Interview met Han ten Broeke

‘Europa is binnenlands beleid’

Dankzij een motie van VVD-kamerlid Han ten Broeke onderzoekt de Tweede Kamer of Europese wetgeving niet als nationale wetgeving kan worden behandeld. Dat markeert een belangrijke trendbreuk in het denken over de democratisering van Europa.

Ergernis dreef vvd-kamerlid Han ten Broeke de politiek in. Ergernis over politici die maar niet aan de spreekwoordelijke man en vrouw in de straat het belang van Europa kunnen uitleggen. Ergernis over het Europa van de grote woorden en de kleine daden, het Europa van de bemoeizucht, het Europa dat de met veel klaroengeschal omgeven eigen afspraken niet nakomt. En afkeer van Europa als een project van de elites.

Europa kan wel degelijk op straat worden verkocht, is de stellige overtuiging van Ten Broeke. Daarom steunde hij destijds het referendum over de Europese grondwet, al was hij ervan overtuigd dat het ja-kamp het niet zou redden. ‘Omdat de voorstanders geen idee hadden hoe ze de grondwet moesten verkopen. De opstellers wilden het groots aanpakken, met een liefdesverklaring aan Europa. Wat ze oogstten was een loyaliteitsverklaring aan de natiestaat. Aanvankelijk konden de voorstanders dat niet verkroppen. Ze toonden toen de typische reflex van een elite die niet snapt wat haar is overkomen. Europa was hun afgepakt. Ik heb er geen traan om gelaten.’

Met Ten Broeke lijkt zich een nieuwe generatie Europa-woordvoerders in de Kamer te manifesteren. Pragmatischer dan de oude generatie Europa-aanhangers, die zich graag verloren in verheven bespiegelingen over de grootse missie van Europa en nauwelijks openstonden voor welke vorm van kritiek of scepsis dan ook. De nieuwe generatie Europa-woordvoerders lijkt voor het eerst ook echt serieus werk te maken van versterking van de nationale parlementaire controle op het Europese beleid. De Kamer voert al veertig jaar een toneelstukje op als het over Europa gaat, stelt Ten Broeke. Dure debatten met grote woorden aan de vooravond van Europese toppen, terwijl de invloed nihil is. En de regering maakt graag gebruik van de Europese speelruimte om de Kamer op een zijspoor te zetten. Wordt een Europees beleidsvoorstel gelanceerd, dan zegt de regering steevast nog geen positie te hebben bepaald. Zijn de onderhandelingen eenmaal aan de gang, dan kan de regering in het openbaar niets zeggen om de eigen onderhandelingsruimte niet weg te geven. En ligt er eenmaal een resultaat, dan is de Kamer ook te laat, want volgens de regering zat er domweg niet meer in. De keuze voor de Kamer bestaat uit slikken of stikken. Waarop de Kamer steevast slikt, soms na wat rituele boosheid.

Omdat Europa als een vorm van buitenlands beleid wordt behandeld, is de uitvoerende macht in zo’n comfortabele positie beland. En precies dat wil Ten Broeke veranderen: ‘Europa is geen buitenlands beleid. Het is binnenlands beleid. De europeanisering van het binnenlandse beleid is zo immens dat de Kamer daar in het vroegste stadium bij moet zitten.’ Formeel heeft de Kamer geen medewetgevende bevoegdheden als het om Europees beleid gaat. Toch schaarde de Kamer zich achter een motie van Ten Broeke om wegen te zoeken om het parlement een semi-medewetgevende rol te geven. Hoe dat er precies uit moet gaan zien, weet hij zelf ook nog niet. Een idee is om voortaan de Raad van State om advies te vragen bij Europese voorstellen. Het is een publiek geheim dat de voorzitter van de Raad van State, Tjeenk Willink, staat te trappelen om zo’n rol te vervullen. Na de zomer moeten staatsrechtgeleerden de Kamer concrete ideeën aan de hand doen.

In de motie staat ook een pleidooi om met een soort mandaat te gaan werken. In zijn zuiverste vorm betekent het dat de regering met een door het parlement vastgesteld onderhandelingsmandaat naar Brussel afreist. De combinatie ‘mandaat’ en ‘Europa’ heeft op de uitvoerende macht doorgaans het effect van een rode lap. Het schrikbeeld is Denemarken, waar het verhaal wil dat een minister eerst naar huis moet bellen om toestemming van het parlement te krijgen om in Brussel naar de wc te gaan.

Dat wil Ten Broeke de Nederlandse ministers uiteraard niet aandoen. Maar tussen het vrijblijvende debat en het verstikkende mandaat moet iets te vinden zijn: ‘De essentie is dat de Kamer daadwerkelijk de controle krijgt. Ik wil niet alle onderhandelingsruimte bij de regering wegkapen, maar de volksvertegenwoordiging heeft wel een taak te vervullen. Zelf moet ik ook geloofwaardig maken dat ik opkom voor de burgers, dat het parlement een rol speelt in het Europese beleidsproces. De Kamer toetst sinds kort of het bij voorstellen van de Europese Commissie wel echt om zaken gaat die op Europees niveau behandeld moeten worden. Dat is een stap voorwaarts. We zijn van het jaar nul naar de Middeleeuwen opgeschoven. Ik wil de stap naar het nu maken, en dat betekent dat de Kamer haar werkwijze zal moeten aanpassen.’

In Europees perspectief betekenen Ten Broekes voorstellen niet minder dan een trendbreuk. Jarenlang was er maar één antwoord op de veelvuldig geconstateerde democratische kloof in Europa: versterk de bevoegdheden van het Europees Parlement. Ten Broeke zet juist in op versterking van de rol van de nationale parlementen. ‘Ik ben erg van de nationale lijn’, zegt hij: ‘Daar is de meeste democratische winst te behalen. Maar die lijn is decennialang tegengehouden door de federalisten. De Europese Top in juni betekende een doorbraak: het definitieve einde van federale dromen en spelletjes. De belangrijkste winst van het nieuwe verdrag is dat de nationale parlementen op verschillende vlakken een formele rol hebben gekregen in het Europese besluitvormingsproces. Wij zijn nu een Europese instelling geworden. Dat vinden ze niet leuk bij het Europees Parlement en de Europese Commissie. Die zien hun macht afbrokkelen.’

De grote vraag blijft of de gemiddelde burger de koerswijziging zal waarnemen en ondersteunen. Ten Broeke ziet dat met vertrouwen tegemoet. Al erkent hij dat er nog bergen werk zijn te verzetten, toch deinst hij niet terug voor een eventueel nieuw referendum: ‘De voorstanders zijn meer dan ooit bereid en ook in staat om de populisten de oren te wassen. Je merkt het nu al. Tijdens een van de laatste Europese debatten werd Harry van Bommel van de SP twintig minuten lang door zo’n beetje alle fracties geïnterrumpeerd.’

Eén ding vreest hij daarentegen wel: sommige ‘onteigende’ Europa-liefhebbers van de oude stempel beginnen zich in het debat te mengen, en waarschuwen wederom voor de verpletterende gevolgen van een hernieuwd nee. Volkomen contraproductief, denkt Ten Broeke: ‘Ik ben niet bang voor Jan Marijnissen of Geert Wilders. Ik ben wel bang voor de voorstanders die elkaar nog steeds de maat nemen: of je wel Europees genoeg bent, of je niet te sceptisch bent. Als er een nieuw referendum komt, kan het ja-kamp alleen van zichzelf verliezen. We kunnen ons niet te veel van die teleurgestelde bokken permitteren die ons in de nek schieten.’