon en Jordanië. Gebeurt dat, dan kunnen we weer twee landen toevoegen aan het rijtje falende staten in het Midden-Oosten, naast Syrië, Irak, Jemen en Libië, en ontstaat er nóg een vluchtelingenstroom. Solidariteit is hier ook een vorm van eigenbelang. In een wereld zo klein als de onze kunnen we niet wegkijken en zeggen dat we niets met een conflict elders te maken hebben. Zo maken wij de mensensmokkelaars groot terwijl we ons in Nederland blindstaren op de aanzuigende werking van wat we voor die vluchtelingen zouden kunnen doen.’

In zijn onderzoek naar de Nederlandse migratiegeschiedenis stuitte Leo Lucassen voortdurend op twee termen in de documenten van Justitie, het verantwoordelijke ministerie. ‘Aanzuigende werking en precedentwerking. Die twee woorden. We moeten de regelingen niet te aantrekkelijk maken en oppassen dat we met het binnenlaten van groep A een precedent scheppen waarop groep B een beroep kan doen. Dát is al sinds de jaren vijftig de hoofdlijn in de benadering van Justitie. Het wereldbeeld van de ambtenaren is: Nederland is vol. In de beleidsdocumenten lees je hoezeer de ambtelijke diensten denken in termen van dreiging, over de dijken die breken.’

De staatssecretaris van Justitie in het kabinet-Van Agt, Bert Haars, zei eind jaren zeventig: ‘Ik heb al zo’n vol land!’ Lucassen beaamt dat deze boodschap van politici de taakopvatting van de ambtelijke diensten vormde. ‘Al direct na de oorlog en de Indonesische onafhankelijkheid gold in de politiek de aanname dat Nederland vol is als een feit. Ons land had toen negen miljoen inwoners. Met een actief emigratiebeleid werden Nederlanders aangespoord weg te gaan. De politiek stelde ook het experiment met het aantrekken van gastarbeiders, om de krapte die zich eventjes op de arbeidsmarkt voordeed op te vangen, voor als tijdelijk. Uiteraard moesten die mensen niet blijven, want: het land is vol. Die mantra zit in de genen van het apparaat. De ambtenaren kun je dat niet kwalijk nemen. Ze gehoorzamen aan de politici die hun dit telkens zeggen.’

Nog zo’n mythe die in het politieke debat voor waar wordt gehouden is dat links de verantwoordelijkheid draagt voor de massa-immigratie, als gevolg van de blijvende aanwezigheid van de Marokkanen en Turken die hier als gastarbeiders naartoe kwamen. In The Journal of Modern History hebben de broers Lucassen deze geschiedenis tegen het licht gehouden. Na een lezing over dat boek in de pvda-fractie schoot een Kamerlid Leo Lucassen aan. ‘Goh, zei hij, wat u ons vertelt, dat wist ik helemaal niet, ik dacht echt dat wij de schuld waren. Nou, kop op, antwoordde ik hem, hier is echt geen hogere wiskunde voor nodig. Links heeft zich dit schuldcomplex laten aanpraten.’ Lucassen zegt dat het verhaal over de ‘linkse kerk’ die de poorten wijd open zette de trekken van complotdenken heeft: ‘Deze mythe is vrij eenvoudig te ontkrachten door naar de feiten te kijken. Waarom kwam vanaf medio jaren zeventig de massa-immigratie op gang? Juist op een moment dat de economie inzakte? Dat is terug te voeren tot twee beleidsbeslissingen die al van begin jaren zestig dateren. Rechts, niet links heeft die besluiten genomen.’

Het eerste is het besluit geen ‘rotatiestelsel’ in te voeren. ‘De vvd keerde zich destijds met kracht tegen de gedachte om gastarbeiders na twee jaar te vervangen door anderen, om te voorkomen dat ze hier zouden wortelen. Dat gaan we niet doen, zei de vvd, want op het moment dat ze zijn ingewerkt, moeten ze weer terug en dat is slecht voor de productiviteit. Het gevolg was dat deze mensen bleven, vanzelf een sterke verblijfsrechtelijke status verwierven en zich langzaam inkochten in het stelsel van sociale zekerheid. Dus toen het kabinet-Den Uyl in 1974, na de oliecrisis, de werving van gastarbeiders stopte en verordonneerde dat er niemand meer in kwam, dachten deze arbeiders: ja ho, ho, wacht eens even, we hebben niet voor niets deze rechten opgebouwd. Krijg ons maar eens weg.’

De mogelijkheid tot gezinshereniging voor niet-EU-burgers was de tweede beleidsbeslissing van rechts waarvan men de consequenties destijds niet heeft voorzien. Het centrum-rechtse kabinet-De Quay nam dat besluit in 1961. Lucassen: ‘Dat gebeurde vooral op aandringen van de katholieke kvp, gesteund door de andere christelijke partijen. Dat was toch belachelijk, betoogde de kvp, om mensen de mogelijkheid te onthouden hun gezin om zich heen te hebben. Coalitiepartner vvd was het daarmee eens. Je moest het de arbeiders zo gemakkelijk mogelijk maken, anders dreigden ze naar België of Duitsland te gaan en dat was slecht voor de concurrentie.’

Den Uyl sloot de grens voor gastarbeiders met het argument: ‘De belangen van de vreemdelingen zelf, noch die van de Nederlandse samenleving zijn met hun komst gediend.’ De ironie is, zegt Lucassen, dat de arbeiders pas echt van hun recht gebruik gingen maken toen het linkse kabinet-Den Uyl besloot de poorten te sluiten, een besluit dat tegenwoordig het watermerk van rechtse politiek is. ‘Turken en Marokkanen realiseerden zich opeens dat bij terugkeer de deur wel eens voorgoed in het slot zou kunnen vallen. Ze besloten te blijven en haalden hun gezinsleden naar Nederland.’

Hij vervolgt: ‘Deze mensen waren ooit geselecteerd op laaggeschooldheid en analfabetisme, onder meer om de loonkosten laag te houden. Zij kwamen nu met hun gezinnen in grote aantallen in de slechtste wijken van de stad te wonen, net op het moment dat de economie instortte en hun fabrieken sloten. Het gevolg was een werkloosheid onder deze mensen van meer dan vijftig procent midden jaren tachtig. Dat dit alles een hoop sociale ellende zou geven, vooral voor die mensen zelf, ja, dank je de koekoek. Het is wonderbaarlijk hoeveel van hun kinderen nog goed terecht zijn gekomen.’

Volgens Han Entzinger is de samenloop van omstandigheden die het ongelukkige lot van de eerste generatie Turken en Marokkanen bepaalde nog altijd maatgevend voor de beeldvorming rond immigratie. Hij vermoedt dat de politiek een belang heeft bij dit eenzijdige beeld: ‘Een eenmalige, incidentele episode in onze migratiegeschiedenis heeft een blijvend beeld gevestigd van immigranten die kansarm en problematisch zijn. Ik heb daarover met veel politici, tot premier Rutte aan toe, gediscussieerd, maar tegen beter weten in houden ze dat beeld in stand. Het is onuitroeibaar. Kennelijk heeft de politiek de behoefte aan een dramatisering van de toestand, ik vermoed uit angst om stemmen aan Wilders te verliezen. GroenLinks en d66 verweren zich nog wel tegen de pvv, de rest houdt zijn mond of buigt mee, soms heel ver, zoals de vvd. Politici zullen zeggen: wij doen wat het volk wil. Ik zeg dan: is het niet de taak van een politicus om te zeggen dat de feiten anders zijn dan het volk denkt? Dat is écht leiderschap.’

De scherpe stijging van het aantal immigranten uit Turkije en Marokko na de sluiting van de grenzen voor arbeidsmigranten in 1973 laat het averechtse effect zien van een doorbreking van de circulaire beweging die ongestoorde migratie eigen is. Een bewijs uit het ongerijmde is de gunstige ervaring die de EU opdeed met de opening van de binnengrenzen met Oost-Europa. Voor om en nabij honderd miljoen mensen is de poort naar het welvarende Westen opengezet, sinds de EU de burgers in de Oost-Europese lidstaten het recht op vrij verkeer gunde. Een Roemeen heeft sindsdien bijvoorbeeld de mogelijkheid in Zweden voor hetzelfde werk acht keer meer te verdienen dan in zijn eigen land. Toch hebben niet meer dan vier miljoen Oost-Europeanen de stap gewaagd, van wie de meesten komen en weer gaan. ‘De open deur blijkt een draaideur’, in de beeldspraak van Philippe Legrain.

‘In Nederland zijn hoog gekwalificeerde vluchtelingen gedwongen tot ledigheid. Dat is heel frustrerend’

De ervaring met de Amerikaanse migratiegeschiedenis is niet anders. Tot de Verenigde Staten besloten tot een scherpe bewaking van de zuidgrens trokken veel Mexicanen het land in en uit om seizoenswerk te doen en besloten maar weinigen tot permanente vestiging. Legrain voert daarvoor een logische verklaring aan: ‘Emigratie is ook een ontwortelende belevenis en de meeste mensen schrikken daarvoor terug. Bovendien is het loon dat mensen met tijdelijk werk in een rijk land verdienen in hun eigen land veel meer waard. Daar komt bij dat mensen die elders hebben gewerkt in eigen land in hoog aanzien staan. In het gastland bevinden ze zich daarentegen in de sociale onderlaag.’ Vanaf het moment dat de VS de grens met hun land probeerden te sluiten besloten veel Mexicanen in de VS te blijven. ‘De mensen haastten zich nog snel de grens over, vóór de bewaking daadwerkelijk werd aangescherpt, en ze bleven voorgoed’, aldus Legrain.

In Spanje deed zich een vergelijkbaar fenomeen voor nadat de EU in 1991-92 de visumplicht voor Noord-Afrikanen had ingevoerd. Daarmee verbrak de EU het vrije verkeer van oogstarbeiders uit landen als Marokko, Algerije en Tunesië. Velen van hen verkozen daarna een onzeker bestaan in de marge van de Spaanse maatschappij boven een terugkeer naar huis.

Over de praktijk van de Oost-Europese arbeidsmigratie zegt Tineke Strik: ‘Oei, zei men eerst, die arme Oost-Europeanen! Die zullen met miljoenen naar ons toe komen en blijven, voor werk maar eerder nog voor een uitkering. Dat is niet het geval gebleken. De mensen komen hier als er werk is en gaan meestal terug als dat ophoudt, om thuis weer bij de eigen familie en vrienden te kunnen zijn. En ze komen terug als hier weer werk is. De crux is dat ze weten dat deze mobiliteit in Europa mogelijk is.’

Met wat meer mobiliteit in het migratiebeleid, zegt zij, kunnen vluchtelingen en andere migranten die dat zouden willen naar het land van herkomst proberen terug te keren, om te kijken of er daar een nieuwe toekomst voor hen is met de opleiding of baan die ze hier hadden. Strik: ‘Je kunt bijvoorbeeld bepalen dat ze hun verblijfsrecht in Nederland niet meteen verliezen, of hun een soort terugkeergarantie geven om te kijken of ze daar hun ervaring kunnen gebruiken. Die dynamiek is goed voor alle betrokken partijen, voor zowel land van herkomst, het land van aankomst als voor de migrant zelf.’

‘De arbeidsparticipatie onder de mensen uit andere EU-landen bevindt zich hier op een verglijkbaar niveau als dat van de autochtonen’, zegt Han Entzinger. ‘Onder de Polen is de arbeidsdeelname zelfs een stuk hoger. Bijna alle Polen werken. Hun beroep op sociale zekerheid is zeker niet hoger dan dat van Nederlanders, voorzover ze er al gebruik van kunnen maken.’

Leo Lucassen zegt dat de arbeidsmarkt werkt als een long. Arbeidsmigranten komen als ze inademt, zij vertrekken als ze uitademt. Zo krijgt de arbeidsmarkt de dynamiek die bij moderne economische systemen past. Lucassen: ‘Het interessante van het experiment met Oost-Europa is dat je ziet dat het werkt. Waarom dan niet uitgebreid met een deel van Afrika en het Nabije Oosten? Als we de veerponten weer vrij zouden laten varen tussen Europa en Afrika, dan denk ik dat er in eerste instantie veel Afrikanen zullen komen in de verwachting dat ze hier kunnen werken. Dat is onvermijdelijk. Als dan blijkt dat de banen niet voor het oprapen liggen, zo leert de ervaring, zullen ze teruggaan en de boodschap verspreiden: jongens, het valt tegen, het is duur daar en er is geen werk. Ondertussen houden ze de economie een beetje in de gaten, om dan een besluit te nemen of ze de veerboot al dan niet zullen nemen. Misschien wagen ze het jaar daarop een nieuwe poging, in de hoop dat hun kansen dan gekeerd zijn. Maar dan moet dit soort mobiliteit wel mogelijk zijn…’

Op grond van onderzoeksgegevens schat Lucassen dat de helft van de migranten die de oversteek op de Middellandse Zee wagen uit Syrië en Eritrea komt, de grote conflictgebieden. ‘Het andere deel is afkomstig uit West- of Noord-West-Afrika’, denkt hij. ‘Die komen primair voor het werk. Ik heb het over die groep. Komt u hier, zou ik zeggen, maar u moet wel zelf uw broek ophouden en werk vinden. Lukt u dat, dan bouwt u geleidelijk rechten op. Dan creëer je als vanzelf een selectie tussen veelbelovende en minder succesvolle migranten. Hoewel er op zich tegen zo’n beleid ook wel allerlei bezwaren van humanitaire aard zijn in te brengen, is dat toch te verkiezen boven de situatie die we nu hebben, waarbij mensen enorme gevaren moeten trotseren om Europa te bereiken, hoge schulden aangaan om die smokkelaars te betalen en dan nóg moeten hopen dat ze het overleven.’

Het is des te wranger, merkt Han Entzinger op, dat Nederland vluchtelingen ontmoedigt hier een nieuw bestaan op te bouwen. Veel talent blijft daardoor onbenut. ‘Waarom doet het kabinet zo weinig voor de integratie van vluchtelingen? Daar schort veel aan. De mensen die uit Syrië Nederland weten te bereiken behoren meestal niet tot de kansarme klasse. Ze zijn vergelijkbaar met de Iraniërs die eerder kwamen. Deze groep doet het in Nederland gemiddeld beter dan de autochtone bevolking, als je kijkt naar het opleidingsniveau en het percentage Iraniërs dat de universiteit verlaat. Ik teken ervoor, als we zulke talenten uit Syrië en Libië aan Nederland kunnen binden. Maar dan moet je ze niet eerst jaren in de opvang laten verpieteren, of in een huis ergens in Dantumadeel waar geen werk is.’

De ironie is dat de politici die zeggen dat Nederland met de immigranten een nieuwe onderklasse binnenhaalt ook de voorstanders zijn van dit ontmoedigingsbeleid. Zo scheppen zij zelf hun eigen voldongen feit. Ook hier gaat de redenering langs het bekende patroon. Zij keren zich tegen scholingsfaciliteiten en lagere drempels voor de arbeidsmarkt omdat hiervan een ‘aanzuigende werking’ zou uitgaan.

‘Vergelijk Nederland met Zweden’, zegt Tineke Strik, ‘waar ze direct met vluchtelingen aan de slag gaan, stages voor hen regelen, een plekje in een bedrijf zoeken. In Nederland zijn hoog gekwalificeerde vluchtelingen gedwongen tot ledigheid, of komen ze in laag gekwalificeerde baantjes terecht doordat hun diploma’s niet worden erkend. Dat is heel frustrerend. Die mensen verliezen wat ze hebben opgebouwd in hun eigen land. Andere migranten krijgen sinds Rutte II niet eens meer een taalcursus aangeboden. Ze moeten wel binnen drie jaar het inburgeringsexamen halen, maar zich diep in de schulden steken om inburgeringsonderwijs te volgen. Sindsdien blijven de klassen leeg. Het stoere beleid, wel sancties maar geen ondersteuning, vertraagt de integratie juist. Helaas, dat gevoel uit de onderbuik tegen migranten wint.’

‘Wie zijn hier nu de realisten?’ schampert Han Entzinger. ‘Een immigratie- en integratiebeleid is gebaat bij rust, respect voor de werkelijkheid en geduld. Maar de politiek heeft een korte adem en zoekt reuring. Ze kiest voor het realisme van het gevoel, van de emotie, niet van de feiten.’


Beeld: (1) Lampedusa. De Italiaanse kustwacht onderschept een vluchtelingenboot uit Libië (Patrick Zachmann / Magnum / HH); (2) Amsterdam, 16 juni. Uitgeprocedeerde asielzoekers bij de Vluchtgarage (Elmer van der Marel / De Beeldunie)