Orhan Pamuk; De literaire hoop van Turkije én Europa

Europa en Turkije komen samen

Het oeuvre van Orhan Pamuk laat zien dat de spannendste en tegelijk meest relevante literatuur momenteel wordt geschreven aan de rafelranden van het westerse cultuurgebied – een oeuvre waarin «Europa en het moslimse Turkije samenkomen». En de Nobelprijs, dat kan altijd nog.

De Nobelprijs is het dit jaar niet geworden, maar de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel mag de Turkse schrijver Orhan Pamuk in ieder geval komende zondag tijdens de Frankfurter Buchmesse in ontvangst komen nemen. Een schrale troost kun je dat niet noemen, een overbodige luxe nog minder, op een moment waarop Pamuk in eigen land een rechtszaak boven het hoofd hangt wegens «belastering van de Turkse identiteit». Die kan hem op maximaal vier jaar gevangenisstraf komen te staan.
Het is niet de eerste keer dat Pamuk in botsing komt met de Turkse staat wegens zijn openlijke uitlatingen over de genocide op de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog en het meedogenloze optreden tegen de Koerden sinds de jaren tachtig. Maar nog nooit is dat conflict zo hachelijk geweest als nu: voor Pamuk zelf en ironisch genoeg ook voor Turkije. Want terwijl het land zich in Brussel in alle bochten wringt om zich het EU-lidmaatschap waardig te betonen, dreigt al die moeite te worden doorkruist door een censuur-proces tegen een man die als de grootste Turkse schrijver van dit moment en misschien zelfs van de hele moderne tijd wordt beschouwd.
Wellicht wilde het Nobelprijscomité zich niet mengen in dit politieke wespennest, te meer omdat het met de toekenning van de Vredesprijs aan het VN-Atoomagentschap al een onverholen politieke tik (tegen het beleid van de Amerikaanse president Bush) had uit gedeeld. Maar erg principieel zou die Stockholmse koudwatervrees niet ge weest zijn. Net zo min als de terughoudende opstelling van de EU dat tot nu toe was, zo schreef Salman Rushdie vorige week in een opiniestuk in The Times. Rushdie wist waar hij het over had. Na de over hem uitgesproken fatwa bleef de reactie van het Nobelprijscomité zo lauw dat twee leden daarvan zich uit protest terugtrokken. In middels heeft de EU wel haar commissaris voor Europese Uitbreiding naar Istanbul ge stuurd voor een gesprek met de be dreigde schrijver. Na afloop ervan lieten ze zich eendrachtig sussend uit over de Turks-Europese toekomst.
Voor de Duitse Boekhandel woog de geopolitieke diplomatie kennelijk min der zwaar dan de erkenning van een schrijver wiens boeken niet alleen tot de huidige top van de wereldliteratuur behoren, maar ook iets te zeggen hebben over de problemen waarmee die wereld worstelt. Het vraagstuk van de verhouding tussen Oost en West, tussen de islamitische en de christelijk-geseculariseerde beschaving en vooral van de plaats van Turkije tussen die twee in vormt de inzet van elk van de zes ro mans die Pamuks internationale reputatie hebben gevestigd. (Voor een vertaling van zijn debuut Cevdet Bey en Zonen uit 1982 heeft hij lange tijd geen toestemming willen geven.) Inmiddels hebben zij gezelschap gekregen van een autobiografische schets van de stad waar Pamuk in 1952 is geboren en die begin november in een Nederlandse vertaling verschijnt.
In Istanbul, herinneringen en de stad schuiven de schrijver en de woonplaats die hij nooit ontrouw is geworden, op een bijna onmerkbare wijze ineen. Beide zijn vruchten van een oosters-westerse kruisbestuiving en geen van hen lijkt definitief te willen kiezen voor één van die twee oorsprongen. Door de jaren heen zwalken ze heen en weer, zoals ook dit boek heen en weer springt tussen Pamuks herinneringen aan de eerste twintig jaren van zijn leven en evocaties van de stad, haar twintigste-eeuwse groei, haar roerige geschiedenis en de roep die door de eeuwen heen van haar is uitgegaan. Terwijl ze aan de ene kant sinds eeuwen het fantasie-object is van wat Edward Said het oriëntalisme noemt, kijkt ze van haar kant al even lang verlangend naar de Europese cultuur, die ze onder het regime van Atatürk ten slotte zo rigoureus omarmde dat het eigen Osmaanse verleden daarbij verdrongen raakte.
In Pamuks stadshistorie wordt die gewilde vergetelheid gesymboliseerd door het verval van de oude Osmaanse villa’s die, veelal uit hout opgetrokken, in zijn jeugd de ene na de andere in vlammen opgingen. Speculatiedrift was daar niet zelden debet aan. Istanbul moderniseerde en werd een stad van woonblokken en een architectuur die de weg naar de toekomst wees.
Maar geleidelijk groeide in de jonge Pamuk, opgegroeid in een bemiddeld milieu dat gaandeweg wel zijn geld maar niet zijn westerse oriëntatie kwijtraakte, een knagend gevoel van verlies dat bijna vanzelf samenvloeide met de melancholie van de stad zelf. Hüzün noemt Pamuk die zoete neerslach tig heid, die het tweelingzusje lijkt van de Portugese saudade. Allebei wortelen ze in de herinnering aan een grootheid die voorgoed voorbij lijkt en zich koestert in verval en teloorgang. Hun droefheid verzet zich niet tegen de moderne tijd, maar laat zich ruggelings door haar meeslepen en verlustigt zich heimelijk in haar eigen passiviteit.
In de tweeslachtige Istanbulse werkelijkheid is ook de hüzün geen on schuldig romantisch heimwee, zo laat Pamuk met pijnlijke scherpte zien. Op geroepen door de stadschroniqueurs en -columnisten van wie hij in zijn roman Het zwarte boek (1990) een prachtig portret geschreven had, draagt ze tegelijk de materie aan voor een ideologie van «Turks-heid» die de twintigste-eeuwse, geseculariseerde Turkse staat zijn legitimatie moest verlenen. Met de modernisering van het land verdwenen niet alleen het oude absolutistische bestel, het Arabische schrift, de fez en het hoofddoekje, maar vond ook een nationalisme ingang dat de ontstane ideologische leegte moest vullen. Voor dit nieuwe Turkse identiteitsbesef droeg het verleden – voortaan bekeken door een nostalgische bril – graag de bouwstenen aan.
Zo ontstond in het moderne Turkije een vreemd amalgaam van westers modernisme en een nationalisme dat naar een geïdealiseerd verleden keek om het ongemakkelijke besef van achterlijkheid te smoren. Dat zoiets niet goed kon gaan, bemerkte de jonge Pamuk toen hij in de loop van de jaren zestig Istanbul steeds eenvormiger zag worden. Terwijl de stad voorheen we melde van talen, etnische minderheden en religies, verdwenen nu de Griekse, Armeense, joodse en andere handelaren snel uit het straatbeeld, vooral na dat halverwege de jaren vijftig hun huizen en winkels geplunderd waren tijdens nationalistische opstootjes die door de overheid stilzwijgend werden gedoogd.
Niet alleen moderniteit en verleden gingen op die manier in Turkije een wankel verbond aan, ook democratie en nationalisme deden dat, met als gevolg – zo constateert Pamuk – dat het moderne Istanbul van de jaren zeventig aanzienlijk minder kosmopolitisch was dan de stad die hij zich herinnerde uit zijn vroegste jeugd. Hij betreurt die teloorgang in een uitbarsting van me lancholische hüzün, zonder daarbij de moderne inslag te verloochenen die hem zelf nu juist weer zo kosmopolitisch maakt. Die paradox vindt een tegenhanger in de Turkse staat die hem aanklaagt wegens «belediging van de Turkse identiteit» uit naam van de door Atatürk ingezette modernisering.
Het zijn deze paradoxen die Pamuk keer op keer in zijn boeken onderzoekt, zonder daarbij op simpele wijze de knoop door te hakken waarin ook hijzelf verstrikt is. Eenvoudig is zijn positie immers niet. Ze is net zo gecompliceerd als die van de stad Istanbul, van de Turkse staat en cultuur, en misschien wel van de islamitische wereld als geheel. Alle kijken vol bewondering en verlangen naar een westerse wereld die hen nauwelijks ziet staan en waarbij ook zijzelf zich in vrijwel alle opzichten ten achter voelen. Zij zijn de periferie, het beloofde land is elders maar zij mogen er niet in of bij – en zoiets leidt ge makkelijk tot een rancune die van de weeromstuit de eigen armzaligheid ophemelt en haar toevlucht zoekt bij een groots, al dan niet illusoir, verleden.
Dit minderwaardigheidscomplex was er verantwoordelijk voor dat in het wetsartikel waaronder Pamuk is aangeklaagd de strafmaat met een derde wordt verhoogd wanneer de belediging van de Turkse identiteit plaatsvindt in het buitenland: dat wil zeggen voor westerse oren. En het komt in het slothoofdstuk van Pamuks Istanbul op nieuw terug in de woorden van zijn moeder, die hem probeert af te brengen van de roeping van zijn jeugd schilder te worden. «Dit is Parijs niet, dit is Istanbul. Al was je de beste kunstenaar van de wereld, dan nog zou niemand je ook maar de minste aandacht schenken.» Zij behaalt ten slotte een halve overwinning. In de laatste regel van het boek, dat tegelijk een verkapte Bildungsroman is, bestemt Pamuk tegenover haar zijn toekomst: «Ik word geen kunstenaar, ik word schrijver.»
Ruim een half dozijn boeken en vertalingen in dertig landen later is er voor Orhan Pamuk geen enkele reden meer tot beschroomdheid, en toch bekent ook hij dat hij zijn stad nog altijd graag door westerse ogen beziet, als een afweer tegen het enge nationalisme en het conformisme dat nog altijd een verleiding is. De paradoxale positie tussen twee culturen die niet symmetrisch zijn en waarin de spanning dus bij voorbaat zit ingebakken, blijft hachelijk. Dat dit geen nieuw probleem is, liet Pamuk zien in zijn meesterlijke roman Ik heet Karmozijn (1998), die speelt in het milieu van de Turkse manuscriptenverluchters aan het einde van de zestiende eeuw. Terwijl een fundamentalistische prediker strijdt tegen losbandigheid, ongehoorzaamheid aan de koran en iedere vorm van schilderkunst die afwijkt van de oude Perzische meesters, moeten deze miniaturisten ervaren dat de verlokkingen van de Europese schilderkunst met haar realistische perspectief en individualistische stijl almaar groter worden.
Rond de spanningen die dat oproept weeft Pamuk een spannende intrige van moord en doodslag, waarin de erkenning van de eigen schilderkunstige tekortkomingen en uiteindelijk de waarde van de hele eigen cultuur en traditie op het spel staat. Want wat, zo vraagt een van de verluchters zich af, is «individuele stijl» anders dan een vorm van onvolmaaktheid? Als de grote meesters uit het verleden deze eenmaal hebben bereikt, wie zou het dan nog wagen toe te geven aan de grillen van zijn eigen individualiteit? En geldt hetzelfde niet voor de invoering van het perspectief, waardoor de afbeelding niet meer de werkelijkheid toont zoals God die ziet, maar zoals de mensen die zien? Plotseling staan hoge en lage dingen evenwaardig naast elkaar, terwijl de schilderkunst juist inzicht moet bijbrengen in het verschil tussen hoog en laag. Wordt in de perspectiefkunst de hele wereld niet juist vlak, omdat alles daarin door empirische toevalligheid op één hoop wordt gegooid?
Dat is de wereld op z’n kop en Pamuks verluchters komen er niet uit: niet uit onbegrip jegens de westerse schilderkunst, maar juist omdat ze de implicaties daarvan maar al te goed begrijpen. Het besef van een goddelijke rangorde zal in het Westen inderdaad afsterven en plaatsmaken voor een verheerlijking van het individu dat is losgemaakt van iedere vooraf gegeven hiërarchie. Pamuks meesterschap bestaat erin dat hij hun perplexiteit niet alleen begrijpelijk maakt, maar ook in haar eigen plausibiliteit laat zien. Vanuit het pre-moderne gezichtspunt is de vooruitgang van de westerse schilderkunst een zegen die op z’n minst gemengd is.
Terecht prijst het juryrapport van de Vredesprijs in Pamuk dan ook een schrijver «die als geen andere auteur in onze tijd de historische sporen van het Westen in het Oosten en van het Oosten in het Westen nagaat en ons tot een cultuur begrip dwingt dat steunt op kennis van en respect voor de ander». Op hoogst actuele wijze deed hij dat in zijn meest recente roman Sneeuw (2002), waarin hij de dichter Ka verloren laat raken in de Oost-Anatolische stad Kars die, ingesneeuwd en van de buitenwereld afgesloten, het toneel wordt van een heftige strijd tussen republikeinse militairen en islamisten. Inzet daarvan is het recht van Turkse meisjes op school en universiteit een hoofddoek te dragen, ter wille waarvan al enkele zelfmoorden hebben plaats gevonden en waartegen het plaatselijke leger de macht in handen neemt.
In Kars, dat een miniatuurafspiegeling vormt van het in zichzelf gekeerde Turkije, ontdekt Ka niet alleen dat de strijd vóór en tegen de hoofddoek vele gezichten en even zovele motieven kent. Hij raakt tot zijn eigen ontzetting ook zelf kortstondig in de ban van het islamisme, dat een aantrekkelijke uitweg lijkt te bieden uit de impasse waarin hij als voormalig marxistisch activist ge raakt is. Evenmin als in Ik heet Karmozijn wil Pamuk daarmee een lans breken voor het verkrampte integralisme of het even karikaturale secularisme van de coupplegers. Hij wil de worsteling laten zien die zich binnen de Turks-islamitische wereld zelf afspeelt, verscheurd als ze wordt door een mengsel van verlangen en angst, onvermogen en minderwaardigheidsgevoel.
Voor Pamuk staat echter vast dat de islamitische wereld niet aan modernisering ontkomt. Hoe pijnlijk de keuzen zijn die zij daarbij moet maken illus treert hij met het lot van de Os maanse miniatuurschilders in dat laatste boek. Zij kunnen niet voor- of achteruit, want elk van beide keuzen betekent het einde van hun vak, hun verlangens en zelfs hun leven. Voor de islam is, met andere woorden, een probleemloze mo derni se ring niet weggelegd – zoals dat tenslotte ook in de Europese ge schie denis niet het geval is geweest. Godsdienstoorlogen, ontworteling en een pijnlijke zoektocht naar nieuwe oriëntatiepunten waren er voor nodig om de moderne samenleving de gestalte te geven die wij nu kennen.
In het begin van zijn schrijverschap leek Pamuk daarover nog optimistischer te zijn. In zijn historische roman De witte vesting uit 1985 voerde hij een Venetiaanse edelman op die als slaaf in Turkije terechtkomt en carrière maakt als assistent van een islamitische ma giër. In het verhaal komen zij elkaar zo nabij dat hun identiteit steeds meer verweven raakt. Uiteindelijk zal de magiër onder de naam van de Italiaan naar diens geboorteland terug keren, en de laatste zijn leven slijten in Turkije. Dat is althans de meest voor de hand liggende lezing van dit raadselachtige boek, waarin ten slotte ook Pamuk (zo bekent hij in een nawoord) de een niet meer van de ander wist te onderscheiden.
Aan het einde van Ik heet Karmozijn gaat de Osmaanse schilderkunst uiteindelijk ten onder, vermalen tussen nos talgie naar een onmogelijk geworden traditie en het verlangen naar een even onbereikbare moderniteit, en on mach tig mokkend over haar verloren luister. Het moderne Turkije is er volgens Pamuk niet veel beter aan toe. «Het werd gesticht door de welvarende, pro-moderne klasse die zich afzette tegen de arme en achterlijke delen van de samenleving, zonder te trachten deze te begrijpen», schreef hij kort na 11 september 2001 in de New York Review of Books. Het resultaat daarvan was een natie in een voortdurende staat van beleg, die zich inmiddels over een groot deel van de islamitische wereld heeft uitgestrekt.
Pamuk wijst geen uitweg uit deze impasse. Hij beschrijft haar, roman na roman, met een meesterlijke literaire techniek die niet, zoals het Frankfurtse juryrapport schrijft, «een mengsel is van oosterse verteltraditie en stijl elementen van de westerse moderniteit», maar door en door Europees en zelfs Amerikaans-(post)modern is. Of hij zich daarbij nu verplaatst naar het Turkse verleden of, zoals in Sneeuw en zijn roadmovie-achtige roman Het nieuwe leven uit 1994, het oostelijke achterland van Turkije opzoekt, zijn literaire voorbeelden zijn Balzac, Faulk ner, Flaubert, Nerval en hun hedendaagse postmoderne opvolgers.
Ook daarin moest Pamuk, zoals hij in Istanbul schrijft, zich de identiteit van anderen aanmeten om zichzelf te kunnen worden. Want het belangrijkste inzicht van de moderniteit is misschien wel dat identiteit op zich slechts bestaat als een vorm van een vermenging, die het scherpst wordt gevoeld door wie zich aan de rand daarvan bevindt. Dat Pamuk zich als schrijver in het hart van de wereldliteratuur heeft kunnen plaatsen, is in veel opzichten te danken aan de excentrische positie, die het westerse bewustzijn eraan herinnert dat het slechts bestaat omdat het alles wat vast is in rook heeft doen opgaan.
Niet voor niets wordt daarom de spannendste en tegelijk meest relevante literatuur momenteel geschreven aan de rafelranden van het westerse cultuurgebied en wijst het Frankfurtse juryverslag uitdrukkelijk naar Pamuks creativiteit in het ontwikkelen van «beelden en begrippen die onze samenleving in een niet eng begrepen Europa zal gebruiken». Die laatste zin klinkt, bij de opening van de onderhandelingen met Turkije over toetreding tot de Europese Unie, te expliciet om toevallig te zijn. Ook dát is een gegronde en tijdige reden voor de bekroning van een oeu vre waarin, volgens datzelfde rapport, «Europa en het moslimse Turkije samenkomen». Voor de Nobelprijs is er nog altijd gelegenheid genoeg.

Van Pamuks boek over Istanbul is al een Engelse vertaling verschenen: Istanbul: Memories and the City (Knopf, 386 blz.). De Nederlandse vertaling Istanbul: herinneringen en de stad, verschijnt op 1 november bij De Arbeiderspers