Essay: Oproep tot een cultureel concilie

Europa is in de eerste plaats cultuur

We hebben in Europa economische samenwerking, maar geen podium waarop cultuurverschillen zich met elkaar kunnen meten. Michaël Zeeman roept op tot een Europees cultureel concilie.

Het was een van de wonderlijkste internationaal-politieke of desnoods diplomatieke dialoogjes die we ooit hadden gehoord: het fragment dat, december verleden jaar, naar buiten kwam van de gedachtewisseling tussen Sylvio Berlusconi en Gerhard Schröder. De heren waren samen met hun collega-regeringsleiders van de andere landen van de Europese Unie bijeen te Laken, nabij Brussel, want België was gedurende de tweede helft van het jaar 2001 voorzitter van de Unie en dat brengt gastheerlijke verplichtingen met zich mee.

Onderwerp van gesprek was de verdeling van vestigingsplaatsen van nieuw op te richten instituten van de Europese Unie. Ter tafel kwam de oprichting van een bureau dat namens alle lidstaten toezicht moest gaan houden op de kwaliteit van het voedsel dat binnen de Europese Unie wordt aangeboden of geproduceerd. We hoeven, in het kader van de eenwording, weliswaar niet allemaal hetzelfde te gaan eten, als wat we eten maar aan dezelfde kwaliteitseisen voldoet. Daar schort het nog weleens aan en bovendien is in veel individuele gevallen onduidelijk wat de eisen zijn die je aan dat voedsel moet stellen, om de eenvoudige reden dat wij onze kazen en worsten, onze bieren en jenevers, onze broden en taarten, allemaal op onze eigen wijze produceren. We maken wat we lekker vinden en wat we lekker vinden heeft niet alleen te maken met mogelijkheden, met wat voorhanden is, maar ook met gewoontes, met wat we van jongs af lekker hebben leren vinden.

Smaken verschillen en dus ook de waardering van wat we eten en drinken. In Europa kun je van noord tot zuid overal kaas, bier en brood krijgen, en van oost tot west worst, jenever en taart, maar wat je krijgt wanneer je die lekkernijen bestelt, verschilt niet alleen van land tot land, maar zelfs van streek tot streek. Het enige waar we het, als het om spijs en drank gaat, inmiddels over eens zijn, is dat Engelse koffie niet te drinken is en dat je in het algemeen de voorkeur dient te geven aan koffie die op Italiaanse wijze is bereid.

Veel is het niet, na bijna een halve eeuw ijveren voor integratie. Probeer onder die omstandigheden maar eens een bureau op te richten dat gaat formuleren wat nou precies de kwaliteit van voedsel is en hoe de daarvoor geformuleerde norm moet worden nageleefd.

Maar zover kwam het niet eens. Het verdelen van bureaus en instellingen over de verschillende landen van de Europese Unie is op zichzelf al een hachelijke onderneming, want toekenning aan het ene land betekent een weigering voor alle andere, succes voor de een is verlies voor de anderen. Zo wordt dat inmiddels ook beleefd: op papier willen alle leden van de Europese Unie hetzelfde, in de praktijk dienen zij bovenal hun eigen belang.

Zij zeggen dat vandaag de dag zelfs met zoveel woorden. Berlusconi is er, meen ik, mee begonnen, maar bij de eerste ronde voor de jongste presidentsverkiezingen in Frankrijk hadden Jospin en Chirac het expliciet in hun programma’s opgenomen: de Europese Unie is voor Frankrijk van belang voor zover ze voor Frankrijk van belang is. En de meest dramatische omslag werd de achterliggende maanden gemaakt door Duitsland, dat liet weten het Europese ideaal te zullen blijven dienen, maar er geen zin meer in te hebben daarvoor ook de rekening te betalen.

Dat gebeurt allemaal op begrijpelijke gronden, al maken die individuele stellingnames tegelijkertijd deel uit van een veel breder patroon. De legitimering van de Europese Unie, voorheen de Europese Economische Gemeenschap, vond lange tijd plaats in termen van vrezen en idealen. Het was de ‘dat-nooit-weer’-gedachte die de ambitie om tot intense samenwerking te komen voortdreef: drie Frans-Duitse oorlogen in het tijdsbestek van 75 jaar, twee op Europese grond begonnen wereldoorlogen binnen een kwarteeuw, dat werd allemaal wat te kostbaar. Economische motieven werden idealen, idealen economische samenwerkingsplannen – waar het begon laat zich lastig definitief reconstrueren, maar dat het tot een doelstelling en veel energie leidde staat wel vast.

Maar de wereld veranderde. De drie grote revoluties van de jaren zestig, die in inkomen, vrije tijd en opleidingsgraad, kweekten een bevolking die zich in veel bredere lagen dan ooit eerder het geval is geweest bewust werd van de Europese dimensies waarin ze leefde en daar bovendien gebruik van ging maken. Nooit eerder zijn er zoveel Europeanen geweest die in enigerlei mate de talen van ten minste een van hun buren spreken of verstaan, die in persoon bij een aantal van die buurvolkeren op bezoek zijn geweest en die hun eigen menu hebben aangevuld of gewijzigd met wat hun buren traditioneel consumeerden.

Over het niveau van die talenkennis koester ik geen illusies, evenmin als over de vrucht die al die buitenlandse verblijven hebben voor de kennis van andere culturen en hun geschiedenis of de begripsvergroting die ontstaat door het eten van salades met brokjes fetakaas en olijven erin of het luisteren naar eigenaardige volksmuziek van elders. Waar het om gaat is dat het bewustzijn van het bestaan van al die andere culturen en landen, al die andere manieren van leven, praten en eten, is toegenomen – en misschien ook wel het bewustzijn van andere manieren van met elkaar omgaan of naar de wereld kijken. Er is, ten slotte, ook voor het eerst in de geschiedenis van dit werelddeel een groep van heavy users van Europa bijgekomen, van studenten op interrail of deelnemend aan een Erasmus-project tot ondernemers met bedrijfjes in verschillende landen.

De laatste wereldoorlog werd een steeds verder afliggende geschiedenis en tegelijkertijd veranderde de werkelijkheid die de Europeanen beleefden. Het werd allengs lastiger om de vrees voor herrie tussen Fransen en Duitsers als legitimering voor samenwerking en integratie te gebruiken, maar er kwam een zeker Europees zelfbewustzijn voor in de plaats. Het is zeer de vraag of mensen die elkaar en elkaars omstandigheden enigszins kennen en gebruiksmatig hebben leren waarderen, nog bereid zijn elkaar en elkaars spullen te vernielen. Alleen al het over en weer bestaan van zoveel bezittingen in elkaars landen maakt dat begrotelijk.

Nu dat dialoogje, dat zowel exemplarisch als symptomatisch voor die veranderde omstandigheden is. Om de impasse over de toekenning van dat voedselbureau te doorbreken, werd op een gegeven moment gesuggereerd het dan maar in Finland te vestigen. Nette lui, tenslotte, die Finnen, levend in een omgeving waar je je eten lange tijd vers kunt houden, dus wel wat gewend als het om die voedselkwaliteit ging, en niet overmatig bedeeld met instellingen van de Europese Unie. Bovendien een klein land, dus geen van de grote landen hoefde werkelijk te vrezen veel last te zullen krijgen met dat instituut.

Daar kwam niets van in, mopperde Berlusconi: een voedselbureau in Finland? Die lui weten niet eens wat een prosciutto ís! Zo’n bureau hoorde in Parma te worden gevestigd, midden in de vruchtbare Po-vlakte, waar de heerlijkste gerechten vandaan kwamen, op traditionele wijze bereid, dat wist inmiddels heel Europa. Schröder probeerde hem ertoe te bewegen iets zakelijker te argumenteren, maar het hoge woord was eruit – dus kwam er vooralsnog geen instituut en al helemaal niet in Finland.

Het is een interessante en veelzeggende gebeurtenis, zo koddig als zij is. Zij illustreert de omslag die in recente jaren heeft plaatsgevonden, een omslag die het karakter van de Europese samenwerking en de ontwikkelingen die die zal volgen definitief heeft veranderd. Het is die verandering die de uitbreiding van de Europese beraadslagingen ineens dringend maakt: die kunnen zich niet langer beperken tot gedachtewisselingen en ondernemingen op economisch, juridisch en eventueel buitenlands politiek terrein, maar die moet zich gaan toeleggen op culturele en intellectuele gebieden.

Want waar het ogenschijnlijk ging en gaat om economische projecten, valt over die economische projecten geen zinnig woord meer te zeggen als we niet duidelijk hebben gemaakt waaruit de culturele wetenschap bestaat en waartoe die zou kunnen leiden. Prosciutto is weliswaar eten, is handelswaar, maar de wijze waarop die wordt bereid en de waardering die ervoor wordt uitgesproken is een culturele aangelegenheid. Natuurlijk, eerst komt das Fressen en dan de moraal, maar welk eten lekker is, wordt bepaald door een weer geheel andere moraal.

Juist nu. Nu de formulering van nationale belangen door de verschillende deelnemers expliciet is geworden. Nu het nationaal zelfbewustzijn of ten minste de vraag daarnaar ineens alom belangrijker lijkt te worden gevonden. Je kunt dat per geval een identiteitscrisis noemen – de vraag ‘wie zijn wij?’ wordt ineens overal, in talrijke landen, gesteld – maar die identiteitscrisis raakt per se ook die Europese identiteit, al was het maar doordat ze zo’n epidemisch karakter heeft. Om die epidemie gaat het.

Traditioneel richtte de sceptische spotlust van de Europeanen zich op Brusselse economische maatregelen. Over tal van landbouwvoorschriften werd lacherig gedaan, maar die lacherigheid duidt juist op de urgentie van dat culturele gesprek. Immers, al die mensen die een gestandaardiseerd type tomaat of een andere samenstelling van hun vlaflip afwezen, reageerden vanuit een traditioneel en cultureel bepaalde opvatting over hoe hun wereld eruit zou moeten zien. Terwijl het programma dat de politici opstelden en hun ambtenaren uitvoerden een overheersend economisch karakter droeg, was de reactie van culturele aard. Dat is uiteraard begrijpelijk en terecht: Europa is voor alles een cultureel begrip.

De meest gehoorde formule om die culturele saamhorigheidsgevoelens en gevoelens van verwantschap uit te drukken is die van ‘eenheid in verscheidenheid’, een prevelement dat rechtstreeks afkomstig is uit de katholieke traditie: zo probeerde de moederkerk uit te leggen dat er weliswaar lokale verschillen konden bestaan in de uitoefening van het geloof, maar dat al die verschillen samen konden komen in een kerk. Vijftien jaar geleden was dat ook de slotsom die Hans Magnus Enzensberger trok na zijn rondgang door acht Europese landen, in Ach, Europa! . ‘Eenheid in verscheidenheid’, het is een mooie bezwering, maar een onwerkbaar programma.

Want die kerk kende concilies, waarop keer op keer al die verschillen uitgesproken mochten worden en nagegaan kon worden hoe die zich tot het geheel verhielden. Aan een dergelijk concilie, aan een podium waarop die cultuurverschillen zich met elkaar kunnen meten en op zoek kunnen gaan naar wat hen bindt, ontbreekt het op Europees niveau.

Dat is ook bijzonder moeilijk te bewerkstelligen. ‘Eenheid in verscheidenheid’ is immers niet meer dan een lieve formule: wie zegt dat de Europeanen met elkaar zijn verbonden door een gemeenschappelijke geschiedenis, zegt tegelijkertijd dat ze van elkaar zijn gescheiden door die geschiedenis. Zij hebben veel met elkaar meegemaakt, maar hun belevenissen bestaan voornamelijk uit onderlinge conflicten. De gangbare criteria waarmee een natie wordt gedefinieerd – lotsverbondenheid door gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke geschiedenis en gemeenschappelijke kijk op de wereld – moeten voor de verschillende nationale staten van Europa de geschiedenis al tamelijk veel geweld aan doen om hun nationale karakter te legitimeren, voor een ‘Europese natie’ zijn ze zelfs volledig ontoepasbaar.

Daar wringen definitiezucht en levenspraktijk. De abstracte termen waarmee de eenheid van Europa moet worden beschreven, schieten keer op keer tekort, terwijl de beleving van die samenhang wel degelijk termen weet te vinden. Europeanen, van welke nationale of regionale afkomst ook, weten heel goed dat zij Europeanen zijn, al was het maar doordat zij zichzelf en elkaar zo duidelijk kunnen identificeren oog in oog met niet-Europeanen. De negatieve definitie werkt vlekkeloos, de positieve leidt steevast tot haarkloverijen.

Ondertussen doet het curieuze verschijnsel zich voor dat er in de Europese cultuur op talrijke momenten van haar geschiedenis min of meer over hetzelfde wordt gepraat. Dat gesprek vindt in verschillende talen plaats en wordt gekleurd door argumenten en argumentatiestrategieën die uit verschillende culturele tradities afkomstig zijn, maar het is wel hetzelfde gesprek. Dat was zo in de perioden waaraan wij de namen van de grote stromingen van de cultuurgeschiedenis hebben toegekend – de Barok, de Verlichting, de Romantiek – en dat is nu niet anders.

Wie regelmatig door de landen van de Europese Unie reist, constateert dat discussies over de gevolgen van de revolutie van 1968, over de omgang met de islam of over de respons van grote groepen migranten van buiten Europa overal worden gevoerd. Ja, ook discussies over de cultuur in engere zin – het einde van de schilderkunst, de wederopstanding van de levensfilosofie, het ontsnappen van de roman uit de kluisters van de introvertie – lijken op elkaar.

De termen verschillen, maar het onderwerp is hetzelfde – en misschien verschillen de termen niet eens zo gek veel van elkaar. Wat ‘rechts extremisme’ of ‘nieuw-rechts’ of ‘neo-nationalisme’ heet, komt min of meer tegelijkertijd in talrijke Europese landen op en lijkt soms in al die landen vergelijkbare percentages van de bevolking aan te spreken. Het gaat daarbij om de politieke manifestatie van een cultureel fenomeen.

In de bescheiden termen van de kunst kun je een verschijnsel als het werk van de Franse schrijver Michel Houellebecq noemen: zijn kritiek op de levenswijze van de generatie die in 1968 de macht greep, riep niet alleen in Frankrijk heftige reacties op, maar ook in Duitsland, Engeland, Italië en Nederland. Het is geen toeval dat het debat over de babyboomers bij ons min of meer begon op het moment dat zijn Elementaire deeltjes in Frankrijk verscheen.

Analoge reacties, analoge sentimenten, analoge stemmingen, misschien zelfs wel analoge ideeën op hetzelfde moment in verschillende landen – het heeft iets geruststellends én iets onrustbarends. Het geruststellende is erin gelegen dat we kennelijk toch in eenzelfde cultuur leven, het onrustbarende is dat we allemaal op onszelf dezelfde discussie zitten te voeren zonder veel van elkaars inzichten te kunnen delen.

Dat komt door het ontbreken van dat culturele concilie. Er is al talloze keren op gewezen dat een volwassen democratie het niet kan stellen zonder onafhankelijke media, waarbij die media de functie vervullen van een openbaar podium voor gedachtewisseling. Hoe graag de meesten hunner dat ook zouden willen, politici kunnen geen politiek bedrijven zonder dat op hun voornemens en handelingen constant en consequent kritiek wordt uitgeoefend of commentaar wordt geleverd. De plaats van die kritiek is niet alleen het parlement, die is bovenal gelegen in de krant en in het tijdschrift. Daar wordt geanalyseerd en gewaardeerd.

Maar er zijn geen Europese media. Natuurlijk, alle serieuze Europese kranten hebben correspondenten in Brussel, maar het is de primaire taak van die corres pondenten te berichten over de consequenties die Europese besluiten voor het nationaal belang hebben. De gemeenschappelijke zaak is geen optelsom van individuele belangen, zoals uitwisseling van individuele wensen en ondernemingen ook geen doelstelling op zichzelf zou kunnen zijn. Het is ook precies daardoor dat het veel genoemde democratische tekort van Europa nooit kan worden opgelost: tussen burgers die in nationale staten leven, hun geschiedenis vanuit hun eigen perspectief leren kennen en bespreken in hun eigen taal, burgers, kortom, die ook naar de Europese ontwikkelingen kijken vanuit hun eigen wel bepaalde traditie enerzijds, en voor een politieke, economische, juridische en diplomatieke integratie of samenwerking ijverende kaste van bestuurders en politici anderzijds, is geen intermediair.

Het is geprobeerd, daar niet van – maar de experimenten van enkele grote Europese kranten om tot nadere samenwerking te komen zijn mislukt en het internetexperiment van de Nederlandse oud-parlementariër Guikje Roethof is zelfs nooit van de grond gekomen. Het wordt gedaan, daar ook niet van – maar de drie media die in gelijke mate door een elite in alle landen van de Europese Unie worden gadegeslagen, CNN, The International Herald Tribune en The New York Review of Books zijn stuk voor stuk van Amerikaanse makelij en kijken dus volkomen onthecht en onverbonden naar Europa. Weliswaar is een culturele en in mindere mate een bestuurlijke elite op de hoogte van hun zienswijze, het blijft wel de hunne. Zo zien wij er van de buitenkant uit, zo kijken Amerikanen naar de wereld en soms ook naar ons. Met een gedachtevorming over wat Europa vanuit Europees perspectief aangaat hebben zij geen van drieën iets te maken.

En dus wordt het tijd dat concilie bijeen te roepen. Op kleine schaal heeft de voorzitter van de Europese Commissie die noodzaak ook al gevoeld; hij verzocht onlangs enkele vooraanstaande Europese intellectuelen te zijnen behoeve een denktank te vormen. In Nederland beijvert de Stichting Essay International zich ervoor een uitwisseling tot stand te brengen tussen de belangrijkste Europese kranten en tijdschriften om tijdig te signaleren wanneer er in verschillende landen een voor andere landen belangrijke discussie woedt of wanneer er in die verschillende landen over hetzelfde wordt nagedacht.

Maar dat is niet genoeg. Er heerst een nare spanning tussen de mate waarin ‘Europa’ niet leeft en dus Europese verkiezingen steeds minder mensen kunnen bewegen ook te gaan stemmen en een levende Europese werkelijkheid waarin steeds meer mensen van land tot land trekken en van hoog tot laag deel hebben aan eenzelfde cultuur, zij het ook een cultuur die zich van streek tot streek op andere wijze manifesteert. Het cynische antwoord daarop, het antwoord dat het primaat uit handen geeft aan economische ontwikkelingen en erop rekent dat culturele dan vanzelf wel zullen volgen, miskent de dominantie van culturele tradities over economische: of wij die welomschreven prosciutto gaan eten en ook lekker gaan vinden, hangt helemaal af van onze achtergrond.

Over die achtergrond moet het gaan; niet om de verschillen zichtbaar te maken, maar de overeenkomsten. Eigenlijk is het merkwaardig dat er nog altijd geen intellectuele en culturele Eurotop wordt gehouden wanneer de regeringsleiders halfjaarlijks bijeen zijn. Zo merkwaardig, dat er een eind moet worden gemaakt aan dat isolement en een begin met het gesprek over de onderwerpen die er werkelijk toe doen.